64 search results for "Hart en vaatziekten"

Wat is orthomoleculaire geneeskunde

Orthomoleculaire geneeskunde

 

Inleiding

Het begrip orthomoleculaire geneeswijze is afgeleid van het Griekse woord ‘orthos’, waarmee wordt verwezen naar ‘optimaal’, ‘juist’ of ‘gezond’; moleculair wil zeggen: ‘de moleculen betreffende’. Onder de orthomoleculaire voedingsleer wordt dan ook verstaan de studie over de werking van de voedingsstoffen in het lichaam ten behoeve van een optimale gezondheid.

Een optimale gezondheid vraagt om voldoende vitaminen, mineralen en andere nutriënten in de juiste verhouding. Daarbij houdt de orthomoleculaire voedingsleer terdege rekening met de veranderende leefomstandigheden van de hedendaagse mens, de verslechterende voedingsgewoonten en de verminderde kwaliteit van de aangeboden voeding door milieuvervuiling en diverse bewerkingsprocessen.

De orthomoleculaire geneeswijze is een geneesmethode, waarbij men beoogt het lichaam te voorzien van de juiste concentraties biologische stoffen: vitaminen, mineralen, vitaalstoffen, sporenelementen en enzymen. Deze worden in doorgaans hoge doseringen toegediend. Vandaar dat weleens wordt gesproken van mega-vitaminetherapie. Dit betekent overigens niet dat een overmaat aan vitaminen en mineralen goed is voor het lichaam, maar dat er voldoende hoge concentraties van alle voedingsstoffen in de juiste verhouding aan het lichaam worden aangeboden.

Geschiedenis van de orthomoleculaire geneeskunde

De naam ‘orthomoleculaire geneeswijze’ is in de late zestiger jaren geïntroduceerd door de Amerikaan Linus Pauling. Hij was chemicus en tweevoudig Nobelprijswinnaar. Hoewel de orthomoleculaire geneeskunde pas enige gestalte kreeg nadat Linus Pauling het had beschreven in een baanbrekend artikel in het tijdschrift “Science”, ligt de oorsprong van deze tak van de geneeskunde al in de twintiger jaren van de vorige eeuw, toen vitaminen en mineralen voor het eerst werden gebruikt om deficiëntieziekten te bestrijden. In de vijftiger jaren van de vorige eeuw behandelden orthomoleculaire pioniers Abram Hoffer en Humphrey Osmond hun schizofrene patiënten met hoge doseringen niacine (vitamine B3), en ontdekten dat niacine, gecombineerd met andere medische behandelingen, het succespercentage in één jaar tijd kon verdubbelen.

In de loop der jaren werd ontdekt dat een slecht voedingspatroon, vaak gepaard gaande met consumptie van veel geraffineerde voedingsmiddelen en suiker (“lege calorieën”), kon leiden tot lichamelijke en psychiatrische aandoeningen. Het werd duidelijk dat voeding een integraal deel uitmaakt van de gezondheid. De laatste jaren neemt de wetenschappelijke onderbouwing van orthomoleculaire therapieën steeds meer toe en is er ook uit de reguliere hoek steeds vaker serieuze belangstelling voor orthomoleculaire therapieën (b.v. hoge doseringen vitamine E bij hart- en vaatziekten).

Vitaminetekort

Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee verschillende vormen van een vitaminetekort:

Avitaminose: het volkomen vitaminegebrek, zoals deze voorkomt bij scheurbuik en Engelse ziekte. Door aanvulling van de betreffende vitaminen kan de ziekte worden genezen.

Hypovitaminose: een vitaminetekort in het lichaam ondanks een voldoende toevoer ervan via de voeding. De betreffende vitaminen kunnen niet goed worden opgenomen. Door extra grote hoeveelheden van die vitaminen toe te dienen, hoopt men dat er in elk geval een deel wordt opgenomen.

Naast de slechte opname uit de voeding, stelt men tegenwoordig vast dat de hoeveelheden vitaminen en mineralen in de voeding veelal te laag zijn (TNO onderzoek, 1995). De aanbevolen dagelijkse hoeveelheden (de ADH of RDA = recommended dietary allowance), die de reguliere voedingsleer aanhoudt, zijn vaak veel lager dan de hoeveelheden geadviseerd door de voorstanders van de orthomoleculaire voedingsleer. Zo is de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor vitamine C 60 mg per dag terwijl de orthomoleculaire aanbeveling minstens 1000 mg is. De orthomoleculaire voedingsleer onderbouwt haar stellingen over de hoeveelheden voornamelijk met de biochemie, die de grote geheimen van de celstofwisseling heeft ontrafeld.

Voedingsstoffen

In de wetenschap worden voedingsstoffen onderverdeeld in zes categorieën:

* eiwit

* koolhydraten

* vet

* vitaminen

* mineralen

* water

Vergeleken met de hoeveelheden eiwit, vet en koolhydraten die de mens binnen krijgt, is de hoeveelheid vitaminen en mineralen heel gering, maar een tekort van één vitamine of mineraal kan de gezondheid al aantasten.

Vitaminen en mineralen vormen onder meer een belangrijk onderdeel van enzymsystemen. De enzymsystemen reguleren de spijsvertering en zijn mede verantwoordelijk voor de chemische reacties binnen de lichaamscellen. Het zijn dus activerende stoffen.

Enzymen bestaan meestal uit lichaamseiwit – dat gewoonlijk in het lichaam aanwezig is – en een zogenaamd co-enzym – meestal een vitamine of een mineraal dat via de voeding wordt verkregen. Bij een gebrek aan co-enzymen kunnen bepaalde chemische reacties in de cel niet verlopen, waardoor stofwisselingsziekten zoals ouderdomsdiabetes, reuma of kanker, maar ook hart- en vaatziekten kunnen ontstaan.

Bovendien treedt er een snellere veroudering van de cellen op, omdat door het gebrek aan co-enzymen defecte celstructuren niet kunnen worden vervangen.

Gezondheidsbevordering in de natuurgeneeswijze betekent dan ook het ondersteunen en reguleren van de stofwisselingsprocessen van het lichaam.

Vitaminen, mineralen en sporenelementen zijn dus essentieel om het leven in stand te houden. Ze zijn noodzakelijk voor het normaal functioneren van het lichaam. Niet alle vitaminen kunnen door het lichaam zelf worden aangemaakt, vitamine C is hiervan een bekend voorbeeld. Wel kunnen de meeste vitaminen en mineralen goed door het lichaam worden opgenomen. Voor een voldoende opname van vitaminen en mineralen is men afhankelijk van de dagelijkse voeding. Dit benadrukt des te meer het belang van supplementeren. Niet alleen bij zieke mensen, maar ook bij gezonde mensen.

Vitaminen

Vitaminen werken met elkaar samen en komen vaak samen in voedingsmiddelen voor. Veelal wordt gesproken over vitamine-complexen, omdat er in de loop der tijd meerdere op elkaar gelijkende stoffen zijn gevonden. Zo is er bijvoorbeeld een groep van 14 stoffen bekend, die allemaal op retinol oftewel vitamine A lijken en elkaar in hun werking ondersteunen. Vitamine C werkt samen met de bioflavonoïden en de B-vitaminen worden eveneens dikwijls gezamenlijk aangeboden. Toch volstaat men met de naam vitamine A of vitamine C.

Als hoeveelheid gebruikt men bij de vitaminen doorgaans gewichtseenheden zoals microgram (µg), milligram (mg) en gram (g). Voor de in vet oplosbare vitaminen gebruikt men ook wel ‘internationale eenheden’ (IE of IU voor international units). De internationale eenheden zijn op grond van de biologische werkzaamheid van de vitaminen vastgesteld.

Vitaminen worden in de regel via de voeding opgenomen. Sommige kunnen ook door bacteriën in de dikke darm worden aangemaakt, zoals vitamine K en een aantal B-vitaminen.

Vitaminen zijn veilig en niet of nauwelijks toxisch. Alleen sommige in vet oplosbare vitaminen kunnen zich ophopen (cumulatie) in het lichaam, de hypervitaminose, waardoor ze stoornissen kunnen veroorzaken.

Na het staken van de toediening zullen deze symptomen weer verdwijnen. Het gevaar van een tekort is groter, dan de dreiging van een ‘overdosis’.

Er bestaan ook zogenaamde provitaminen. Dit zijn de nog onwerkzame voorstadia van de werkzame vitaminen. Door een chemische of fysische inwerking worden deze provitaminen tot werkzame vitaminen omgezet.

Een tweetal voorbeelden: bètacaroteen is een provitamine A. In de lever wordt het enzymatisch omgezet in vitamine A.

Ergosterol is een provitamine D2. De omzetting vindt in de huid plaats onder invloed van UV-licht tot vitamine D2.

Mineralen

Mineralen zijn enkelvoudige chemische elementen, die net als de vitaminen een belangrijke rol in de stofwisseling (metabolisme) spelen. De functies van de diverse mineralen in het lichaam lopen uiteen: ze zijn betrokken bij de samenstelling van het lichaamsvocht, de voortgeleiding van zenuwimpulsen, de spiercontracties en bij vele chemische reacties als onderdeel van de enzymen. Verder dienen een aantal mineralen als bouwstoffen voor het bottenstelsel.

Het lichaam bestaat voor zo’n 5% uit mineralen. Ze komen voor in oplossing als ion of zijn gebonden als een zout. Zeer kleine hoeveelheden mineralen, die in het lichaam voorkomen noemt men de sporenelementen. Sporenelementen, die teveel in ons lichaam voorkomen, kunnen schadelijk zijn (aluminium, arseen, nikkel en zware metalen als cadmium, lood en kwik).

Mineralen, die in relatief grote hoeveelheden in het lichaam voorkomen zijn: calcium, magnesium, fosfor, natrium en kalium. De elementen jood, chloor, fluor en broom gaan werkzame verbindingen met mineralen aan.

Minerale zouten komen in de natuur veelvuldig voor, zoals bijvoorbeeld calciumcarbonaat. Dit is echter een zogenaamde anorganische verbinding, die moeilijker in het maag-darmkanaal wordt opgenomen dan een organische verbinding, zoals calciumorotaat. Maar calcium kan ook aan eiwit worden gebonden voor een goede resorptie. In voedingssupplementen komen mineralen in diverse vormen voor. Voor een ‘leek’ is het des te moeilijker het goedkope calciumcarbonaat, dat minder goed wordt opgenomen, te onderscheiden van het kostbare calciumorotaat (aanwezig in o.a. Osteonyl).

In het lichaam komen de mineralen in een bepaalde verhouding voor. Er bestaat een evenwicht. Een tekort van de één kan tot een tekort van de ander leiden. Calcium bijvoorbeeld verlaagt de concentratie magnesium en zink; zink verlaagt ijzer, etc. De onderlinge wisselwerking is bij mineralen kritischer dan bij de vitaminen.

Aminozuren

Aminozuren zijn belangrijke bouwstoffen van eiwitten, maar kunnen ook afzonderlijk als zelfstandige eenheden functioneren. Er zijn 22 aminozuren bekend. Acht daarvan kunnen niet door het lichaam worden aangemaakt en zijn dus essentieel. Aminozuren zijn belangrijk voor de opname van mineralen. In de natuur zijn mineralen vaak gekoppeld aan aminozuren, ook wel een chelaat genoemd. Gecheleerde mineralen worden goed opgenomen door de darmen en komen daardoor veel in voedingssupplementen voor (bijvoorbeeld Multi Vital-Forte).

Aminozuren hebben tal van functies in het lichaam. Eén van de belangrijkste functies van een aminozuur is die van neurotransmitter: deel van een stof, die nodig is bij de chemische prikkeloverdracht in het zenuwstelsel. Zo is tryptofaan (L-Tryptofaan) belangrijk bij depressies, slaapstoornissen en migraine. Andere aminozuren zijn weer betrokken bij de ontgifting van het lichaam, zoals glutathion, dat tegen de vrije radicalen optreedt. Het aminozuur carnitine (L-Carnitine) transporteert essentiële vetzuren door de celmembraan, zodat de vetzuren in de cel kunnen worden verbrand. Het wordt vooral in de spieren en het hart teruggevonden.

Juist omdat er in het lichaam ook tekorten aan de aminozuren kunnen ontstaan, zijn deze ook in diverse voedingssupplementen verwerkt. De kwaliteit van de voedingssupplementen is afhankelijk van de zuiverheid van de aminozuren.

Ter voorkoming van aminozuren competitie en voor een optimaal effect, dienen deze op een lege maag te worden ingenomen met vruchtensap of water (géén melk!). Dat wil zeggen een half uur vóór de maaltijd of twee uur na de maaltijd.

Vrije radicalen

In het lichaam vinden verbrandingsprocessen plaats, waarbij zuurstof essentieel is. In en buiten de cel vinden met behulp van zuurstof oxidatieprocessen plaats, ondermeer voor de energievoorziening. Bij deze verbrandingsprocessen worden onvermijdelijk vrije radicalen gevormd. Dit zijn zeer kleine chemische deeltjes, die mogelijke schade in het lichaam kunnen aanrichten; van irritatie van de vaatwanden tot ernstige degeneratieve ziekten.

Het oxidatieproces is gelijk aan het verouderingsproces van het lichaam (degeneratie). Er ontstaat immers een kettingreactie van vrije radicalen. Deze vrije radicalen ontstaan echter niet alleen tijdens de energiestofwisseling, maar ook bij immunologische reacties, ontgiftingsreacties en andere organische processen. Het zuurstofradicaal is één van de vele soorten vrije radicalen.

Van de normale zuurstof die wij opnemen is 2-3% radicaal, sommige deskundigen zeggen zelfs 5%. Bij metalen veroorzaakt zuurstof het roesten (oxideren). Door indicatie van stoffen, die de vrije radicalen bestrijden, de zogenaamde antioxidanten, gaat men het verouderingsproces tegen, zodat de gezondheid en de levensverwachting kunnen worden verbeterd. Antioxidanten zoals de vitaminen C en E worden zowel preventief als ter behandeling (curatief) ingezet. Antioxidanten zijn in vele preparaten vertegenwoordigd (o.a. Multi Vital-Forte, Vitamine E 500, Vitamine C-1000, Osteonyl). Daarnaast zijn er specialistische preparaten verkrijgbaar, die uitsluitend hoog gedoseerde antioxidanten bevatten (Santioxan).

Bonusan orthomoleculaire specialité’s

Inmiddels omvat het Bonusan assortiment een breed scala orthomoleculaire specialités: het merendeel daarvan is met name bedoeld om voorgeschreven, dan wel geadviseerd te worden door de orthomoleculaire arts of therapeut. De preparaten vereisen een deskundig advies, hetgeen wij zoveel mogelijk met dit vademecum willen ondersteunen. Daarbij dient echter in acht te worden genomen dat de aangeboden informatie onmogelijk geheel compleet kan zijn.

De orthomoleculaire specialités van Bonusan kenmerken zich onder meer door:

* hoogwaardige (natuurlijke) ingrediënten met een hoge biologische beschikbaarheid;

* samenstellingen met een hoge synergistische of complementerende werking;

* waar nodig, hoog gedoseerde bestanddelen;

* met als voornaamste eigenschap een hoge mate van werkzaamheid.

Hypo-allergeen

Bij de samenstelling van de orthomoleculaire specialités is maximaal rekening gehouden met mogelijke allergene reacties van bepaalde bestanddelen. Om deze reden bevatten vrijwel alle producten geen: maïs, soja, gist, gluten, lactose, saccharose, gelatine, dierlijke substanties, conserveermiddelen, synthetische kleur-, geur- en smaakstoffen.

ADH

In tegenstelling tot de opvattingen van de reguliere voedingsleer, schrijft de orthomoleculaire geneeswijze veelal hoge doseringen voor ter verkrijging van een therapeutisch effect. Om enig inzicht te krijgen op de kwantitatieve samenstelling, wordt voor een aantal stoffen de zogenaamde ADH (= de dagelijks aanbevolen hoeveelheid) gehanteerd. U vindt deze op het etiket vermeld van elk product waar vitaminen in verwerkt zitten. Het vermelden van de ADH’s op het etiket of de verpakking is overigens wettelijk verplicht.

Weergave hoeveelheden

In vergelijking met het voorgaande vademecum is gekozen voor een uniforme notatiemethode voor de ingrediënten. We kiezen daarbij voor het weergeven van de daadwerkelijke hoeveelheden vitaminen en elementair mineraal. Als op het etiket van een formule bijvoorbeeld staat: “Vitamine B6 (als pyridoxine HCl) 25 mg” dan bevat de formule eigenlijk 30,5 mg pyridoxine HCl. We declareren echter maar 25 mg, omdat vitamine B6 maar 82% van pyridoxine HCl uitmaakt, de resterende 18% is de HCl. Eenzelfde soort verhaal gaat op voor vitamine B1, vitamine C, vitamine E en alle mineralen. Bij het vergelijken met etiketinformatie uit vorige vademecums kan het er daardoor soms (onterecht) op lijken dat de samenstelling is aangepast.

Synergisme

Bij de absorptie en de stofwisseling van voedingsstoffen werken vaak veel andere (voedings)-stoffen synergistisch. In een aantal orthomoleculaire specialités zijn een aantal belangrijkste cofactoren (voorzover niet aanwezig in Multi Vital-Forte) toegevoegd. Niettemin is de beste manier om in die cofactoren te voorzien een goed, breed multipreparaat bovenop een goede basisvoeding. Om daarom een optimale werking van de orthomoleculaire specialités te waarborgen, wordt geadviseerd dagelijks naast een goede basisvoeding een basissuppletie van Multi Vital-Forte en vitamine C voor te schrijven.

Interacties

Orthomoleculaire specialités kunnen, net als alle andere natuurlijke geneesmiddelen, interacteren met reguliere geneesmiddelen, maar ook met fytotherapeutica of bijvoorbeeld gemmotherapeutica. In dergelijke gevallen is het raadzaam te overleggen met een apotheker.

Zwangerschap en lactatieperiode

Tijdens zwangerschap en/of lactatieperiode is het raadzaam voorzichtig te zijn met het gebruik van natuurlijke specialité’s. Niettemin is het gebruik van bepaalde nutriënten tijdens de zwangerschapsvoorbereiding, zwangerschapsperiode en/of lactatieperiode juist erg aan te raden (zie indicatielijst). Bij die orthomoleculaire specialités waarvoor het gebruik tijdens de zwangerschap of lactatieperiode gecontraïndiceerd is, is dat ook aangegeven.

Alie Wouda vd Tuin
Vreedepeelweg 4
5986 NW Beringe
 
06-41979844
 
 

Statines, fibraten of omega-3 vetzuren bij te hoog cholesterol

Regelmatig eten van vis en noten zijn goed voor hart en bloedvaten,
(het immuunsysteem en de hersenen).
Fibraten zijn reguliere cholesterol verlagers; LDL (slechte) daalt en HDL stijgt. Maar hebben ook bijwerkingen;
spierpijnen,
erectiestoornissen,
lever en galstoornissen en
ze verhogen de homocysteine spiegels.
Homocysteine zorgt weer voor verhoging voor hart en vaatziekten.

Statines verlagen de mortaliteit bij hart patiënten maar hebben ook bijwerkingen;
spierafbraak,
leverstoornissen,
slaap en geheugen stoornissen   of
erectiestoornissen en
remmen de aanmaak van cholesterol.
Cholesterol is een belangrijk onderdeel van de celwanden van al onze cellen, ze maken de celwand

0001Tu

soepeler, maar vooral in spiercellen en zenuwcellen.  Statines zorgen dus voor starre celwanden, dus zwakte en krachtsverlies, geheugenproblemen en zenuwpijnen. Maw ouderdomskwaaltjes. Sporten verergert dit dus alleen maar.

Omega 3 vetzuren zijn goed voor hart en bloedvaten (DHA EPA) , kun je hypertriglyceridemie mee behandelen, komen het beste uit het onderzoek heeft geen bijwerkingen hebben eerder een meer voedend effect op vooral de cellen.
Samenvatting van een artikel van pubmed: en andere artikelen 

Gevaar van meeroken

Waarom is roken een probleem voor niet-rokers?

 

Afbeelding

V: Waarom is roken een probleem voor niet-rokers?

A: Er zijn ongeveer 4000 bekende chemicaliën in tabaksrook, minstens 250 van hen bekend is schadelijk en meer dan 50 is bekend dat kanker bij mensen. Tabaksrook in afgesloten ruimten wordt ingeademd door iedereen, het blootstellen van rokers en niet-rokers zowel om de schadelijke gevolgen.

Ongeveer 700 miljoen kinderen, bijna de helft van de totale wereldbevolking, ademen lucht vervuild door tabaksrook. Meer dan 40% van de kinderen ten minste een ouder roken. In 2004, kinderen goed voor 31% van de 600 000 vroegtijdige sterfgevallen toe te schrijven aan passief roken.

Bij volwassenen, meeroken veroorzaakt ernstige cardiovasculaire en respiratoire ziekten, waaronder hart-en vaatziekten en longkanker. Bij zuigelingen, veroorzaakt het plotselinge dood syndroom. Bij zwangere vrouwen, het veroorzaakt een laag geboortegewicht.

Geen ventilatie noch filtratie, zelfs in combinatie, kan verminderen tabaksrook blootstelling binnenshuis tot een niveau dat aanvaardbaar worden geacht. Alleen 100% rookvrije omgeving biedt effectieve bescherming. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, zijn een rookvrije omgeving breed gesteund door zowel rokers als niet-rokers.

Het hebben van een rookvrije omgeving vaak bespaart geld voor bars en restaurant eigenaren, waardoor de risico’s van brand en bijgevolg hun verzekeringskosten. Het resulteert vaak in een lagere renovatie, schoonmaak-en onderhoudskosten, ook.

Artikel 8 van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, erkent dat blootstelling aan tabaksrook veroorzaakt dood, ziekte en invaliditeit, en vraagt ​​landen om vast te stellen en uitvoeren van wetgeving die bescherming tegen passief roken biedt.

Veel landen over de hele wereld hebben al wetten ingevoerd om mensen te beschermen tegen blootstelling aan tabaksrook in openbare plaatsen. Vieringen over de hele wereld op World No Tobacco Day (31 mei) om meer mensen en meer landen om een ​​rookvrije gaan.

Doe mee aan de trend door te beweren uw recht op openbare plaatsen die zijn 100% rookvrij binnen.

Micro-organismen…Diabetes…overgewicht

Niet helemaal in goed Nederland’s vertaald, maar evengoed heeft AW de moeite voor u  gedaan om het enigszins begrijpelijk te vertalen.

Meer dan enkele honderden miljoenen mensen zullen  als uitings vorm diabetes hebben en obesitas zijn in de komende decennia, terwijl de werkelijke therapeutische benaderingen gericht op het behandelen van de gevolgen in plaats van de oorzaken  te achterhalen door de  stofwisseling te verminderen. Deze strategie is niet efficiënt en nieuwe paradigma’s moeten worden gevonden. De brede analyse van het genoom kan niet voorspellen of verklaren 10-20% van de ziektemeer dan , terwijl veranderingen in de voeding en sociaal gedrag hebben zeker een grote impact. Echter, de moleculaire mechanismen die omgevingsfactoren en genetische gevoeligheid waren tot nu toe niet voor ogen tot aan de recente ontdekking van een verborgen bron van genomische diversiteit, dat wil zeggen, de metagenoom. Meer dan 3 miljoen genen van enkele honderden soorten vormen onze intestinale microbioom. Eerste toets experimenten hebben aangetoond dat dit biome uit zichzelf stofwisselingsziekte brengen. De mechanismen zijn onbekend maar kunnen worden betrokken in de modulatie van energie vangstcapaciteit door de gastheer en de laagwaardige ontsteking en de overeenkomstige immuunrespons op vetweefsel plasticiteit, hepatische insulineresistentie en zelfs de secundaire cardiovasculaire gebeurtenissen. Uitgescheiden bacteriële factoren bij de circulerende bloed, en zelfs volledige bacteriën uit darmflora kan bereiken weefsels waar ontstekingen wordt geactiveerd. De laatste 5 jaar hebben aangetoond dat darmflora, op zijn moleculair niveau een oorzakelijke factor in de vroege ontwikkeling van de ziekten. Toch veel meer behoefte worden blootgelegd om eerste, nieuwe voorspellende biomarkers te identificeren, zodat preventieve strategieën op basis van pre-en probiotica, en ten tweede, nieuwe therapeutische strategieën tegen de oorzaak in plaats van het gevolg van hyperglycemie en gewichtstoename.

introductie
Metabole ziekten zoals diabetes en obesitas worden een sociaal probleem van het grootste belang voor alle landen. Hun impact op ontwikkelingslanden zoals Zuid-Azië is nog dramatischer omdat, naast wordt beïnvloed door de hoogste groeiende percentage, het sociale systeem kan zeker niet veroorloven de bijbehorende kosten. Daarom wordt de ziekte slecht behandeld en pathologische complicaties staan ​​in bloei. Inderdaad een belangrijk resultaat gekoppeld aan het voorkomen van metabole ziekten is de snelle toename van cardiovasculaire gebeurtenissen die leiden tot de dood [1]. In de afgelopen tien jaar is diabetes de oorzaak geweest van dodelijke cardiovasculaire gebeurtenissen die zijn gevorderd de meeste, aangezien een stijging met 62% is gekwantificeerd [2, 3]. De progressie is veel hoger dan het risico toegewezen aan cholesterol of hypertensie. Derhalve in westerse landen, waar stofwisselingsziekten worden geïnstalleerd, en in Oosten, waar diabetes en obesitas sterk in opkomst is er een dringende behoefte om eerst risicofactoren van diabetes en obesitas en tweede nieuwe therapeutische targets te identificeren. Bijgevolg preventieve strategieën, waarschijnlijk op basis van een verandering in eetgewoonten of het gebruik van voedsel vormt een aanvulling op prebiotische en probiotische, massaal zou kunnen worden gelanceerd. Ten tweede is therapeutische behandelingen die gericht zijn op behandeling van de oorzaak niet het gevolg van een verhoogde lichaamsgewicht of glycemie nodig. Om dit doel is een nieuw paradigma van metabole problemen nu in opkomst, wat resulteert in de herziening van de onderliggende oorzakelijke factoren.

Diabetes en obesitas het gevolg zijn van genetische en omgevingsfactoren. Geschat wordt dat puntmutaties voor minder dan 10% van de totale fenotype. De lage impact van genetica op metabole ziekten wordt nog versterkt door de toenemende incidentie van diabetes en obesitas in de afgelopen decennia. De incidentie van type 2 diabetes bereikt 4-5% in Europa, 8-10% in de VS en meer in Zuid-Azië [4]. Deze aantallen zijn meer dan verdubbeld in de afgelopen 20 jaar. Derhalve kan suggereren dat zelfs als genetische analyses de basis voor deze epidemie veranderingen in ons genoom niet alleen verantwoordelijk [5]. Talrijke andere hypothesen zijn voorgesteld. Ten eerste, epigenetische niet-gecodeerde factoren genereren van een nieuwe veelbelovende tijdperk van hypothesen die zou moeten worden bestudeerd en dat niet afhankelijk zou zijn van genomische spelers. Ten tweede, realistischer is de impact van een verandering in de eetgewoonten en het sociale gedrag dat zijn zeker belangrijke oorzaken van de toenemende incidentie van metabole ziekten. Echter, beide factoren immers niet uit algemene epidemie. Gekoppeld aan de milieu-hypothese, hebben recente bewijzen bracht de metagenoom hypothese. De laatste wordt gedefinieerd als de totale bacteriële genoom, terwijl de expressie van het overeenkomstige gen vertegenwoordigt de metatranscriptome. Deze prokaryote genoom, naast onze eukaryotische een, ontstaan ​​door recente ontwikkelingen van high throughput sequencing technologieën voor miljoenen verkrijgen leest gedurende een korte tijd en vermeden dat laboratorium kweek van darmbacteriën [6], zelfs als een recent studie lijkt dit concept achterwaarts [7]. De recente ontwikkelingen in de DNA-sequencing technologie hebben toegelaten dat de verzameling van hoog-dimensionale data van menselijk-geassocieerde microbiële gemeenschappen op een ongekende schaal [8]. Daarnaast zijn enorme inspanningen geleverd in bioinformatische analyse waardoor het coderen en het decoderen van alle sequenties. Mensen gastheer verschillende metagenomes van meerdere locaties zoals huid, longen, vagina, mond, zelfs als de gastheer de darm [9, 10]. In feite is de menselijke darm 100000000000000 gastheer micro-organismen omvat tot duizenden soorten in een gemiddelde concentratie van 1014 per ml en een gewicht gemiddeld 1,5 kg [11]. Het belang van deze metagenoom ligt in haar genen repertoire, 100 keer beter dan onze eukaryote nucleaire genoom [12], die dus een grote genetische diversiteit gevoelig voor een enorme hoeveelheid functies over te brengen.

Een belangrijk concept is dat alle zoogdieren zijn steriel geboren, zonder enige flora. Na de eerste uren, dagen en weken van de moeder en de milieu-flora gekoloniseerd het gehele lichaam van de nieuwe geboren in een bepaalde volgorde [13]. De initiële kind darmflora is een eenvoudige structuur gewoonlijk beheerst door Bifidobacteria, en door een reeks opeenvolgingen en vervangingen, verschuift een complexer patroon volwassene [14-16]. De microbiota ondergaat ook inhoudelijke veranderingen in de uitersten van het leven, bij zuigelingen en oudere mensen, de gevolgen van die nog steeds worden onderzocht [17]. Echter, de volwassen intestinale microbiota is aangetoond dat relatief stabiel zijn over de tijd [18] en voldoende gelijkenis tussen individuen van de identificatie van een kern Microbiome bestaande uit 66 dominante operationele taxonomische eenheden (Otus) die overeenkomt met 38% van de volgorde leest van 17 personen [19]. Uiteindelijk, tot de kern microbiota veranderingen worden onderscheiden bij oudere patiënten van die waargenomen voor jongere volwassenen, met een groter deel van Bacteroides spp. en onderscheiden overvloed patronen van Clostridium groepen. Ecologische regels gelden voor de vorm van de microbiële diversiteit gedurende het hele leven. Dit suggereert dat elk lid kan deelnemen aan een perfect mutualistische symbiose met elkaar en definieert een constante microbiota [9, 10, 20]. Echter, voordat een ideale microbiële ecologie de microben interactie met de host. De interactie van epitheelcellen met bacteriën en componenten vrijgegeven door microben, met inbegrip van de metabolieten, is een belangrijke mediator van de overspraak tussen epitheel en andere celtypen [21]. De uitwisseling tussen bacteriën en epithelium kunnen verschillen in de dunne en dikke darm door anatomische verschillen en de mate waarin de uitgescheiden slijm bedekt de epitheel. Een belangrijk kenmerk is dat de mucosa is vrij van bacteriën, echter dit niet uit dat bacteriële deeltjes kan diffunderen in de mucosa aan receptoren binden aan het oppervlak van epitheliale darmcellen [22]. Deze bacterie om interactie gastheer helpt rijp worden de intestinale epitheliale laag, de mucosale aangeboren immuunsysteem, het enterale zenuwstelsel, evenals de darm vasculaire systeem [21]. Vandaar darmflora heeft een sterke invloed op de beheersing van de talrijke belangrijke fysiologische functies. Of de eerste jaren van het leven van invloed kan zijn volwassen fysiologische functies wordt vermoed. Een interessante kanttekening is dat de moderne normen van hygiëne [23] en / of de overstap van borstvoeding naar zuigfles kan transmissiemechanismen [13, 24] hebben veranderd. Vergelijkbare hypothesen zou kunnen worden opgetrokken ten aanzien van premature neonaten [25]. Al met al is het denkbaar dat de vroege intestinaal kolonisatie bij de geboorte invloed kan het optreden van metabole ziekten [26]. Recente cijfers dat de Bifido bacteriële telling in fecale monsters tijdens de kinderschoenen staat als, beoordeeld door FISH met flowcytometrie, was hoger bij kinderen nog een normaal gewicht over een 7-jaar follow-up studie [26]. Omgekeerd werd de microbiota dwaling bij zuigelingen in kinderen aan overgewicht geassocieerd met een groter aantal Staphylococcus aureus.

Eenmaal volwassen microbiota gevestigd, kon actoren zoals antibiotica, prebiotica en probiotica moduleren zijn ecologische architectuur. Echter, hoewel sommige plasticiteit bestaat, deze effecten zijn altijd omkeerbaar, wat suggereert dat een strakke host-naar-microbiota relatie is vastgesteld tijdens de neonatale leven waar de gastheer geeft vorm aan de microbiota en vice versa [27]. De overeenkomstige mechanismen kan worden gekoppeld aan de rijping van het immuunsysteem [28] waarbij sommige bacteriële species zoals gesegmenteerde filamenteuze bacteriën grotendeels kunnen de gecoördineerde rijping van T-cellen, waarvan de reacties worden geïnduceerd door de gehele microbiota induceren. Het aangeboren immuunsysteem, als een eerste lijn van verdediging, houdt steriel de intestinale mucosale laag door de fagocytose van binnendringende ziekteverwekkende bacteriën. Secundair, zal B-lymfocyten scheiden IgA in de mucosa die specifiek zullen worden gericht tegen invasieve pathogenen [29 tot 31]. Uiteindelijk zal de synthese van darmepitheelcellen van lectine voorzien strooisel voor commensale bacteriën mucosale en de secretie van defensine regelen. De wijze waarop deze twee, natuurlijke antibiotica uitgescheiden door de Paneth cellen, selecteert sommige bacteriële geslachten en soorten die zullen blijven dicht bij het darmslijmvlies.

Rekening houdend met alle bovenstaande opties, blijft het bepalen van de belangrijkste factoren die verantwoordelijk zijn voor de epidemie van metabole ziekten die snel ontgroeien. Onlangs heeft darmflora ecologie aangetoond metabole ziekten zoals obesitas zelf [32] en diabetes vorm [33]. High throughput sequencing analyses toonden een verandering in enkele grote phyla die in deze beoordeling worden beschreven volgens het fenotype. Bij mensen, een grote vraag blijft of darmflora het gevolg of de oorzaak van de waargenomen fenotype. Hoewel studies met kiemvrije muizen aangetoond dat de causale rol van intestinale microbiota bij het ontstaan ​​van metabole stoornissen, blijft het nog steeds aan te tonen of de genetische achtergrond kan de ontwikkeling van een specifieke microbiota beïnvloeden.

Dat het dieet kan een belangrijke regulator factor in het vormgeven van darmflora en daarmee de relatie met gastheer stofwisseling, logisch kan worden aangenomen, gezien de belangrijke rol van de darmflora in de spijsvertering [34]. In feite is een vergelijkende studie van verschillende voedingsgewoonten, zoals herbivoor, omnivoor en carnivoor aangetoond dat het verwerven van een nieuw dieet is voldoende om radicaal te wijzigen darmflora, als een evolutionaire oorzaak van nieuwe soorten [35]. In feite, zowel gastheer dieet en fylogenie vorm bacteriële variëteit, die toeneemt van vlees naar herbivoor naar omnivoor. Bovendien een moderne levensstijl verschuift darmflora van mensen dichter bij die van omnivore primaten [35]. Daarom is het vanzelfsprekend dat onze darmflora voedt zich met het soort voedsel dat wordt geabsorbeerd door het veranderen van de ecologische structuur. Elke individuele bacterie leeft in mutualistische ecologie met de anderen. Daarom kan een overmaat of een gebrek aan nutriënten veranderen de metabolische activiteit van een bepaalde bacterie, die niet meer of uiterst producten zoals een metaboliet essentieel of schadelijk voor de naburige bacteriën. De belangrijkste voorbeeld is zuurstof die wordt gebruikt door de aeroben van het bovenste maag-darmkanaal het induceren van een diepe anaërobe toestand in de distale darm waardoor dus strikt anaëroben om te overleven. Het gebruik van prebiotica zoals niet-verteerbare polysacchariden dieet als substraten voor genera zoals Bifidobacterium zullen bevorderen de groei en het anti-inflammatoire functie [36]. Ook een vet-verrijkt dieet, die op grote schaal wordt gebruikt om metabole ziekten veroorzaken, van grote invloed op de ontwikkeling van diabetes en obesitas.

De moleculaire mechanismen waarmee een bepaalde darmflora induceert metabole ziekten zal worden besproken in deze review. Kort ze zijn gekoppeld aan een verhoogde energie oogsten en het ontstaan ​​van de low-grade inflammatoire status karakteriseren insulineresistentie en obesitas [37, 38]. De bacteriële moleculen die verantwoordelijk zijn voor de activering van stellingen fysiologische functies nu ontdekt. Dit zal zeker leiden tot de identificatie van nieuwe therapeutische strategieën voor de behandeling, maar ook voor het voorkomen van metabole ziekten. Een tweede uitkomst zal de identificatie van biomarkers in staat om de ontwikkeling van diabetes en overgewicht in de afwezigheid van een risicofactor te voorspellen zijn. Dit wordt voorzien aangezien darmflora causaal is voor de ontwikkeling van metabole ziekten.

Al met al, de nieuwe “microbiota aan paradigma host” voor de controle van metabole ziekten is veelbelovend. Het gaat om transversale gebied van onderzoek, zoals microbiologie, immunologie, metabolisme, en bio-informatica. Deelnemen aan de verschillende stukjes van de puzzel moet leiden tot innovatieve preventieve en therapeutische strategieën die farmacologische, prebiotische en probiotische ontwikkelingen en synbiotische aanpak [39] te betrekken.

Veranderingen in microbiota tijdens metabole ziekten
In de afgelopen ~ 160 miljoen jaar, hebben zoogdieren samen geëvolueerd met een grote en diverse microbiële gemeenschap die onze huid en mucosale oppervlakken koloniseert. De meeste van deze organismen bevinden in ons maagdarmkanaal en aanleiding geeft wordt bepaald door gastheer fylogenie en dieet [40, 41]. Aangezien 0,3% van eukaryotische genoom is gemodificeerd 1 miljoen jaar kan worden berekend dat 50-55% van ons genoom geëvolueerd in een strakke relatie met de microbiële gemeenschap die sterke genetische afhankelijkheid. Naast deze zeer lange termijn genetische evolutie, de afgelopen tien jaar, is een belangrijke constatering is dat metabole ziekten gaan gepaard met een verandering in de darmflora samenstelling bij dieren en mensen [32, 42, 43]. De ontwikkeling van high-throughput sequencing technologieën, zoals pyrosequencing, heeft het mogelijk gemaakt de analyse van de uitwerpselen van patiënten met obesitas tijdens gewichtsverlies. Kortom, deze technologie sequenties miljoenen 16S rRNA genfragmenten per run. Het 16S rRNA uit 9 hyper-variabele gebieden (V1-V9) [44, 45] is de doelstelling voor de amplificatie gebaseerde sequencing vertegenwoordigen. De mate van diversiteit of homologie is evenredig met de genetische afstand wordt uitgezet op een fylogenetische boom. Vandaar dat deze kenmerken leiden tot de identificatie van bacteriële Phyla, klassen, orden, families, geslachten en soorten in vergelijking met een naïeve data basis [46]. Hoe langer de sequentie des te nauwkeuriger wordt de analyse. Het gebruik van merktekens verschillende monsters te identificeren kan de analyse van meerdere monsters tegelijkertijd, waardoor dus de invloed van sequentie verschillen in effectiviteit. Echter, deze strategie vermindert ook de diepte van de analyse door het aantal leesbewerkingen per monster. De volgorde leest zijn toegewezen aan de NCBI niet-overtollige, Clusters van orthologe groepen (COG) [47] of Kyoto Encyclopedia of genen en genomen (KEGG) [48] databases. Totaal in het algemeen wordt, zijn de gemiddelde resultaten van alle datasets gerapporteerd als volgt: 94% van de labels die aan de niet-redundante databank werden bacteriële, eukaryote waren 3,6% (0,29% Mus musculus, 0,36% schimmel) 1,5% waren Archaea (1,4% Euryarcheota; 0,07% Crenarcheota), en 0,61% waren virale (0,57% dubbel-strengs DNA-virussen) [49]. Eerste analyses met deze techniek zijn uitgevoerd op obese patiënten tot gedurende 1 jaar beperking calorieën diëten gevolgd om hun lichaamsgewicht te verminderen. Gordon groep aanvankelijk aangetoond dat de obese patiënten gekenmerkt worden door veranderingen in de relatieve hoeveelheden van de twee dominante bacteriële divisies de Bacteroidetes en firmicutes [32, 50]. Zij toonden een verminderde Bacteriodetes / firmicutes verhouding bij obese patiënten die in de richting van die van magere patiënten geëvolueerd tijdens gewichtsverlies. Aldus wordt geassocieerd met obesitas phylum niveau veranderingen in de microbiota en verminderde bacteriële diversiteit [32, 43, 51]. Daarom werd een verandering in darmflora gekoppeld aan de obese fenotype. Twee hypothesen kan worden verhoogd op basis van deze resultaten. Het obees fenotype zou zijn ondergeschikt aan de microbiota of het tegenovergestelde. Om deze vraag te beantwoorden, hebben de fecale microbiële gemeenschappen van volwassen vrouwelijke eeneiige en twee-eiige tweelingen concordant voor magerheid of obesitas, en hun moeders onderzocht [51]. De resultaten tonen aan dat de menselijke darm microbioom wordt gedeeld door familieleden, maar dat elke persoon darm microbiële gemeenschap varieert in de specifieke bacteriële geslachten aanwezig zijn, met een vergelijkbare mate van co-variatie tussen volwassen eeneiige en twee-eiige tweelingen [51]. Deze resultaten demonstreren dat een diversiteit van organismale assemblages kan echter een kern microbiome op genniveau en afwijkingen van deze kern zijn geassocieerd met verschillende fysiologische toestanden, bijvoorbeeld obese versus lean geven.

Opmerkelijk is dat deze technologie snel ontwikkelt en dat nieuwe generaties sequencing met verschillende bioinformatica analyses waardoor een nog snellere analyse van de microbiome. Deze technieken gebruikt Illumina GAIIx platform sequentie een uiteenlopende reeks van monsters op een diepte van enkele miljoenen middeling leest per sample die continu toeneemt [52]. De gegevens tonen een uitstekende consistentie in taxonomische diversiteit heroveren herstel en patronen die voorheen werden gerapporteerd op basis van meta-analyse van vele studies uit de literatuur. Het gebruik van deze techniek heeft het bestaan ​​van de hierboven gerapporteerde kern microbioom [51].

Recente gegevens gekenmerkt intestinale microbiota in type 2 diabetes patiënten. De auteurs beschreven dat het aandeel phylum firmicutes en klasse Clostridia aanzienlijk werden verlaagd bij diabetici in vergelijking met de controlegroep [33]. Bovendien de verhoudingen van Bacteroidetes te firmicutes en de verhoudingen van Bacteroides-Prevotella groep C. coccoides-E. rectale groep positief en significant gecorreleerd met plasma glucose concentratie, maar niet met een BMI. Daarom kan bacteriële sequenties, specifiek voor type 2 diabetes dan obesitas, geacht handtekeningen van hyperglycemische syndroom.

Oudere gerapporteerde gegevens veranderingen in de darmflora in verband met verschillende metabole fenotypes. Dertig jaar geleden werd waargenomen tijdens de maag-bypass operatie, een chirurgische methode nu op grote schaal uitgevoerd om diabetes en morbide obesitas te behandelen [53], een verandering in de darmflora, zoals waargenomen door de cultuur-gebaseerde methoden [54]. Bovendien in diermodellen van obesitas veroorzaakt door hersenletsel van de ventromediale hypothalamus, een verandering van darmflora werd ook waargenomen suggereert een sterke invloed van de hersenen op de bestrijding van darmflora [55]. Op dat moment, de teelt-gebaseerde technologieën toonde veranderingen in enterocci en lactobacillen.

Het gebruik van metagenomic sequenties moeten nu helpen om nauwkeurig de rol van de hersenen betreffende de controle op microbiota. Volgens dezelfde observatie van de genetische ablatie van de leptine receptor gen in muizen herbergt een microbiota dat een aanzienlijk hoger percentage firmicutes bezit, en een dienovereenkomstig lager percentage Bacteroidetes dan hun wild-type nestgenoten [49]. Deze dataset toont aan dat leptine zeker darmflora regelt. De moleculaire relais koppelen leptine aan de microbioom zijn onbekend, maar de gegevens wijzen erop dat haar optreden zou zijn, zowel via de centrale ingang of via de inductie van obesitas. Bovendien is recent aangetoond een relatie tussen darmflora en hersenontwikkeling sinds kiemvrije muizen tonen verhoogde motorische activiteit en verminderde angst, in vergelijking met specifieke pathogeenvrije (SPF) muizen met een normale darmflora [56]. Met name de auteurs toonden aan dat de microbiële kolonisatie signaleringsmechanismen staat om neuronale circuits betrokken bij motorische controle en angst beïnvloeden control initieert.

Een andere hypothese wordt gekoppeld aan de rol van hormonen op het immuunsysteem dat uit zichzelf kan darmflora vorm zoals voor type 1 diabetes model, waarbij het immuunsysteem is aangetast en in andere gevallen en [57-59]. Inderdaad, een mogelijke uitkomst van de adaptieve co-evolutie van de mens en bacteriën is de ontwikkeling van commensale relatie [60]. Een belangrijk mechanisme omvat de secretie van antimicrobiële moleculen die behoren tot de familie of defensine leden van de familie, zoals RNAse angiogenin [58, 59]. Deze moleculen door intestinale Paneth cellen worden uitgescheiden in de darmlumen en hebben bactericide activiteit tegen intestinale microben. De expressie wordt geïnduceerd door Bacteroides thetaiotaomicron een overheersende lid van de darm microflora. Muizen verwijderd uit de overeenkomstige genen hebben verschillende microbiota, het onthullen van een mechanisme waarbij intestinale commensale bacteriën beïnvloeden darm microbiële ecologie en vorm aangeboren immuniteit [58]. Het immuunsysteem kan dan regelen de secretie van defensine en vormen de microbiële gemeenschap [61]. Daarom zou men kunnen suggereren dat in stofwisselingsziekten, de belangrijke rol van ontsteking [37, 38, 62], vooral als gevolg van een verzwakt immuunsysteem, anders zou darmflora vorm te geven.

Voeding en voedingstoestand behoren tot de belangrijkste beïnvloedbare factoren voor de menselijke gezondheid. Bovendien een verandering van eetgewoonten is waarschijnlijk de meest voorkomende factor gevoelig voor metabole ziekten veroorzaken. Vele studies hebben gemeld directe verbindingen tussen voeding en de structuur van de darm microbiome in muismodellen. Een recent voorbeeld opgemerkt dat microbioom structuur snel verschuift naar aanleiding van een verandering van een laag-vet, plantaardig dieet met een hoog-suiker, hoog-vet dieet, het wijzigen zowel de beschikbare metabole routes en actuele genexpressie [63, 64] . Bovendien is de verandering van eetgewoonten geassocieerd met een verhoogd darmpermeabiliteit aan LPS leidt tot een toestand van insulineresistentie [3, 65]. Deze laatste studie verder aangetoond dat de verandering in darmflora werd ook geassocieerd met een andere gevoeligheid voor antibiotica [65]. De hoog-vet dieet-gevoede muizen waren gevoeliger voor de behandeling met antibiotica wat suggereert dat de nieuwe microbiële ecologie dat de dieetbehandeling volgt was zeer broos. In de afgelopen decennia is het aandeel van vet in de voeding grotendeels vervangen die van voedingsvezels, waardoor dus ook de prebiotische effect van de wijze waarop deze twee. Daarom heeft darmflora, althans gedeeltelijk, veranderd in reactie op de nieuwe voeding gewoonte. Kunnen dus nieuwe antigene determinanten en risicofactoren voor immunomodulatie en het optreden van diabetes worden gerelateerd aan de verandering in microbiome. Dit sterk beïnvloed de structuur van de microbiota in een enkele dag, veranderde de vertegenwoordiging van metabole routes in de microbioom, en veranderde microbioom genexpressie. Gehumaniseerd muizen gevoed met het westerse dieet is toegenomen adipositas. Deze eigenschap is overdraagbaar via microbiota transplantatie. Opgemerkt zij dat in humane studies waar de meeste analyses gemaakt van fecale flora, de resultaten vertegenwoordigen waarschijnlijk 5-20% van de totale darmflora. Daarom talrijke bacteriesoorten moeten nog worden beschreven.

De behandeling van metabole ziekten is een uitdaging. Bariatrische chirurgie is momenteel de enige beschikbare behandeling voor morbide obesitas die consequent bereikt en in stand houdt substantieel gewichtsverlies [8, 53]. Het wordt steeds een veel gebruikt procedure, zelfs voor diabetes en obesitas patiënten met matige overgewicht. Verschillende chirurgische procedures zijn ontwikkeld in de afgelopen 50-60 jaar. De Roux-en-Y gastric bypass (RYGB) omvat het creëren van een kleine (ongeveer 15-30 ml) pouch maag van de bodem van de maag, vandaar de distale en proximale maag dunne darm zijn omzeild door aan het distale uiteinde van de mid -jejunum aan de proximale maag zakje (het creëren van de Roux ledematen) en vervolgens opnieuw bevestigen van de gal en pancreas ledematen op een specifieke locatie langs de Roux ledematen [53, 66]. Deze zeer efficiënte procedure kan de remissie van diabetes en vervolgens een belangrijke vermindering van het lichaamsgewicht. Een belangrijk gevolg is de snelle verandering in enteroendocrine functies, zoals de uitscheiding van darmhormonen zoals GLP-1, waarvan de oorsprong is onbekend [67]. Het is echter ook geassocieerd met een drastische verandering van microbiota, waardoor de oorzaak van de entero-endocriene verandering [68, 69]. Met name de firmicutes waren dominant in een normaal gewicht en met obesitas individuen, maar aanzienlijk gedaald in het post-gastric-bypass individuen, die een evenredige toename van Gammaproteobacteria. Interessant is dat het aantal H2-producerende familie Prevotellaceae sterk verrijkt in obesitas en de Archaea leden van de orde Methanobacteriales, die H2-oxiderende bacteriën methaan. De rol is onbekend maar kunnen worden gekoppeld aan een mechanisme belangrijk om de energieopname door de menselijke dikke darm in obese personen. Interessant is dat obese diabetische patiënten en ook gekenmerkt door een vermindering van de anti-inflammatoire bacterie F. prausnitzii [68] in vergelijking met patiënten met overgewicht. Sommige moleculen die met ingang van intestinale microbiota werden gekenmerkt met behulp van NMR-gebaseerde metaboloom analyses [70]. Darmflora afgeleide metabolieten zoals hippuurzuur, Trigonelline, 2-hydroxyisobutyraat, en xanthine meest heeft bijgedragen aan de classificatie-model en waren verantwoordelijk voor de discriminatie tussen obesitas en mager individuen. Bovendien is de typische obesitas metabotype (samentrekking voor metabole fenotype) verloren na gewichtsverlies veroorzaakt door bariatrische chirurgie. De causale rol van deze moleculen niet aangetoond worden maar kan tenminste gesuggereerd dat zij biomarkers vertegenwoordigen.

Mechanismen waardoor darmflora kan leiden tot de ontwikkeling van hyperglycemia en vetopslag
De opslag hypothese

Intestinale microben gebruiken voedingsstoffen en produceren metabolieten die een breed spectrum van menselijke metabole fenotypen, waaronder gevoeligheid voor aandoeningen zoals obesitas [3, 42, 49, 71], insulineresistentie [3], metabool syndroom [89], leversteatose [72 beïnvloeden , 73]. Met behulp van metagenomic en biochemische analyses, Gordon’s groep lieten zien dat deze veranderingen de metabole potentieel van de darmflora van obese muizen [43] beïnvloeden. De “zwaarlijvige microbioom” heeft een verhoogde capaciteit om energie te oogsten uit de voeding [49]. Dit werd echter mechanisme bestreden door andere studies waaruit blijkt dat de verhouding tussen de microbiële samenstelling en energie vangstcapaciteit is complexer dan vroeger beschouwd [74]. Een groot punt was dat deze eigenschap is omdat overdraagbare kolonisatie van kiemvrije muizen met de microbiota van obese muizen resulteerde in een significant grotere stijging van de totale lichaamsvet (tot 40%) dan met de kolonisatie microbiota van een lean muis [ 49, 71]. Derhalve, in tegenstelling tot muizen met een darmflora worden kiemvrije dieren beschermd tegen obesitas die zich na het nuttigen van een Westerse stijl, vetrijke, suiker-dieet [71]. De aanhoudende lean fenotype is geassocieerd met verhoogde skeletspieren en de lever niveaus van gefosforyleerd AMP-geactiveerd proteïne kinase (AMPK) en downstream betrokken in vetzuuroxidatie zoals acetylCoA carboxylase en-carnitine palmitoyltransferase. Verder is de kiemvrije muizen verhoogde expressie van de intestinale vasten geïnduceerde adipocyte factor (FIAF) de peroxisomal proliferator-activated receptor gamma coactivator-1alpha (PGC-1alpha) induceert. Zo, de auteurs gesuggereerd dat kiemvrije muizen werden beschermd tegen dieet-geïnduceerde obesitas door twee onafhankelijke, maar complementaire mechanismen die leiden tot een verhoogde stofwisseling van vetzuren.

De inflammatoire hypothese

Metabole ziekten worden gekenmerkt door een low-grade ontsteking en de rol van het aangeboren en adaptieve immuunsysteem van groot belang [37, 38, 62, 75-78]. De oorsprong van de factoren ontsteking vóór het begin van obesitas of diabetes blijft onbekend. Eerst voorgesteld de lipopolysacchariden (LPS) die zeer inflammatogenic component van de celwand van Gram-negatieve bacteriën causaal betrokken bij het begin van de laaggradige ontsteking in reactie op een vet verrijkt dieet [3]. Bacteriële fragmenten worden herkend door Toll-like receptoren (TLR’s) die een geconserveerde familie van integraal membraan patroonherkenning receptoren die een cruciale rol spelen in het aangeboren immuunsysteem, dat is het begin van de afweer tegen binnendringende ziekteverwekkers hebben, maar zijn ook nodig voor intestinale homeostase [79]. Andere intracellulaire receptoren, zoals de nucleotide-bindende domein Oligomerisatie (NOD)-like receptoren (NLRs) van bacteriële DNA of NOD1 en NOD2, andere fragmenten zoals peptidoglycanen, betrokken bij aangeboren immuniteit [80, 81] en geacht als doel om ontsteking te controleren. Muizen een vetrijk dieet voor een korte periode van 2 weken waar gekenmerkt door een gematigd 2-3-voudige toename in bloed LPS gedefinieerd als metabole endotoxemia [3]. Het blijft binnen dit bereik, dat wil zeggen ver van wat waargenomen tijdens een acute infectie. Derhalve op basis van deze constante hoge concentratie van plasma LPS, vetweefsel, lever en spierontsteking ontwikkeld [3, 82]. De causaliteit van deze bacteriële factor werd aangetoond, aangezien een lage snelheid continu infusie van LPS geïnduceerde meeste vroege factoren recapituleren metabool syndroom en omgekeerd muizen verwijderd uit de LPS receptor TLR4 of deel van TLR4 machines zoals CD14, weerstand het optreden van de ziekte [83]. Bovendien adipocyten behandeld met LPS een ontsteking [84]. Tal van cijfers dat de oorspronkelijke plaats van de ontsteking inderdaad het vetweefsel, maar recente studies, met behulp van conventionele en kiemvrije muizen, suggereerde dat het zou kunnen worden gelokaliseerd in de darm, waar HF westers dieet en darmbacteriën samenwerken om darmontsteking, wat bijdraagt ​​bevorderen de progressie van obesitas en insulineresistentie [85]. De rol van darmflora werd aangetoond aangezien een chronische behandeling met antibiotica verminderde de intensiteit van de ziekte in vetrijke dieet en ob / ob muizen [65, 86]. Plasma LPS concentratie kan worden beschouwd als een risicofactor was aanwezig in overmaat in het bloed van patiënten ogenschijnlijk gezonde voeding meer vetten dan koolhydraten of eiwitten [82]. De verhoogde plasma concentratie kan acuut LPS geïnduceerd worden door een absorptie van lipiden in human [87] en in muizen [3] en lijkt op een verhoogde darmpermeabiliteit afhankelijk via een GLP-2 afhankelijk mechanisme [88]. Andere bewijzen toonden aan dat de TLR5 receptor omgekeerd is het beschermen tegen het metabool syndroom, omdat muizen die genetisch deficiënt zijn in TLR5 tentoongesteld vraatzucht en ontwikkeld kenmerk kenmerken van het metabool syndroom [89]. TLR5 helpt in eerste instantie te verdedigen tegen infecties. Daarbij werd aangetoond dat TLR5 controles hyperfagie, hyperlipidemie, hypertensie, insulineresistentie, en verhoogde adipositas de mechanismen die ontsteking. Een ander fenotype was dat de metabole eigenschappen gecorreleerd met veranderingen in de samenstelling van de darmflora. Het fenotype overdraagbaar was sinds de transplantatie van de microbiota van TLR5-deficiënte aan kiemvrije muizen resulteerde in obesitas en verminderde insulinegevoeligheid. Deze bevindingen tonen aan dat de modulatie van het immuunsysteem ontvangende lichaam beïnvloedt door het veranderen darmflora.

Rekening houdend met wat hierboven gemeld, een belangrijke zaak is om te begrijpen hoe bacteriële fragmenten en LPS de doelorganen en ontsteking te bereiken. LPS moleculen worden meegenomen in het bloed voornamelijk door lipoproteïnen wanneer in de lever zij zijn voorgesteld induceren hepatitis [90]. Bovendien is een antibacteriële behandeling verminderde de ziekten [91]. Daarom is gesuggereerd dat LPS kan worden geabsorbeerd door de darm tijdens de synthese van chylomicrons [92, 93] dan uitgewisseld met andere lipoproteïnen [94] die chronisch kan worden getransporteerd naar doelwit weefsels zoals lever [95] of bloedvaten [96] en ontsteking. Echter, in een acute situatie, kan een flits toediening van lipoproteïnen bufferen plasma LPS en het verminderen van de impact ervan op de acute fase ontsteking [97, 98]. Geen hypothese is tot nu toe beschikbaar is voor andere bacteriële fragmenten.

Al met al, de enorme diversiteit van de intestinale microbiota kunnen meerdere hypothesen over de moleculaire mechanismen die verantwoordelijk zijn voor metabole ziekten. Zeker, ontsteking worden gehouden. Men zou ook kunnen suggereren dat inname van voedsel en energie-opslag moeten worden betrokken bij het ​​beeld.

Gut microbiota en vetstofwisseling
Conclusies uit de vorige paragraaf blijkt dat intestinale microbiota, die sterk van invloed op de opslag van vet in het wit vetweefsel, kan net zo goed strak vetstofwisseling en de gevolgen daarvan te regelen op hart-en vaatziekten. Deze hypothese is gemakkelijk intuïtief omdat de darm is de toegangsdeur van lipide. Microbiota, hoewel aanwezig in lage concentratie in het duodenum en jejunum (honderdvier-honderdenvijf cel / ml), waar de meeste lipiden worden opgenomen, worden de informatie darmcellen met lipide metabolieten. Anders een overmaat lipiden dus niet opgenomen, zou het voeden van de microbiota in de dikke darm op toch informatieve metabolieten ook. Bewijzen toonde aan dat conventionele muizen met normale microbiota gekenmerkt door een verhoogde productie van energie metabolieten, bijvoorbeeld, pyrodruivenzuur, citroenzuur, fumaarzuur, appelzuur en, in vergelijking met kiemvrije muizen [99]. Omgekeerd werden plasmaspiegels van cholesterol en een aantal soorten lipiden in het serum triglyceriden en fosfatidylcholine verminderd met de microbiome terwijl zij verhoogd in het weefsel, zoals het vetweefsel en de lever. Dit suggereerde dat de klaring van lipiden werd verhoogd door de microbiota. De mechanismen blijven onbekend maar waarschijnlijk door de verandering in de bacteriële genera en de overeenkomstige microbiome, al dan niet aanwezig in de flora van het diabetes of obesitas dieren. Zelfs cholesterol in de darmen metabolisme wordt beïnvloed door de darmflora. In kiemvrije ratten, lever microsomale hydroxylering van steroïde hormonen en lithocholinezuur is efficiënter dan de conventionele tegenhangers [100]. Een precieze voorbeeld is de ontdekking van een Bacteroidetes D8, een cholesterolverlagend bacterie van humane intestinale oorsprong, die werd geïsoleerd uit een senior mannelijke vrijwilligers met een hoge capaciteit om luminale cholesterol te coprostanol [101]. Tientallen jaren geleden werd de rol van darmflora betreffende de controle van het vetmetabolisme indirect gesuggereerd omdat werd aangetoond dat galzuren kunnen worden gemetaboliseerd door de flora [102]. In kiemvrije ratten, de hoeveelheid urobiline en stercobilin vrijwel verwaarloosbaar waaruit blijkt dat bilirubine wordt gereduceerd tot urobilins de darmflora uitsluitend. De kolonisatie met verschillende bacteriestammen gebleken dat het metabolisme van galzuren anders werd beïnvloed door het type darmflora. In alle gevallen was monocolonization niet volledig kunnen weer een normaal galzuur metabolisering.

Verrassenderwijs heeft het effect van darmflora op systemisch metabolisme (Fig. (Fig.1) 1) aangetoond zelfs met betrekking tot lipide homeostase in niet-metabolisch actieve organen zoals het oog [103]. In een recente studie, Oresic et al.. vergeleek de lipide structuur van ogen afgegeven vanaf kiemvrije en conventionele muizen. De auteurs analyseerden zowel lens en netvlies lipidome door massaspectrometrie (MS) uitgevoerd in ion-negatieve modus (ESI-) en in totaal 140 en 276 lipiden waren respectievelijk gedetecteerd. De belangrijkste bevinding was de microbiota aangedreven daarbij de algemene fosfatidylcholinen, die een verhoogde blootstelling voorgesteld oxidatieve stress in conventionele muizen in vergelijking met kiemvrije muizen.

Fig. 1
Multiple-sited impact van darmflora op tal metabolisme. Gut microben is aangetoond of voorgesteld om een impact hebben op het vetweefsel en de lever vet opslag, skeletspier energiemetabolisme, vet metabolisme in de lever en hepatische steatose, atherosclerose hebben …

Echter, in de zoektocht van mechanismen die darmflora, vetstofwisseling en vaatziekten recente vinden tonen een sterke moleculaire hypothesen [104]. Voor, het bespreken van deze onderwerpen, is het opmerkelijk dat hart-en vaatziekten zijn gekoppeld aan infectie tientallen jaren, door het vergroten pro-atherosclerotische veranderingen in de vasculaire cellen [105]. Een Microbiome gevonden in atherosclerotische plaques omdat bacterieel DNA kunnen worden geïdentificeerd in meer dan 50% van alle plaques [106] en de oorsprong kan intestinale of oraal [107]. De vasculaire risicofactoren inderdaad verhoogd populatie studies waarin de plasmaconcentratie van LPS werd verhoogd (Fig. 2) [104, 108, 109]. Omgekeerd anti-LPS moleculen zoals oplosbare CD14 tegen stijfheid van de aorta en dus een verminderde vaatfunctie [110]. Daarom kunnen antibiotica therapieën hebben een positief effect op de vasculaire functie [111]. De moleculaire controle van de productie van atherosclerotische plaques door factoren van intestinale origineel is onlangs in een studie waarin de auteurs gebruikten een metabolomics benadering onpartijdige kleine moleculen metabolische profielen in plasma CVD risico voorspellen genereren. Drie metabolieten van de voeding lipide fosfatidylcholine-choline, trimethylamine N-oxide (TMAO) en betaïne werden geïdentificeerd en vervolgens naar risico voor CVD voorspellen onafhankelijke grote klinische cohort. Aanvulling van de voeding en kiemvrije muizen studies bevestigden een cruciale rol voor de voedings-choline en darmflora in TMAO productie. Het was gekoppeld aan cholesterol accumulatie en vorming van schuimcellen macrofaag. Vandaar dat de rol van monocyten / macrofagen is belangrijk in low-grade ontstekingsziekten, omdat een toename van het aantal gunsten coronaire collaterale groei bij type 2 diabetes patiënten [112]. Uiteindelijk de onderdrukking van intestinale microflora in atherosclerose-gevoelige muizen remde dieet-choline-enhanced atherosclerose. Daarom wordt microbiota van de darm of orale oorsprong nu zeker erkend als een risico en een oorzakelijke factor van de cascade van gebeurtenissen die leiden tot atherosclerose. Een interessante hypothese zou zijn dat de microbioom kon gastheer genexpressie bedienen via miRNA [113]. Vergelijkende profilering van miRNA expressie met behulp van miRNA arrays van conventionele en kiemvrije muizen bleek dat mmu-mir-665, die werd ontregeld tijdens kolonisatie, Abcc3 expressie down-gereguleerd door direct gericht op de Abcc3 3′-UTR [113]. De rol van miRNA op endotheliale metabolisme is elders aangetoond [114] en daarom kon men suggereren dat darmflora kan endotheelfunctie en menselijke atherosclerotische laesies [114] regelen. Echter, de algemene controle van de ontsteking gemedieerd door het aangeboren en adaptieve immuunsysteem zeker regelen de agressiviteit van de darmflora. Bijgevolg zal de waarheid steunen op een set markers geassocieerd darmflora als risicofactor, de regulerende rol van het immuunsysteem en de genetische achtergrond van het individu.

Afbeelding

Fig. 2
De inflammatoire branden: darmflora dysbiose en de oorsprong van metabole stoornissen. De oorsprong van metabole ziekten is multifactorieel, maar de impact van schadelijke voedingsgewoonten is zeker de belangrijkste factor die verantwoordelijk is. Dit wijzigt direct …

Gut microbiota als een regulator van leversteatose
Hepatische steatose is een van de belangrijkste complicaties van abdominale obesitas, insulineresistentie en type 2 diabetes [115 tot 117]. Ongeveer 60-80% van deze patiënten een stadium van de ziekte van 1 tot 5 waarbij de laagste limiet komt overeen met de ophoping van lipiden en vervolgens tot ontsteking, apoptose, fibrose, leverfalen of kanker. Het wordt nu steeds een prioriteit voor Europa door de lancering van de Europese programma’s voor onderzoek te financieren. Het argument dat intestinale microbiota betrokken zou zijn bij de activering van leversteatose is afkomstig van waarnemingen die conventionalized dieren 40% meer lichaamsvet dan kiemvrije dieren [42] hebben. Verschillende moleculaire mechanismen zijn voorgesteld. Een verhoogde intestinale productie van korte keten vetzuren worden die meer energie naar de lever [49, 71]. De genetische achtergrond geeft een gevoeligheid voor het ontwikkelen van leversteatose zoals in de SV129S6 muis [72]. In dit geval zijn de multivariate statistische modellen van de metaboloom spectra van urine aangetoond dat de genetische aanleg van de muizenstam om leversteatose is geassocieerd met storingen van choline metabolisme [72]. Werd aangetoond dat de symbiotische darmflora de choline omgezet in methylaminen leidt tot lage circulerende niveaus van plasma fosfatidylcholine en hoge uitscheiding van methylamines (dimethylamine, trimethylamine, en trimethylamine N-oxide), die de biologische beschikbaarheid van choline vermindert en bootst het effect van choline-deficiënt dieet, waardoor NAFLD [72, 73]. Echter, dit model niet om een ​​spil die de leverziekte wordt geassocieerd met een toestand van ontsteking. De moleculaire inflammatoire mechanisme kan worden toegeschreven aan plasma LPS die toeneemt bij patiënten met levercirrose en in de ader hepatoportal volgende alcoholgebruik [3, 118, 119]. Dit mechanisme was afhankelijk van TLR4 en initieert ontstekingen [120]. Echter, in afwezigheid van alcoholgebruik, plasma-LPS concentratie een matige verhoging in het bloed van muizen die een vette lever ontwikkelen, zoals de hoog-vet dieet-gevoede muizen [3]. Dit proces kenmerkt metabole endotoxemie en wordt beschouwd als een factor triggering van ontsteking en metabolische ziekten. Metabole endotoxemie werd gekoppeld aan een verhoogd darmpermeabiliteit [65]. De behandeling van de muizen een vet dieet verrijkt met antibiotica verminderde de metabole endotoxemie en de ophoping van vet in de lever en de lokale inflammatoire status [65, 86]. Bovendien het inflammatoire mechanisme, is voorgesteld dat darmflora zou vetophoping worden steeds in de lever via een mechanisme waarbij de regulatie van FIAF [42, 71]. Dit lid van de angiopoietine-achtige eiwitfamilie selectief onderdrukt in het darmepitheel van normale muizen door darmflora. FIAF is een circulerende lipoproteïne lipase inhibitor en onderdrukking is essentieel voor micro-geïnduceerde depositie van triglyceriden in adipocyten. Inderdaad, in de obese diabetische ob / ob muis, de overeenkomstige microbiome een verhoogde capaciteit om energie uit de voeding verder aanwakkeren van de lever met koolstofresten gegenereerd door bacteriële fermentatie van onverteerbare vezels. Derhalve is na een verandering van darmflora wordt voorgesteld dat zowel verhoogde voedingsvezels fermentatie en de inductie van metabole endotoxemie leidt tot lipiden ophopen in lever en ontsteking. Deze hypothese zou passen bij de snelle ontwikkeling van leversteatose ondersteunend de verandering in voedingsgewoonten en dus van de intestinale microbiota.

Gut microbiota en type 1 diabetes
Type 1 diabetes is een auto-immuunziekte die wordt veroorzaakt door de specifieke vernietiging van de insuline uitscheidende endocriene pancreatische beta cellen door T-lymfocyten [121]. Bijgevolg is een progressieve maar absolute insulinopenic toestand treedt op in de volgende maanden en jaren. Dit mechanisme is onomkeerbaar, maar kan worden voorkomen door immunosuppressiva bij gebruik vroeg genoeg [122, 123]. De antigenen waarop het immuunsysteem gedeeltelijk zijn beschreven en hebben betrekking op de erkenning van glutaminezuurdecarboxylase (GAD) -64 eiwitten. T-lymfocyten dringen de eilandjes van Langerhans, zoals beschreven door een insulitis, en steeds meer vernietigen de insuline afscheidende cellen alleen [121]. Wat blijft onbekend is het proces dat voorkomt de vernietiging van de juiste autoreacting T-lymfocyten of het systeem dat de auto-immuunreactie door miskenning van de zelf-antigenen zoals GAD64 toelaat. Men zou kunnen suggereren dat de rijping van T-lymfocyten zou worden aangetast. Recente gegevens toonden de cruciale rol van de gastro-intestinale microbiota in de bescherming of het activeren van type 1 diabetes [57, 124]. De diermodellen geschikt voor dergelijke studies zijn de niet-obese diabetische (NOD) muis stam, of de BB rat. In beide modellen worden de doel-pancreas insuline producerende beta-cellen aangevallen en verwoest door geactiveerde immuuncellen, wat leidt tot type-1 diabetes. De ontdekking van de rol van darmflora afkomstig van de hygiënische hypothese [23] na de waarneming dat de incidentie van spontane T1D in de NOD muizenkolonie kan worden beïnvloed door de microflora in de stalruimte inrichting [125] of door blootstelling aan microbiële stimuli zoals injectie met Mycobacterium of verschillende microbiële producten [126, 127]. In de menselijke, is de incidentie van type 1 diabetes toegenomen in de afgelopen decennia in de ontwikkelde landen waar de milieu-omstandigheden drastisch zijn veranderd [honderdachtëntwintig-dertienhonderdeneen]. Deze hypothese suggereert dat bacteriële antigenen zou worden gepresenteerd door het aangeboren immuunsysteem op de T-lymfocyten heel vroeg in het leven ondersteunen het idee dat immunostimulatie kan de rijping van de postnatale immuunsysteem [132, 133] ten goede komen. Derhalve bij miskenning van het bacterieel antigeen, wordt het adaptieve immuunsysteem verergert de agressiviteit tegen de pancreatische cellen en vernietigen. Bijgevolg zou de erkenning van bacteriële determinanten van intestinale microbiota een uitlokkende factor van auto-immuunziekte. De Toll-like receptoren (TLR’s) zijn aangeboren patroonherkenning receptoren die betrokken zijn bij de afweer die de controle over commensale bacteriën en weefsel integriteit [79, 134] te houden. De overeenkomstige signalerend molecuul is MyD88 adapter derhalve muizen die deze moleculaire mechanismen tegen insulitis [57]. Dit is afhankelijk van de commensale bacteriën omdat kiemvrije MyD88 knockout muizen ontwikkelen robuuste diabetes.

Het type darmflora is belangrijk. Die van NOD muizen waarschijnlijk induceren diabetes sinds de kolonisatie van deze muizen met een microbiota van niet-type 1 diabetische muizen verhinderd de incidentie van diabetes in kiemvrije NOD muizen. Derhalve zijn zowel de kwaliteit van de darmflora en de activering van het aangeboren immuunsysteem de controle van de agressiviteit van T-lymfocyten en daarmee de ontwikkeling van auto-immuunziekten. In de BioBreeding rat model van type 1 diabetes, is gebleken dat de Lactobacillus soorten in feces werden negatief gecorreleerd met type 1 diabetes ontwikkeling [135]. Juist, twee soorten de L. johnsonii en L. ruteri verhinderd het effect op diabetes type 1 ontwikkeling [135]. Gesuggereerd werd dat twee stammen van bacteriën veranderingen in de intestinale mucosale eiwit en oxidatieve stress leidend tot lage IFNy geïnduceerd. Bijgevolg waarnemingen na toediening van antibiotica in type 1 diabetes BioBreeding ratmodellen gebleken dat het ontstaan ​​van de ziekte is verminderd, dat de hypothese dat een specifieke darmflora kan autoimmuniteit induceren versterkt [136].

In totaal techniek darmflora door het gemiddelde van prebiotica, probiotica, en voedsel complement, of door bacteriële-afgeleide immunotherapeutische strategieën kunnen beneficiate de preventie van type 1 diabetes (afb. (Fig.33).

Fig. 3
Therapie strategieën uitdagend darm microben. De ontdekking van de rol van darmflora betreffende de controle van metabole ziekten opent vele therapeutische strategieën zoals prebiotica, probiotica en immuunmodulatie. Ook kan de generatie …

Gut microbiota en parodontitis
Cross-sectionele studies suggereren een sterke associatie tussen systemische ziekten en orale infectie, zoals parodontitis [137 tot 140], die wordt beschouwd als de zesde complicatie van diabetes mellitus [141, 142]. Parodontitis is een veel voorkomende chronische multifactoriële infectie wordt gekenmerkt door een ontstekingsreactie tegen een specifieke microbiota mond. Deze stelt een complex biofilm die vooral van Gram-negatieve bacteriën samengesteld in de subgingivale micro [143, 144]. Op basis van dit aspect, Saito et al.. [145] verondersteld dat de specifieke correlatie tussen de periopathogens en de ontwikkeling van obesitas ook kan worden geassocieerd met veranderingen in plasma LPS concentratie. Kan vooral de endotoxine uit de Gram-negatieve pathogenen verantwoordelijk op afstand effecten van parodontitis op gezondheidsproblemen van [145]. LPS release in de systemische circulatie is direct van invloed organen zoals de lever, de longen, vetweefsel, skeletspieren en het hart [146]. De uitdaging van deze bacterieel antigeen op meerdere plaatsen orgaan kan een ontstekingsreactie veroorzaken, resulterend in insulineresistentie, wat uiteindelijk leidt tot metabole stoornissen [38]. Met betrekking tot andere chronische ziekte geassocieerd met een low-grade ontsteking zoals atherosclerose, recente gegevens laten zien dat bacteriën uit de mondholte kan samenhangen met ziekte markers van vaatziekten [107]. Door zich te richten de 16S rRNA V1-V2 regio door pyrosequencing en door het toepassen van qPCR analyse, data geïdentificeerd gedeeld sequenties die behoren tot de Veillonella en Streptococcus groepen van sequenties tussen orale en atherosclerotische plaque monsters binnen dezelfde personen. Bovendien, in deze studie principal component analyses suggereerden dat de overvloed aan Fusobacterium, een van de eerste kolonisten in periodontale plaque, kan direct de niveaus van totaal cholesterol en LDL beïnvloeden. Dit bewijs toont de translocatie van orale bacteriële naar de systemische circulatie. Dus in het licht van de bovenvermelde resultaten hebben vele studies aangegeven dat de behandeling parodontitis doordat orale bacteriële pathogenen [147-149] kan metabole controle bij diabetische patiënten.

Het gebruik van Pre-, Pro-, en synbiotische te voorkomen of te behandelen metabolische problemen
Tegenover de epidemie van obesitas en diabetes, moet men erkennen dat preventieve strategieën moeten worden toegepast. Tot nu toe zijn juiste voedingsgewoonten alleen nauwelijks toegepast door personen terwijl meer en meer tieners zijn onder de invloed van vet-en suiker-verrijkte voeding. Dus voor dit maatschappelijke probleem nieuwe strategieën worden voorzien.

Een manier zou zijn om onze darmflora te herstellen door het gemiddelde van pre-of pro-biotica. Wat prebiotische er nu veel belangstelling manipulatie van de microbiota samenstelling om het mogelijk gunstige aspecten te verbeteren. De prebiotische aanpak dicteert dat niet-levensvatbare ingrediënten worden speciaal gefermenteerd in de dikke darm door de inheemse bacteriën gedacht te worden van positieve waarde, bijvoorbeeld bifidobacteriën, lactobacillen [150, 151]. Elk ingrediënt dat in de dikke darm komt is een kandidaat-prebiotisch [152]. De meeste huidige aandacht en succes zijn afgeleid met behulp van niet-verteerbare oligosachariden uit fructose, xylose, soja, galactose, glucose, mannose en met verschillende werkzaamheid op stofwisselingsziekten. Het werkingsmechanisme blijft onduidelijk, maar kan worden gerelateerd aan de regulering van intestinale mucosale biologie, waar de intestinale mucosa werd gekenmerkt door een hoger villi, diepere crypten, verhoogd aantal slijmbekercellen en een dikkere slijmlaag op colonepitheel [153]. De remming van intestinale permeabiliteit voor middelen zoals LPS is onlangs voorgesteld een formule die kan worden waarbij de afscheiding van enterische peptide zoals glucagon-achtig peptide 2 [88]. Uiteindelijk konden intestinale entero-endocriene functies ook worden gericht op prebiotica [154]. Fructoligosaccharides verhogen de productie van glucagon-achtige peptide 1 dat insulinesecretie kunnen bevorderen en op darm-hersenen as voor de regulatie van glucose metabolisme [155].

Andere strategie is het gebruik van bacteriën, dat wil zeggen probiotische een gezonde darmflora herstellen. Verschillende geslachten worden momenteel gebruikt en onder hen de meest voorkomende zijn bifidobacteriën en lactobacillen met verschillende voordelen voor de gezondheid. De geïdentificeerde werkingsmechanismen zijn tal van [156]. Ze lijken ten minste gedeeltelijk verband met de wijziging van de hechting van bepaalde bacteriestammen de mucosa [157], de invloed van het enterale immuunsysteem door de productie van IgA [158] of de inductie van anti-inflammatoire moleculen als Il10 [honderdnegenenvijftig-honderdeenenzestig], of de regeling van de darmpermeabiliteit [162]. Een recent bewijs heeft duidelijk aangetoond dat een specifieke stam, namelijk de B. longum kan ontsteking van de darm te verminderen door het produceren grote hoeveelheid acetaat uit de fermentatie van voedingsvezels [163]. Acetaat interageert met het enterale immuunsysteem om de synthese van regulerende T-lymfocyten bevorderen. Andere mechanismen kunnen het produceren van single-bacteriële moleculen zoals polysaccharide A van Bacteroides fragilis die moet pro-inflammatoire interleukine-17 te onderdrukken door intestinale immuuncellen [164]. De metabole gevolgen van het gebruik van probiotica zijn talrijk. De meesten van hen betrekking hebben op de vermindering van het lichaamsgewicht [165], niet-alcoholische leververvetting [zestienhonderdenzes-honderdachtenzestig], of glycemie en insuline resistentie [169, 170].

Om het licht van de gunstige effecten van pre-en pro-biotica, is een nieuwe strategie combinatie van beide werkwijzen nu omhoog en gedefinieerd als “synbiotische.” Inzicht in de mutualistische verbinding tussen darmflora en gastheer fysiologie voor de controle van de stofwisseling is cruciaal in de zoektocht naar mechanismen die verantwoordelijk zijn van de dramatische verhoging van hart-en vaatziekten [2, 3]. In dit scenario kort een synbiotische strategie bleek geschikt voor het verbeteren van het lipidenprofiel van hypercholesterolemische mannen en vrouwen. In deze studie werden patiënten kregen een combinatie van Lactobacillus acidophilus CHO-220 en inuline [150, 151] of placebo gedurende 12 weken. Ondanks het gebrek aan effect op het lichaamsgewicht en de energie-inname, de synbiotische behandeling verminderde zowel de totale en LDL-cholesterolgehalte in het plasma via een mechanisme waarbij lipide transporters [39]. Aangezien triglyceriden concentratie in lipoproteïnen wordt beschouwd als belangrijkste risicofactoren voor atherosclerose, de auteurs gesuggereerd atheropreventive de rol van synbiotische strategie.

Conclusies: therapeutische en het voorkomen van de huidige en toekomstige mogelijkheden
We worden nu geconfronteerd met een nieuw tijdperk waarin we zullen moeten om de rol van een nieuw orgel rijk aan meer dan 3 miljoen genen te begrijpen: darmflora. Het is waarschijnlijk dat deze metagenoom zal de basis van vele nieuwe therapeutische benaderingen ter behandeling en voorkoming stofwisselingsziekten en de overeenkomstige cardiovasculaire gevolgen. Door het begrijpen van deze nieuwe ecologie strategieën op basis van prebiotica, probiotica kan, zelfs gerichte antibiotica worden overwogen. De identificatie van de eukaryote genen gereguleerd door darmflora zal ook worden beschouwd als nieuwe doelwitten waartegen de farmaceutische bedrijven moeten in staat zijn om het ontwerp verbindingen. Uiteindelijk wordt darmflora beschouwd als een groot aantal antigenen en sommige kunnen dienen als basis immunotherapeutical strategieën te voorkomen of te behandelen. Diagnostische kits aan patiënten identificeren die risico lopen of te classificeren en stratificeren de ziekten zal nuttig zijn voor de arts beter aan te passen van de therapeutische strategie.

Ga naar:
Open Access
Dit artikel wordt gedistribueerd onder de voorwaarden van de Creative Commons Naamsvermelding-Niet Commercieel License waarop een niet-commercieel gebruik, distributie en reproductie in elk medium maakt, op voorwaarde dat de oorspronkelijke auteur (s) en de bron worden gecrediteerd.

Originele artikel;

http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC3224226/

Laag Testosteron spiegel veroorzaakt acne?

Image

Testosteron verhogen met ashwagandha

 Ashwaganda whithania somnifera is een struik. De wortels van ashwagandha worden gebruikt in de Indiaase kruidengeneeskunst vanwege de libidoverhogende werking. Recente onderzoeken laten zien dat ashwagandha het testosteron verhoogt. Aswagandha is dus een van de weinige natuurlijke testosteronboosters.

Image

Wat is ashwagandha

Ashwagandha is een struik welke tot anderhalve meter hoog kan worden. Het groeit van nature in heel Afrika, het Middelandse Zeegebied, Zuid Azië en Mauritius. De stofjes die het testosteron kunnen verhogen vind men voornamelijk in de wortels van de struik. De actieve testosteron-verhogende bestanddelen van ashwaganda noemt men whitanoliden. Ashwagandha wordt ook wel Indiaase ginseng genoemd, alhoewel het geen familie van de ginseng is. Ashwaghanda behoort tot de nachtschade familie waartoe bijvoorbeeld ook de tomaat, aardappel en de gojibes behoort. 

Testosteronverhogende eigenschappen

Studies in India door internisten van de Mahalaxmi Clinic in Mumbay tonen aan dat onvruchtbare mannen die een paar maanden lang dagelijks een capsule met ashwagandha slikken een stijging in hun testosteronspiegel laten zien van 17% De concentratie van zaadcellen in het sperma neemt zelfs toe met 167% 

Dosering en gebruik

Image

De gebruikelijke dosering ashwagandha is tweemaal daags 600-1000 mg, overschrijd de dosering niet. Zwangere vrouwen mogen geen ashwagandha gebruiken! Ashwagandha is heel rijk aan ijzer. Als het ashwagandha dagelijks wordt ingenomen kan er op termijn teveel ijzer worden opgenomen in je lichaam. Daarom is het beter om bijvoorbeeld om de zoveel dagen een paar dagen geen ashwagandha in te nemen of na een kuur enkele weken rust te nemen. Als je een aandoening hebt aan je afweersysteem (bijvoorbeeld reuma of Multiple Sclerose) kun je beter geen immuum-stimulerende kruiden zoals ashwagandha innemen.

Andere geneeskrachtige eigenschappen

Naast het verhogen van het testosteron door ashwagandha, heeft aswaghanda meer geneeskrachtige eigenschappen. Ashwagandha heeft een versterkende en onstekingsremmende werking. Ook heeft het een rustgevende werking, om deze reden wordt ashwagandha ook wel gebruikt bij slaapproblemen. Ashwagandha gaat de gevolgen van stress tegen. Ook werkt het cholesterolverlagend en stabiliseert het de bloedsuikerspiegel. Ashwagandha verbetert het geheugen en bestrijd depressies.

Verkrijgbaarheid van ashwagandha

 

Ashwagandha is te bestellen via internet bij een groot aantal webshops en online drogisterijen. Het wordt veelal verkocht in capsules. Ook vind je ashwagandha in poeder en tablet vorm.

Ashwagandha verslavend

Er kleeft echter een belangrijk nadeel aan het gebruik van aswaghanda om op een natuurlijke manier het testosteron te verhogen.
Ashwagandha werkt verslavend. 

Testosteron is het belangrijkste hormoon uit de androgenen groep en komt voor in zoogdieren, reptielen, vogels en andere gewervelde dieren. Vissen maken een iets andere vorm van  testosteron , namelijk 11-ketotestosteron en bij insecten is dit ecdysone. Deze veel voorkomende steroïdhormonen laten zien dat ze een lange evolutionaire historie hebben

Testosteron wordt gezien als het mannelijk of masculiniserend hormoon . Ook vrouwen produceren testosteron maar gemiddeld in kleinere hoeveelheden.  Bij de man is de testes de voornaamste producent van testosteron zo’n 95% het restant 5% wordt in de bijnieren geproduceerd. Bij de vrouw zijn de bijnieren de grootste producent, later in het leven is de productie van bijnieren en eierstokken ongeveer gelijk.

Echter androgenen als testosteron zijn ook de voorstof  van de feminiserende  (vrouwelijke ) oestrogenen.


Testosteron

De werking van testosteron op het lichaam kan zich op 3 manieren voordoen via:

  • Dihydrotestosteron (DHT)
  • Oestradiol

ANDROGENEN EN OESTROGENEN

Tot de androgenen behoren:

Tot de oestrogenen behoren

Testosteron

Oestradiol

DiHydrotestosteron (DHT)

Oestron

Androstenedion

Oestriol

Androstenediol

 

DHEA

 

Testosteron en DHT zijn de belangrijkste androgenen. Androstenedion, Androstendiol en DHEA zijn min of meer pro-androgenen omdat ze eerst omgezet moeten worden naar testosteron om androgeen receptoren te activeren.

Testosteron wordt via de bloedstroom omgezet in oestradiol of DHT en verder afgebroken, de halfwaarde tijd van testosteron is 20 minuten. Zo’n 98% van testosteron is gebonden aan eiwitten. Zwak gebonden aan albumine en de rest sterk gebonden aan SHBG(Steroïd Hormone Binding Globulin). SHBG  wordt  voornamelijk geproduceerd in de lever.

De term androgeen refereert aan hormonen welke de specifieke mannelijke kenmerken geven. In mannetjes dieren zijn deze veel kleurrijker dan in de mens mannen. Voorbeelden zijn: pauwen(veren), hanen(kammen) en herten(geweien)

 

Testosteron

Testosteron is het meest anabool hormoon, dit betekent dat het cellen helpt energie te maken uit het voedsel dat we eten, spieren en botten opbouwen en de hersenen goed te laten functioneren. Testosteron is ook verantwoordelijk voor het lichaamshaar en de lage stem. Ondanks dat testosteron een belangrijke rol speelt bij het libido is het niet alleen een sekshormoon. Het heeft bij mannen een belangrijke rol om cholesterol, triglyceriden, fibrinogeen, bloeddruk en groeihormoon op een goed niveau te houden. Daarnaast verbetert testosteron  insulineresistentie, overgewicht en hartritmestoornissen.

 

Testosteron receptoren komen voor op zowat alle weefsels in het lichaam. Dus testosteron heeft een functie in bijna alle lichaamssytemen.

De productieorganen van testosteron in man of vrouw zijn: testes, eierstokken, bijnieren, placenta.

De belangrijkste kenmerken van testosteron zijn:

  • Essentieel voor de productie van sperma.
  • Ontwikkeling penis en testes.(DHT)
  • Ontwikkeling van spieren. Testosteron verandert de manier waarop vetcellen de circulerende energie (glucose, fructose) in het lichaam verwerken. Testosteron zorgt ervoor dat de energie meer in de richting van de spieren wordt gestuurd.
  • Testosteron zorgt voor een snellere stofwisseling, welke geassocieerd wordt met een hogere overlijdens kans.
  • Het is basis het ‘mannelijke’ hormoon, mede verantwoordelijk voor de ‘sexdrive’ of libido
  • Belangrijk voor de botten. Testosteron is een promotor van het eiwitmetabolisme.
  • Het onderdrukt de cellulaire immuniteit.(man)
  • De ontwikkeling van gelaats en schaamhaar welke start in de puberteit. Later in het leven speelt het een rol bij kaal worden.(DHT)
  • Het lager worden van de stem in de puberteit
  • Verhoogt rode bloedcelproductie en hemoglobine synthese.
  • Stimuleert prostaatgroei en secretie.(DHT)

Ook bij vrouwen speelt testosteron een rol o.a. bij:

  • De eierstokfunctie
  • Botsterkte
  • Seksueel gedrag o.a. libido

Er bestaan 5 verschillende cycli in mannen wat testosteron betreft:

  • Ritmische fluctuaties 3 tot 4 x per uur
  • Dagelijks: het ritme van de testosteron productie bij mannen laat in de dag eenzelfde ritme zien als de cortisol productie. Dit betekent een hoge productie in de morgen tussen 6 en 8 uur en een lagere productie in namiddag, avond en nacht.
  • Maandelijkse ritmische fluctuaties, verschillend voor elke man
  • Jaarlijks: de hoogste testosteron niveaus komen  voor  rond oktober (herfst) en de laagste niveaus rond april (lente). Deze fluctuatie komt overeen met vitamine D.

Testosteron (man) verhoogt o.a. bij:

Testosteron is verlaagd o.a. bij:

Overwinning in competitie

Verlies in competitie

Verbetering sociale status

Als men zich moet onderwerpen

Gedurende sigaretten roken

Gedurende fysieke en emotionele stress

Na of tijdens sporten (beweging)

Gedurende en na stevig alcohol gebruik

Na of tijden sexuele activiteit

In de lente

In de herfst

 

DiHydroTestosteron (DHT)

DHT is het belangrijkste intracellulaire androgeen en meer dan 2 maal sterker dan testosteron. De meeste activiteit van DHT wordt gevonden in reproductie organen, lever en huid. Lagere activiteit wordt ook in de hersenen gevonden.

DHT heeft 3 belangrijke acties in het lichaam:

  • De ontwikkeling van de mannelijke genitaliën gedurende het foetale leven
  • Groei van de prostaat
  • Verantwoordelijk voor haarverlies, de mannelijke kaalheid. Geen DHT, geen kaalheid.

Het hart heeft meer testosteron receptoren dan elke andere spier in het lichaam. In het bijzonder DHT receptoren. Naast DHEA – T3/T4 en vitamine D zijn testosteron en DHT voor de man  hart en vaten beschermende hormonen.

Embryo, 2e en 4e vinger

We worden allemaal als meisje(XX) geboren, vanaf de achtste week gaat iets meer dan de helft over naar een jongen(XY). Tussen de 8e en 14e week in zwangerschap vindt de synthese van testosteron plaats in het  embryo, de concentratie neemt daarna af tot een laag niveau enkele maanden na de zwangerschap. Bij de ontwikkeling van de embryo zorgt testosteron voor de primaire mannelijke geslachtskenmerken zonder testosteron ontwikkelt een embryo zich vrouwelijk. Testosteron (DHT) is belangrijk voor de vorming van mannelijke kanalen, de penis en scrotum.

Tussen 10 en 14 jarige leeftijd begint testosteron productie te verhogen tot volwassen niveaus welke zijn bereikt rond 20 jarige leeftijd. In de puberteit komen de secundaire geslachtskenmerken zoals groei van penis en balzak, stemhoogte, lichaamsbeharing door testosteron naar voren. Ook bij vrouwen zorgt testosteron voor de groei van schaamhaar tijdens de puberteit.

Het is reeds meer dan 100 jaar bekend dat caucasische mannen een langere ringvinger dan wijsvinger hebben, terwijl caucasische vrouwen een tendens hebben naar een iets langere wijsvinger. Ondertussen weten we uit onderzoek dat de lengte en groei van de 2e en 4e vinger tussen week 8 en 14 tijdens de zwangerschap wordt bepaald, en dat de ringvinger sterk is gecorreleerd met hoog testosteron en de wijsvinger met laag testosteron.

Testosteron stimuleert de groei van de ringvinger terwijl oestrogeen de wijsvinger groei stimuleert. Ook is het LH (luteïniserend hormoon )hoger.

De mannelijke vorm (hoog testosteron) zien we meer terug aan de rechterkant dus aan de rechterhand, terwijl de vrouwelijke vorm (laag testosteron) hoger oestrogeen, zich meer aan de linkerkant (linkerhand) manifesteert. Een mannelijke vingerverhouding kan ook het gevolg zijn van laag cortisol niveau in de embryo in plaats van een grote hoeveelheid testosteron.

Lage 2V-4V ratio(langere ringvinger) wordt geassocieerd met hoger testosteron en meer vruchtbaar sperma. Een hoge 2V-4V ratio(langere wijsvinger) is specifiek meer gecorreleerd met een hogere vruchtbaarheid.

De 2e en 4e vinger ratio is misschien geen rechtstreeks verband tussen vingerverhouding en geslachtshormonen maar wel een overtuigende aanwijzing.

Testosteron in de baarmoeder  vertraagd de groei van de linker hemisfeer van de hersenen, welke geassocieerd wordt met taal en verbale expressie. Het vergroot de rechter hemisfeer welke v.n.l. verantwoordelijk is voor ruimtelijk inzicht.

We zien dat meisjes welke in de baarmoeder blootgesteld zijn aan meer testosteron b.v. minder oogcontact maken dan meisjes welke dat niet zijn, dit is een mannelijk traject. Oogcontact heeft bij vrouwen (oestrogeen) een heel andere betekenis dan bij mannen (testosteron).

Bij oestrogeen is het oogcontact vooral om anderen te begrijpen. Terwijl bij testosteron oogcontact te maken heeft met de hierarchie en bedreigend kan zijn.

Bij mannen komt de mannelijke vorm van geslachtsafhankelijke eigenschap het duidelijkst tot uitdrukking in de rechterhelft van het lichaam en bij vrouwen komt deze beter tot uitdrukking in de linkerhelft. Zo zien we dat bij de  man de rechter zaadbal meestal groter is en bij de vrouw de linkerborst.

Ook zien we dat mannen met een grotere rechterzaad bal goed zijn in b.v. ruimtelijk inzicht dan mannen met een minder grote rechterzaadbal. Bij vrouwen zien we hetzelfde voor taalgebruik, vrouwen met een grotere linkerborst zijn hier beter in dan vrouwen met een grotere rechterborst. Gonadale hormonen in de baarmoeder in het bijzonder testosteron en oestrogeen zijn hiervoor verantwoordelijk.

4 Belangrijke factoren bij de werking van testosteron op het lichaam

1.Receptoren

2.Enzymen:  Aromatase en 5-alfa-reductase

3.Opslag en vervoer in het bloed: SHBG

4.cAMP

1.Receptoren

Vaak worden van hormonen de bloedwaardes bepaald om te zien of er voldoende hormonen aanwezig zijn.

Zo kan bij testosteron het testosteron niveau worden bepaald en nog beter het vrij testosteron. Dit zijn echter niet meer dan aanwijzingen, uiteindelijk zal het aantal receptoren op de cel en de gevoeligheid van deze receptoren bepalen of de boodschap van testosteron en andere androgenen op een goede manier in de cel en het DNA aankomt. Zo zien we dat de androgeen receptor waarop voornamelijk testosteron en DHT aanpakken het aminozuur glutamine een belangrijke rol speelt. De lengte van de glutamineketen in de androgeen receptor is sterk bepalend voor de gevoeligheid van testosteron/DHT. Gemiddeld bevinden zich op één receptor zo’n 20 glutamine moleculen.

De gevoeligheid van testosteron is echter omgekeerd evenredig met het aantal glutamine moleculen. Dit betekent  dat bij zo’n 11 glutamine moleculen testosteron/DHT zijn boodschap zeer goed kan doorgeven. Echter bij zo’n 30 glutamine moleculen op de receptoren is de receptor ongevoelig voor testosteron/DHT.

Bij 40 glutamine moleculen is de  receptor in zijn geheel niet meer gevoelig  voor testosteron/DHT.

Gezondheids aspecten welke samen kunnen hangen met een korte glutamine keten zijn b.v. een grotere kans op P.C.O.S. en andere onvruchtbaarheidsproblemen bij de vrouw. Ook zijn er aanwijzingen voor meer ADHD en andere gedragsstoornissen bij zowel jongens als meisjes.

2.Aromatase en 5-Alfa-reductase

Aromatase is het enzym welke zich voornamelijk in vetcellen bevindt en in die vetcellen testosteron om kan zetten naar oestrogenen.

Testosteron aromatiseert naar oestrogenen in:

  • eierstokken
  • hersenen
  • lever vetweefsel (wit vet)
  • borsten
  • fibroblasten

De  activiteit van het enzym aromatase welke oestradiol uit testosteron aanmaakt in het bijzonder in vetcellen is ook verhoogd wanneer er schade is aangericht aan bepaalde hersengebieden. Wanneer dit tegen wordt gegaan vindt er verhoogde neurodegeneratie plaats.

5-alfa-reductase is het enzym welke verantwoordelijk is voor de omzetting van testosteron naar DHT. Dit enzym komt het meest voor in reproduktief weefsel  (b.v.prostaat) en huid.

Zo’n 7% van het totaal testosteron wordt in een gezonde situatie door 5- alfa-reductase omgezet naar DHT.

In het algemeen kan gesteld worden dat geen of weinig haar op het lichaam aangeeft dat er een verminderde werking is van 5 alfa reductase ,dus minder DHT welke o.a. verantwoordelijk is voor groei van lichaamshaar. Dit betekent dat bij mannen met weinig lichaamshaar en veel hoofdhaar meer testosteron aromatiseert naar oestrogeen in het bijzonder in vetweefsel. Dit betekent een grotere kans op prostaat kanker.

3.SHBG en albumine

SHBG(Sex Hormone Binding Globulin) is een eiwit welke in de lever wordt aangemaakt. Het bindt hormonen aan zich en vervoerd deze door de bloedstroom. De belangrijkste hormonen die het bindt zijn oestrogenen en androgenen.

Testosteron, DHT en androstenediol binden sterk aan SHBG, daartegenover staat dat oestradiol en oestron minder sterk binden aan SHBG. Wat de productie van SHBG betreft is dit precies omgekeerd oestrogenen verhogen de aanmaak in de lever van SHBG, terwijl androgenen het juist verlagen.

Naast SHBG worden deze hormonen ook aan albumine gebonden alleen beduidend zwakker dan aan SHBG. SHBG en in mindere mate albumine zijn drijvende opslagreservoirs voor sekshormonen, hoe meer ze gebonden zijn des te minder werken ze op hun doelcellen. Dit betekent dat alles wat SHBG verhoogd, de activiteit van testosteron verlaagd.. Daartegenover staat dat alles wat SHBG verlaagd, meer testosteron vrijmaakt voor reactie met testosteron receptoren op de cel.

Jongens en meisjes hebben gelijke SHBG concentraties tot de puberteit. Echter vanaf de puberteit gaan de niveaus van jongens sterker omlaag dan van meisjes.

Zo’n 98-99% van testosteron is gebonden aan SHBG en albumine.

Vrij testosteron is zo’n 1 á 2% van het totale testosteron. Maar is een goede marker voor het bioactieve testosteron.

Verlaagde waardes van SHBG komen vaak  voor  bij: hypothyreoïdie, hoog prolactine, hoog cortisol, insulineresistentie.

Verhoogde waardes komen vaak voor bij: zwangerschap, pilgebruik, lage eiwitinname, meer oestrogenen dan androgenen.

4.cAMP(cyclic AdenosineMonoPhosphate)

Hormonen kunnen ruwweg op 2 manieren werken op het celmetabolisme:

  • Door hun boodschap rechtstreeks aan het DNA van de celkern door te geven. Schildklier en steroïdhormonen doen dit.
  • Door hun boodschap aan de cel door te geven via “second messengers”. Dit zijn in het bijzonder eiwithormonen, deze kunnen namelijk met hun lange aminozuurketen de celmembraan niet passeren. Ze gebruiken “second messengers”om de boodschap van het celmembraan in de cel te brengen. Insuline, groeihormoon, adrenaline en andere op aminozuren gebaseerde hormonen werken op deze manier.

De “second messenger” is dus een intermediar tussen hormonen welke het celmembraan niet kunnen passeren en het celmetabolisme.

cAMP is een belangrijk “second messenger” Het enzym adenylate cyclase zorgt voor de aanmaak van cAMP uit het energiemolecuul ATP.

Steroïdhormonen uit cholesterol als oestrogeen, testosteron, progesteron, cortisol en schildklierhormonen T3/T4 geven hun boodschap rechtstreeks door aan het DNA in de cel,zoals aangegeven en zijn niet op een directe manier afhankelijk van deze “second messengers”. Echter in het totale hormonale netwerk zijn steroïd en schildklierhormonen afhankelijk van eiwithormonen die de hypofyse produceren om de verschillende organen aan te zetten tot productie van o.a. testosteron. Tot deze hypofyse hormonen behoren o.a. het luteïniserend hormoon(LH) en het schildklier stimulerend hormoon (TSH) Daarnaast speelt insuline een belangrijke rol, aangezien dit hormoon de productie van enzymen reguleert in de hele steroïdhormoon cascade.  cAMP niveau’s in de cel zijn sterk verminderd bij verhoogde insuline niveau’s en/of insuline-resistentie.

Op een indirecte manier is cAMP dus belangrijk bij het goed functioneren van testosteron.

Hypogonadisme, laag Testosteron, hoog Oestrogeen

Hypogonadisme, een reductie in testosteron is een normaal voorkomend syndroom. In jonge mannen komt het ongeveer 5% voor en in oudere mannen zo’n  35%. Hypogonadisme belangrijkste kenmerken zijn verlies van libido en kracht, vermindering van skeletspieren en verminderde vruchtbaarheid.

De belangrijkste bron van oestradiol in mannen is testosteron, de aromatisering in vetweefsel is hiervoor verantwoordelijk. Als mannen ouder worden in de westerse wereld neemt hun testosteron productie langzaam af en de aromatisering naar oestrogenen toe.

Oestradiol niveaus blijven vaak wel hoog. De reden is de verhoogde activiteit geassocieerd met de leeftijd gerelateerde vetmassa toename in het bijzonder in het buikgebied. Oestrogenen komen sterk overeen met de hoeveelheid lichaamsvet, specifiek het subcutane vet in de abdomen (buikvet). De epidemie van overgewicht in ouder wordende mannen wordt o.a. geassocieerd met o.a. hart en vaatziekten, diabetes, degeneratieve ziekten en kanker. Daarnaast zien we ook borstontwikkeling, vermoeidheid, verlies van spierweefsel en emotionele ontregeling.

Laag testosteron en verhoogde oestrogenen is één van de belangrijkste reden voor deze klachten.

Hypogonadisme kan ook voorkomen bij glutenreactie. Hypofyse regulatie van de testiculaire functie kan ontregeld zijn door gluten.

In een jonge man is de gemiddelde ratio Testosteron : Oestradiol   50 : 1

In een man op middelbare leeftijd is dit afgenomen tot 20 : 1 en in  gevallen van overgewicht, diabetes e.d. kan dit wel 7 : 1 zijn.

Een onderzoek in Amerika laat zien dat de gemiddelde oestrogeen niveaus van een 54 jaar oude man hoger zijn dan van een 59 jarige vrouw.

In de dierenwereld zien we dat b.v. rammen in de herfst een enorm zelfvertrouwen laten zien als hun testosteron gehalte hoog is. Echter in de winter zijn ze nerveus, bang en teruggetrokken want dan is hun testosteron niveau laag. Bij andere dieren kan dit ook spelen.

De belangrijkste reden voor Testosteron tekort

  • Veroudering
  • Voeding: hoog koolhydraatgebruik in het bijzonder ger.suikers en fructose.
  • Medicijn gebruik
  • Overgewicht
  • Alcohol gebruik teveel
  • Slaapproblemen
  • Weinig beweging
  • Hoog oestrogeen, leidend tot atrofie van de testes
  • Stress, ontregeling bijnieren
  • Drugverslaving
  • Genetische aandoening  (Klinefelter’s syndroom)
  • Slechte functie hypofyse
  • Nierproblemen
  • Leeftijdsgebonden toename van aromatase activiteit.
  • Regelmatige inname van xeno en fyto-oestrogenen uit voeding en water.(de pil)

Mogelijke klachten van laag  testosteron :

Auto-immuniteit (man)

Verminderd spierweefsel, spierzwakte

Depressie

Dementie

Osteoporose/Osteopenie (man)

Laag libido, erectieproblemen

Vermoeidheid

Atrofie van de testes

Geheugen problemen

Overgewicht

Onvruchtbaarheid(man)

Verlies van lichaamshaar (o.a.hoofd,borst)

Af en toe opvliegers (man)

Vermindering mentale helderheid

Hart en vaatproblemen

Aneurysma

Urineweg problemen(mannen)

Insulineresistentie, diabetes

Kanker

Grotere en pijnlijke tepels

Borstvergroting (man)

 

Een vrouwelijke wijsheid is dat niet de man in haar leven er toe doet maar het leven in haar man.

Hoog testosteron

Hoog testosteron of  DHT komt minder voor dan laag testosteron, maar kan de volgende klachten geven:

Acné

Vette huid

Hypergevoel

PCOS (poly cystic ovary syndrome) (vrouw)

Verhoogd libido

Overmatige haargroei op gezicht, armen en borst

Onderbroken slaap

Dunner wordend haar op hoofd

Spierspasmen

Onvruchtbaarheid (vrouw)

Agressiviteit

Rusteloos

Angst

Insulineresistentie (instabiele bloedsuiker)

Mannen met hoog testosteron kunnen moeilijk praten en lachen. Misschien is het daarom dat mannen vaak een bloemetje meenemen omdat ze het moeilijk kunnen zeggen.

Andropauze

De leeftijd afhankelijke daling van vrij testosteron is zo’n 1% elk jaar na 40 jarige leeftijd. Het totaal testosteron gaat zo’n 2% na de 40 jarige leeftijd omlaag.

Dit komt voornamelijk door een afname van het functioneren van de Leydig cellen in de testes en de gevoeligheid van hypothalamus-hypofyse systeem.

Ook gaat het circadiane ritme van testosteron met het ouder worden veranderen. De morgen piek (morning glory) gaat er vanaf. Daarnaast gaat de orgaan gevoeligheid(receptoren) voor testosteron achteruit. Veroudering wordt geassocieerd met een vermindering (down regulatie) van testosteron receptoren in het bijzonder in de prostaat en de lever wat leidt tot testosteron resistentie.

Laag testosteron is geassocieerd met 40% verhoogde kans op overlijden.

Gebruik van medicijnen welke testosteron blokkeren of oestrogenen promoten is geassocieerd met 20% verhoogde kans op overlijden.

Een studie uit 2008 onder 800 mannen in Californië (USA) tussen 50 en 91 jaar oud laat een 40% verhoging van overlijden zien in de groep van laag testosteron. Testosteron niveaus werden gemeten in het begin van de studie en de gezondheid van de mannen werd voor 20 jaren gevolgd. Lage testosteron niveaus gingen samen met  verminderd libido en erecties, vermoeidheid, krachtvermindering, verminderde spiermassa en botdichtheid, overgewicht en grotere kans op hart en vaatziekten en diabetes. Mannen met laag testosteron beneden 241ng/dl. totaal serum hadden een 40% verhoogde kans van overlijden.

Mannen met lager testosteron trouwen eerder, mannen met hoger testosteron die trouwden gingen ook weer vlugger scheiden.

Anemie

Rode bloedvellen spelen een zeer belangrijke rol in het lichaam doordat ze zuurstof vervoeren naar alle weefsels. De gemiddelde rode bloedcel leeft zo’n 100 dagen. Dit betekent dat het regelmatig aangevuld moet worden vanuit het beenmerg waar het gemaakt wordt.

Lage hoeveelheden rode bloedcellen (anemie) hebben in het bijzonder vermoeidheid als klacht en in extreme gevallen ademtekort.

Er kunnen vele oorzaken van anemie zijn zoals: tekorten aan ijzer, foliumzuur of vitamine B12. Ook bloedingen in het maag-darmkanaal kunnen tot lage waarden leiden. Echter ook een laag testosteron gehalte kan een oorzaak zijn. De werking ligt waarschijnlijk in de autoimuunsfeer. Een normaal testosteron gehalte heeft een onderdrukkende werking op het immuunsysteem, bij een laag niveau van testosteron kan ons immuunsysteem o.a. de intrinsieke factor (I.F.) aanvallen. Deze is nodig voor vervoer en opname van vit. B12. Ook kunnen eiwitten welke vit. B12 door de darmwand naar het bloed vervoeren worden aangevallen, waardoor B12 moeilijk van darmen naar het bloed kan worden getransporteerd.

Testosteron en DHT stimuleren de rode bloedcel productie in het beenmerg.

Hormonale “vrienden en vijanden” van Testosteron.

Tot de vriendengroep van testosteron behoren goede niveaus van  hormonen als:

  • Dopamine: Dopamine vergroot de activiteit in de hersenen welke de productie van de sekshormonen en de seksualiteit reguleert.
  • Vitamine D: Er is een duidelijk verband tussen testosteron en vitamine D in het bloed op jaarbasis. Beiden zijn hoog rond oktober en laag rond april. Verder bevinden zich receptoren voor vitamine D op de testes wat er op duidt dat vitamine D daar een rol speelt. Een studie welke in 2010 aan de universiteit van Graz in Oostenrijk is gedaan liet dan ook duidelijk zien dat hoe meer vitamine D er in het bloed zat, hoe hoger de niveaus van testosteron en vrij testosteron waren.
  • Insuline: Alle omzettingen in het steroid hormonen netwerk waartoe testosteron, oestradiol en cortisol behoren worden gedaan door enzymen.Deze enzymen staan onder controle van insuline. Vanuit evolutionair perspectief is het duidelijk dat insuline de vertegenwoordiger is van de hoeveelheid voedsel welke op het moment voorradig was. Afhankelijk van die hoeveelheid kan insuline de enzymen beinvloeden welke met overleving (cortisol) en met reproductie (testosteron, oestradiol) te maken hebben.
  • Cortisol/DHEA: Te hoge of lage waardes van cortisol en/of DHEA geven vaak een ontregeling van het testosteron metabolisme en zijn dus een vijand van testosteron. Stress en in het bijzonder langdurige is één van de belangrijkste negatieve factoren voor testosteron. Ontregeling van cortisol ligt hieraan ten grondslag. In het trade-off mechanisme betekent dit dat de natuur haar dure energie niet in voortplanting (testosteron) gaat steken, maar in overleving(cortisol)Bij hoog cortisol of cortisolresistentie vindt ook een ontregeling plaats van een pro-androgeen als DHEA, welke een voorstof is van testosteron.
  • Histamine: Histamine is net als cortisol, testosteron en dopamine een dag/licht hormoon.Histamine speelt een belangrijke rol op verschillende onderdelen in het lichaam.De relatie histamine-testosteron zien we in het bijzonder terug bij de z.g.n. histadelische mensen, dit zijn mensen welke genetisch met een hoog histamine gehalte worden geboren. Een belangrijk kenmerk van histamine is dat het de vaten openzet (vasodilatie)

o   Enkele kenmerken van een histadelicus zijn:snel metabolisme, grote warmteproductie, weinig lichaamshaar, normaal tot slank postuur, snel vochtverlies, licht slapen, sterk gemotiveer, -hoog libido, snel orgasme en het komt meer voor bij mannen dan bij vrouwen.

Ook schildklierhormonen T3/T4 behoren tot de “vriendengroep” van testosteron..

Tot de “vijanden” behoren o.a.: prolactine, oestrogeen/progesteron en melatonine

Prostaat

Tijdens de periode van ontwikkeling in de baarmoeder van embryo-foetus wordt uit dezelfde basisstructuur of een penis of een vagina/clitoris gemaakt. Een andere structuur maakt de prostaat (man) of de baarmoeder (vrouw). Wat het wordt hangt af van het hormonale signaal. Androgenen zorgen voor penis en prostaat, oestrogenen voor vagina/clitoris en baarmoeder. Receptoren van beide hormonen bevinden zich echter op zowel mannelijke als vrouwelijke weefsels.

Als met het ouder worden de westerse man dikker wordt en meer lichaamsvet heeft verandert de ratio testosteron-oestrogeen in het voordeel van oestrogeen. Oestrogeen welke normaliter de baarmoeder laat groeien, doet dit nu bij de prostaat.

Dit is het belangrijkste mechanisme wat ten grondslag ligt aan prostaat problemen. Niet androgenen maar oestrogenen zijn een belangrijke oorzaak van prostaat problemen.

Ras en evolutie

Rassen verschillen in het niveau van sekshormonen, in het bijzonder testosteron en de gevoeligheid van de receptoren voor testosteron.

De hormoonspiegels van testosteron zijn het hoogst in zwarte mensen en het laagst in Aziaten, blanken bevinden zich er tussen in.

In een studie van studenten in Amerika waren testosteron niveaus van zwarten 10 tot 20% hoger dan van blanken. In een andere studie hadden zwarte Amerikanen 10-15% hogere waardes van testosteron dan blanke Amerikanen en japanners hadden nog lagere niveaus.

Bij een oudere onderzoeksgroep van oorlogsveteranen uit Amerika hadden zwarten gemiddeld 3% hogere testosteron niveaus dan blanken.

Ook onderzoeken op het gebied van seksuele activiteit in Los Angeles laten overeenkomstige resultaten zien. Bij de zwarte mens begon de eerste seksuele activiteit(testosteron) gemiddeld op 14,4 jarige leeftijd en op 16,4 jarige leeftijd bij de Aziaten, blanken bevinden zich daar tussenin.

De basis van dit geheel vinden we terug in de “Out of Afrika” theorie.

De moderne mens ontwikkelde zich zo’n 200.000 jaar geleden in Afrika rond de evenaar. Zo’n 80.000-100.000 jaar geleden begonnen groepen naar het noorden te trekken.(Out of Afrika) Langzaam maar zeker ontwikkelde zich het blanke ras.

Ongeveer 40.000 jaar geleden scheiden zich groepen af welke nog verder door naar het noorden trokken, welke we nu Aziaten noemen.

Des te noordelijker mensen vanuit de evenaar wegtrokken, hoe moeilijker het was om voedsel te vergaren, de kou te trotseren, kleren te maken enz.

Energie kan in de natuur maar één keer worden uitgegeven. Dit betekende dat een trade-off ontstond tussen reproductie en overleving.

Aan de ene kant zien we afname van o.a.:

  • sekshormonen in het bijzonder testosteron.
  • lagere groeitempo’s
  • minder seksuele activiteit

Aan de andere kant ontwikkelden de hersenen van de “noordelijke” mensen zich meer omdat men creatiever en intelligenter moest worden om te overleven.

STOFFEN MET EEN NEGATIEVE INVLOED OP TESTOSTERON.

Medicijnen

Verschillende medicijnen kunnen op verschillende manieren de balans tussen vrije androgenen en vrije oestrogenen verstoren:

  • Medicijnen en stoffen met een oestrogene werking of welke de afbraak van oestrogenen remmen
  • Medicijnenwelke de productie van testosteron remmen.
  • Medicijnen welke protactinestijging veroorzaken (anti-dopamine) zoals antipsychotica,  antidepressiva
  • Hoge bloeddruk middelen:
  • Anti-epileptica
  • Overige stoffen zoals: penicillamine, methadon, heroïne, marihuana, cocaïne, opiaten, statines, anabole steroïden.

Chemicaliën(xeno-oestrogenen) uit het milieu

  • Bisphenol (hard plastic)
  • Pthalaten (plastic en cosmetica)
  • Nonylphenolen (schoonmaakproducten)
  • Benzephenonen (cosmetica, zonnebrandcreme’s ,zeep, parfum)

Voeding

  • Hoog suiker of geraffineerd koolhydraat gebruik.
  • Teveel plantaardige oliën, teveel Omega 6.
  • Alcohol
  • Pro-oestrogene voeding (o.a.hop, zoethout (drop), grapefruit, soja producten

Alcohol verminderd de testosteron productie in de testes en verhoogd de omzetting van testosteron naar oestrogenen. Dit geeft bij mannen ongewenst effecten zoals borsten. Op deze manier vermindert alcohol ook de erectie bij de man. Shakespeare verwoordde het in de volgende  oneliner: “Alcohol increases the desire, but decreases the performance”.

ENKELE STOFFEN MET EEN POSITIEVE INVLOED OP TESTOSTERON

Voeding en kruiden

Mucuna pruriens

Rehmannia glutinosa

Coleus forskohlli

Tongkat ali

Maca

Epimedium

Vitamine D

Acetyl-L-Carnitine

Carnitine

Rhodiola rosacea

Magnesium

Zink

Vrij testosteron is de belangrijkste biomarker voor veroudering in mannen.

Bloedwaarden

Laag testosteron is onwaarschijnlijk boven 400 ng/dl

Laag testosteron is duidelijk beneden 200 ng/dl

Tussen 200 en 400 ng/dl moet er vooral naar vrij testosteron gekeken worden.

Vrije testosteron waardes beneden 15 pg/ml moeten als laag worden beschouwd.

Ideaal is tussen 20 en 25pg/ml.

SHBG:

Man:                    20-60nmol/L

Vrouw:                 40-120nmol/L     Postmenopausaal: 28-112nmol/L

Vragenlijst Testosteron tekort:

1.Heb je een verminderd libido of sexdrive?

2.Herstel je langzaam na inspanning?

3.Heb je een vermindering van energie?

4.Heb je verminderde kracht en/of uithoudings vermogen?

5.Heb je een toename van gewicht of overgewicht?

6.Heb je aanhoudende problemen met een goede slaap?

Als je 2 of meer vragen met ja beantwoordt wijst dit in de richting van een testosteron tekort

 

 

http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/18794456

%d bloggers liken dit: