Paleo koken bij omroep P&M

Programma gemist?

Alie Wouda info@natuurpraktijkaurora.nl
Wil je eens een paleo kookworkshop mee maken? volg dan onze facebookpagina

Ziekte van Parkinson ontstaat mogelijk in de darm

Zoals ik in mijn praktijk wel vaker zeg is dat vele ziekte ontstaan vanuit de darmen. Nu las ik een artikel op nu.nl en daar ben ik dan super gelukkig over. Steeds meer en meer dringt het toch door.leakygutcure

Nl.

De ziekte van Parkinson ontstaat mogelijk door darmbacteriën, zeggen Amerikaanse wetenschappers op basis van experimenten met muizen.
De ziekte van Parkinson is een hersenziekte waarbij de zenuwcellen langzaam afsterven en patiënten bijvoorbeeld gaan beven of langzaam het evenwichtsgevoel verliezen.

De onderzoekers programmeerden muizen genetisch om Parkinson te ontwikkelen, schrijft de BBC. Daarbij bleek dat alleen de dieren met bacteriën in de buik symptomen ontwikkelden. Steriele muizen bleven gezond.

Ook werden de symptomen bij de muizen versterkt wanneer bacteriën van menselijke Parkinsonpatienten naar de muizen werden getransplanteerd. Dit was niet het geval als ze bacteriën van gezonde mensen kregen.

Eurekamoment
“Het was een eurekamoment. De muizen waren genetisch identiek, het enige verschil was de aanwezigheid of afwezigheid van darmbacteriën”, vertelt onderzoeker Timothy Sampson van het California Institute of Technology.

De bevindingen zijn gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Cell. Ze kunnen in de toekomst leiden tot nieuwe behandelmethodes voor Parkinson, zoals medicijnen die darmbacteriën doden.

wil je weten hoe ik dit behandel? Maak dan een afspraak met info@natuurpraktijkaurora.nl 

Paleo-kookworkshop bijwonen?

Wil je het nieuwe jaar goed beginnen en weten hoe je #paleo kunt koken? Vanaf januari starten Jacobs Marc en Alie Wouda – van der Tuin met kookworkshops #paleo bij Kookstudio De Garde!
Geef je nu op: er zijn nog plaatsen op 18 en 26 januari en 16 februari! info@kookstudiodegarde.nl voor meer informatie
schermafbeelding-2016-12-08-om-00-22-21

Verder lezen;

paleo

Alie Wouda
Natuurpraktijk aurora
info@natuurpraktijkaurora.nl

Flavonoiden

Flavonoïden
Orthomoleculaire therapie

Beschrijving
De term flavonoïden (ook wel bioflavonoïden genoemd) staat voor een uitgebreide groep secundaire plantenstoffen die als pigmenten een grote bijdrage levert aan de felle kleuren van veel fruAfbeeldingsresultaat voor bioflavonoïdenit, groenten en bloemen, maar ook van de herfstkleuren van bladeren. Ze spelen een belangrijke rol in de plantenstofwisseling, onder meer als groeiregulatoren en bij de bescherming tegen ultraviolet licht, oxidatie en hitte. Door hun bittere smaak helpen ze plantenetende insecten af te schrikken. Omgekeerd helpen ze ook bij de bestuiving, door via de felle kleuren juist bepaalde insecten aan te trekken.

Flavonoïden zijn ontdekt door Albert Szent-Györgyi, één van de belangrijkste chemici uit het begin van de twintigste eeuw. In 1937 kreeg hij de Nobelprijs voor zijn ontdekking en beschrijviAfbeeldingsresultaat voor Albert Szent-Györgying van vitamine C. Het was tijdens het isolatieproces van vitamine C dat Szent-Györgyi de flavonoïden ontdekte [1].

De benaming ‘bioflavonoïden’ of ‘flavonoïden’ is voor het eerst gebruikt in 1952 door de Duitse onderzoekers Geissmann en Hinreiner. Zij staan ook aan de basis van het classificatiesysteem op basis van de structuur van de ‘kern’ van de flavonoïden-basisstructuur: de zuurstofhoudende pyraanring. Meer dan vijfduizend natuurlijk voorkomende flavonoïden zijn inmiddels geïsoleerd uit verschillende planten [2]. Flavonoïden vormen de grootste groep binnen de polyfenolen (meer dan achtduizend polyfenolen bekend) [2-4].

Bronnen en deficiëntie.
Bijna alle fruit, groenten, kruiden (o.a. ginkgo) en specerijen bevatten flavonoïden. Flavonoïden worden ook aangetroffen in ander voedsel, zoals gedroogde bonen (bepalend voor de kleur van rode en zwarte bonen) en granen (waar de kleur als gevolg van flavonoïden meestal geel is). In het algemeen kan gesteld worden dat de meest kleurrijke componenten van het voedsel, zoals de schil van fruit, de hoogste concentraties flavonoïden bevatten. Een uitzondering is de witte pulpachtige massa tussen vrucht en schil bij citrusvruchten, die zeer rijk is aan bioflavonoïden, terwijl de schil en het citrusfruit zelf veel lagere concentraties bevatten. Factoren die bijdragen aan een deficiëntie van flavonoïden zijn onvoldoende inname van groenten en fruit, evenals het routinematig consumeren van industrieel verwerkte groenten en fruit. Symptomen die kunnen wijzen op onvoldoende inname van flavonoïden zijn: zeer gemakkelijk bloeden (tandvlees, neus), gemakkelijk blauwe plekken krijgen die vervolgens maar langzaam verdwijnen en ook het gemakkelijk opzwellen na blessures. Ook immuunzwakte, zich uitend in het gemakkelijk oppikken van een verkoudheid of een andere infectie, kan wijzen op een tekort.

Structuur, nomenclatuur en indeling.
Er bestaan zeer veel soorten flavonoïden. Alle flavonoïden hebben dezelfde karakteristieke chemische basisstructuur: twee aromatische ringen (A en B) aan weerszijden van een zuurstofhoudende pyraanring (C-ring). Omdat er altijd een fenolgroep verbonden is aan één van de benzeenringen, behoren flavonoïden samen met de fenolzuren en de niet-flavonoïde polyfenolen, tot de grote groep van polyfenolen.

Er zijn zes subklassen te onderscheiden, waarbinnen veel verschillende individuele verbindingen voorkomen. Deze verbindingen verschillen van elkaar in het aantal hydroxylgroepen en de ordening ervan, evenals de mate waarin ze ‘bezet’ zijn en de driedimensionale ordening ervan. Dit heeft tot gevolg dat er een grote variëteit aan flavonoïden bestaat, met vaak uiteenlopende biochemische en fysiologische eigenschappen [3,4].

Flavonoïden komen in de natuur meestal voor in de vorm van glycosiden, wat betekent dat ze verbonden zijn met suikermoleculen als glucose, rhamnose en arabinose. Flavanolen (catechinen en proanthocyanidinen) zijn de enige uitzondering hierop, zij zijn niet aan suikermoleculen gebonden (aglycon) [5].

Flavonen
Flavonen komen veel minder wijdverspreid voor dan flavonolen in fruit en groenten. Flavonen in voedsel bestaan bijna altijd uit de glycosiden van luteoline en apigenine. Peterselie Afbeeldingsresultaat voor Peterselie en selderijen selderij zijn de enige belangrijke eetbare bronnen van flavonen die nu bekend zijn [6-8].

FlavonoAfbeeldingsresultaat voor Peterselie en selderijlen
Flavonolen, in het bijzonder quercetine maar ook kaempferol, myricetine, fisetine, isorhamnetine, pachypodol, rhamnazine, komen wijdverspreid voor in het plantenrijk. Niettemin is de hoeveelheid in de voeding vaak erg laag. De dagelijkse inname van flavonolen wordt geschat op slechts 20-35 mg per dag. De rijkste bronnen zijn uien (tot 1,2 g/kg), boerenkool, prei, broccoli en bosbessen.
Flavonolen zijn in geglycosyleerde vorm in voedsel aanwezig. De geassocieerde suikergroep is vaak glucose of rhamnose, maar andere suikers kunnen ook een rol spelen (bijv. galactose, arabinose, xylose, glucuronzuur. De belangrijkste vertegenwoordigers uit deze groep zijn quercetine en kaempferol.
Quercetine is waarschijnlijk de meest wijdverspreide flavonoïde die er is. Het komt voor in voedingsmiddelen die veel geconsumeerd worden, zoals appelen, uien, thee, bessen, koolsoorten evenals veel zaden, noten, bloemen, bast en bladeren, rode druiven, frambozen, groene thee en knoflook. Veel medicinale planten danken veel van hun activiteit aan het hoge quercetinegehalte. Quercetine is een aglycon, rutine is het glycoside (met rutinose). In voedingssupplementen is de groep flavonolen vertegenwoordigd als quercetine of rutine, maar ook in de vorm van extracten van medicinale planten als Ginkgo biloba. Ook sylimarine, een mengsel van flavonolignanen uit Silybum marianum (mariadistel) behoort tot deze groep, evenals het floridzine in appels.

Isoflavonen
Isoflavonen worden vanwege hun structurele verwantschap met oestrogenen ook wel aangeduid als plantenhormonen of fyto-oestrogenen. Hoewel ze geen steroïden zijn, hebben ze hydroxylgroepen in positie 7 en 4 in een configuratie die analoog is aan die van de hydroxylgroep in het oestradiolmolecule. Dit geeft hen het vermogen om te binden aan oestrogeenreceptoren. Isoflavonen worden uitsluitend in peulvruchten aangetroffen en dan met name in sojabonen. De drie belangrijkste isoflavonen zijn genisteïne, daïdzeïne en glyciteïne. Ze komen voor als alglycon of als glycoside, afhankelijk van de sojabereiding. De wetenschappers zijn er nog niet over uit in welke van deze vormen de biologische beschikbaarheid het beste is [9].

Flavanonen
De groep flavanonen is een relatief kleine groep flavonoïden, die alleen in hoge concentraties voorkomt in citrusvruchten. Daar komen ze in geglycosyleerde vorm voor, zoals bijvoorbeeld hesperidine in sinaasappels (glycoside van hesperetine), naringenine in grapefruit (glycoside van naringine), eriodictyol in citroenen (glycoside van eriocitrine). Tomaat kan een geringe hoeveelheid flavanonen bevatten, evenals aromatische planten als munt. In voedingssupplementen komt deze groep flavonoïden terug in de vorm van ‘citrusbioflavonoïden’.

Anthocyaninen
De groep anthocyaninen zijn pigmenten die verantwoordelijk zijn voor de roze, rode, blauwe of paarse kleur van bepaalde voedingsmiddelen. In het algemeen komt de kleurintensiteit overeen met het gehalte anthocyaninen, en neemt deze toe met het rijpen van de vrucht. In de voeding komen anthocyaninen voor in rode wijn, bepaalde granen en sommige groenten (aubergines, kool, bonen, uien, radijs), maar ze komen het meest voor in fruit. Wijn bevat 200-350 mg anthocyaninen per liter en deze anthocyaninen worden in verschillende complexe verbindingen omgezet wanneer de wijn rijpt [10,11]. In voedingssupplementen zijn de anthocyaninen het meest geconcentreerd in de extracten van Vaccinium myrtillus (blauwe bosbes), Rubus fruticosus (braam), Rubus idaeus (framboos), Ribes nigrum (zwarte bes) en Sambucus nigra (vlier).

Flavanolen
In tegenstelling tot andere klassen flavonoïden, komen flavanolen ongeglycosyleerd voor in voedsel.
Flavanolen komen vaak in combinatie met organische zuren voor, hoofdzakelijk met galluszuur, als flavanol-gallaatesters. Cacao is een rijke bron van flavanolen. Veel chocoladefabrikanten verwijderen echter de flavanolen omdat ze bitter smaken. Consumenten blijven daar onwetend over omdat dergelijke informatie niet op het etiket hoeft te worden vermeld [12].
Alle flavanolen zijn opgebouwd uit één of meer flavan-3-ol eenheden. Een gebruikelijke onderverdeling van deze groep is de volgende:
* Monomeren: er bestaan twee stereo-isomeren van flavan-3-ol: catechine en epicatechine. Catechinen worden aangetroffen in verschillende soorten fruit (vooral verse abrikozen). Ze komen ook voor in rode wijn, maar groene thee en cacao zijn verreweg de rijkste bronnen [13,14]. Ook medicinale planten, zoals bijvoorbeeld Camellia sinensis (groene thee) kunnen rijk zijn aan catechinen. In voedingssupplementen zijn de laatste drie dan ook de beste bron voor deze groep flavonoïden.
* Di- en trimeren: dit zijn oligomere proanthocyanadinen (OPC), welke (onder meer in Frankrijk) ook wel procyanidinen worden genoemd. De groep (oligomere) proanthocyanidinen is één van de belangrijkste groepen flavonoïden in planten. Het zijn mengsels van dimeren en trimeren van catechinen en epicatechinen die op verschillende manieren aan elkaar verbonden kunnen zijn, waardoor er heel veel varianten bestaan. OPC komt met name voor in bessen (bosbessen, appelbessen (Aronia), cranberries), druivenschillen en -pitten granaatappel en in donkere chocolade. In voedingssupplementen zijn druivenpitten een goede OPC-bron. Pycnogenol is een geregistreerde merknaam van een OPC-product dat geëxtraheerd wordt uit de bast van de zeeden (Pinus pinaster). Pycnogenol bevat iets minder procyanidinen dan druivenpitten.
Proanthocyanidinen mogen niet verward worden met de hiervoor genoemde anthocyaninen. Ze kunnen echter wel enzymatisch in elkaar worden omgezet, waarbij een roodkleuring plaatsvindt: ”’PRO”’anthocyani”’DI”’nes (kleurloos) —> anthocyanines (rood). Deze omzetting is bijvoorbeeld mede verantwoordelijk voor het verkleuren van boombladeren in de herfst.
* Tetrameren en hoger: polymere proanthocyanidinen (tanninen). Tanninen komen veel in voedsel voor, onder andere in thee, cacao, koffie, fruit, vruchtensap, rode wijn, azijn en groenten. Wanneer tanninen in contact komen met slijmvliezen vormen ze complexen met proteïnen (crosslinking) in zowel het speeksel zelf als de epitheelcellen van de mucosa. De mucosa wordt vervolgens steviger en minder permeabel. Dit mechanisme ligt aan de basis van de adstringerende karakter van fruit (o.a. druif, perzik, kaki, appel, peer en bessen) en dranken (o.a. wijn, cider, thee, bier) en voor de bitterheid van chocolade [15]. Deze adstringerende werking verandert bij het rijpen van fruit en ook van dranken zoals wijn en cider en verdwijnt wanneer het fruit uitgerijpt is [16]. Omdat tanninen grote polaire moleculen zijn, worden ze slecht geabsorbeerd door de huid of door het maagdarmkanaal. De farmacologische effecten van tanninen moeten dan ook grotendeels verklaard worden uit de lokale effecten op deze organen, zoals de adstringerende werking in het lumen van het maagdarmkanaal. Hoewel tanninen deels ook afgebroken kunnen worden in hun monomeren en oligomeren.

Werking
Vroeger ging men ervan uit dat flavonoïden in het maagdarmkanaal slechts in geringe mate werden opgenomen, aangezien de meeste flavonoïden in de voeding glycosiden zijn (dus gebonden aan een suiker). Lang is gedacht dat er in het maagdarmkanaal geen enzymen vrijgemaakt worden die de glycosidebinding kunnen splitsen, en was de veronderstelling dat alleen de aglyconen vanuit het maagdarmkanaal in het bloed werden opgenomen. De biologische beschikbaarheid van flavonoïden in de voeding blijkt echter een stuk groter te zijn dan aanvankelijk werd verondersteld. Zelfs na koken bereiken de meeste flavonoïdenglycosiden de dunne darm intact. Alleen flavonoïd aglyconen en flavonoïd glucosiden (gebonden aan glucose) worden in de dunne darm geabsorbeerd, waar ze snel gemetaboliseerd worden om gemethyleerde, geglucuronideerde of gesulfeerde metabolieten te vormen [17], de overige flavonoïden gaan door naar het colon. Probiotische bacteriën spelen een belangrijke rol in de stofwisseling en absorptie van flavonoïden. Flavonoïden of metabolieten daarvan die het colon bereiken, worden gemetaboliseerd door bacteriële enzymen en vervolgens geabsorbeerd. Iemands vermogen om specifieke flavonoïden te metaboliseren en te absorberen hangt dus af van de microbiële flora van die persoon [18,19]. Traditionele sojaproducten als miso en tempeh zijn al bij consumptie gefermenteerd, wat resulteert in de hydrolyse van glycosiden naar aglyconen. Hierdoor neemt de biologische beschikbaarheid toe. Bovendien zijn recent speciale transportmechanismen ontdekt die flavonoïden vanuit de darm naar het bloed transporteren.

Bij de beschrijving van de eigenschappen van flavonoïden is het verleidelijk om in te gaan op enkele kenmerkende eigenschappen van bepaalde individuele flavonoïden of ondergroepen. Vanwege de enorme hoeveelheid flavonoïden en de uiteenlopende eigenschappen is dat eigenlijk onbegonnen werk. Vandaar dat deze monografie zich richt op enkele kenmerkende eigenschappen voor flavonoïden als groep. Hierbij moet opgemerkt worden dat onderstaande eigenschappen niet persé voor alle flavonoïden gelden, maar wel voor flavonoïden in een flavonoïdencomplex:
* Antioxidatieve activiteit: flavonoïden hebben een directe antioxidatieve werking (in vitro) die veel krachtiger is dan die van andere antioxidanten, zoals vitamine C, vitamine E of glutathion. Deze antioxidatieve werking hangt waarschijnlijk samen met hun polyfenolenstructuur [20,21]. Het is echter nog onderwerp van wetenschappelijke discussie in hoeverre deze sterke antioxidatieve capaciteit in het lichaam een rol speelt [22,23]. Een bekende maat voor de antioxidatieve capaciteit is de ORAC-waarde (zie kader).

ORAC (Oxygen Radical Absorbance Capacity) is een in-vitro test om de antioxidatieve capaciteit van voedingsmiddelen en voedingssupplementen te kunnen vergelijken. De ORAC-waarde geeft een idee van de mate waarin een voedingsmiddel in staat is om vrije radicalen onschadelijk te maken. De ORAC-waarde kan gemeten worden in de vetfractie (lipofiel) of in de waterfractie (hydrofiel). De som van beiden geeft de meest accurate benadering van de antioxidatieve capaciteit. Regelmatig wordt alleen de hydrofiele fractie bepaald (als dat het geval is, is dat hieronder vermeld). De ORAC-waarde kan gebruikt worden om producten te selecteren die in hoge mate bijdragen aan de antioxidatieve capaciteit van het lichaam.

Een aantal typische ORAC-waarden:

  • Bosbessen 6552 umol TE/100 g (H & L).
  • Pruimen 6259 umol TE/100 g (H & L).
  • Zwarte bessen 5347 umol TE/100 g (H & L).
  • Frambozen 4882 umol TE/100 g (H & L).
  • Aardbeien 3577 umol TE/100 g (H & L).
  • Kersen 3365 umol TE/100 g (H & L).
  • Broccoli (rauw) 3083 umol TE/100 g (H & L).
  • Rozijnen 3037 umol TE/100 g (H & L).
  • Sinaasappels 1819 umol TE/100 g (H & L).
  • Spinazie (rauw) 1515 umol TE/100 g (H & L).
  • Alfalfa 1510 umol TE/100 g (alleen H).
  • Rode druiven 1260 umol TE/100 g (alleen H).
  • Ui (rauw) 1034 umol TE/100 g (H & L).
  • Aubergine 933 umol TE/100 g (H & L).
  • Wortels 666 umol TE/100 g (H & L).
  • Pompoen 483 umol TE/100 g (H & L).
  • Bloemkool 620 umol TE/100 g (alleen H).

Bron: Agricultural Research Service (ARS) 2007: 

* Beschermen van de capillairen of haarvaten, bloedstelpende (antihemorrhagische) werking: veel flavonoïden hebben vaatwandversterkende eigenschappen. Grote gevoeligheid voor bloedingen is ook één van de kenmerkende eigenschappen van flavonoïdendeficiëntie.
* Chelatie van metalen: metaalionen, zoals ijzer en koper, kunnen de productie van vrije radicalen kataliseren. Het vermogen van flavonoïden om metaalionen te binden (cheleren) lijkt bij te dragen aan hun antioxidatieve kracht in vitro [24]. Of dit ook in vivo het geval is, is nog maar de vraag, aangezien in de meeste levende wezens koper en ijzer gebonden aan eiwitten voorkomen. Dit beperkt de mogelijkheden om deel te nemen aan reacties die vrije radicalen produceren [23].
* Beïnvloeden van celgroei en celproliferatie: celgroei en celproliferatie worden gereguleerd door groeifactoren die in de cel een cascade aan gebeurtenissen in gang zetten wanneer een groeifactor aandokt aan een specifieke receptor in de celmembraan. Diverse in-vitro onderzoeken wijzen er op dat flavonoïden celgroei en celproliferatie kunnen beïnvloeden door het remmen van de fosforylatie van de receptor, of het zelfs geheel blokkeren ervan [25-27].
* Invloed op genexpressie: flavonoïden hebben een regulerende werking op de genexpressie. Door het al of niet fosforyleren van bepaalde signaaleiwitten kunnen flavonoïden (via kinasen) uiteindelijk de activiteit van transcriptiefactoren beïnvloeden. Transcriptiefactoren zijn eiwitten die de expressie van verschillende genen reguleren. Op deze wijze spelen flavonoïden een rol bij diverse belangrijke processen in de cel, zoals groei, proliferatie en apoptose (celdood) [3,4].
* Antibacteriële en antivirale werking: in sommige gevallen kunnen flavonoïden direct als antibioticum werken door de functie van micro-organismen als virussen en bacteriën te verstoren. De procyanidinen in Vaccinium myrtillus (blauwe bosbes) en cranberry (veenbes) remmen de werking van bacteriën die urineweginfecties veroorzaken. Ook is van verschillende flavanolen uit groene thee een werking tegen griepvirussen aangetoond [3,4].
* Anti-histaminewerking: flavonoïden hebben een remmende werking op de vrijgifte van histamine [28].

Indicaties
Vanwege het enorme aantal flavonoïden en hun uiteenlopende eigenschappen zijn zeer veel indicaties waarbij specifieke flavonoïden(ondergroepen) ingezet kunnen worden. In dit kader zal ik me beperken tot de toepasbaarheid van flavonoïden als groep [3,4]:
* Gevoeligheid voor bloedingen (tandvlees, neus).
* Immuunzwakte.
* Cardiovasculaire aandoeningen.
* Allergische aandoeningen.

Opgemerkt moet wel worden dat bij inzetten van individuele flavonoïden(groepen) bovenstaande lijst niet van toepassing is.

Contra-indicaties
Van een hoge inname van flavonoïden via fruit- en groenten zijn geen negatieve gevolgen bekend. Dit kan komen door de relatief lage biologische beschikbaarheid en de snelle stofwisseling en eliminatie van de meeste flavonoïden. Over de veiligheid tijdens zwangerschap en lactatie zijn geen gegevens bekend.

Bijwerkingen
Door de grote verscheidenheid aan stoffen die deel uitmaken van de groep flavonoïden, is het moeilijk een algemeen geldende uitspraak te doen over de veiligheid van flavonoïden. Niettemin kunnen er geen negatieve gevolgen worden vastgesteld van zelfs extreem hoge doseringen flavonoïden (overeenkomend met 140 gram per dag). Ook van het innemen van hoge doseringen flavonoïden tijdens de zwangerschap konden geen negatieve effecten worden vastgesteld.

Interacties
De invloed van medicijnen op de flavonoïdenstatus is nauwelijks tot niet onderzocht. Omgekeerd is er echter wél het één en ander bekend: een aantal flavonoïden in grapefruitsap (naringine en quercetine) remt het cytochroom P450-enzym (CYP) 3A4 [29]. Remming van dit enzym, verhoogt de biologische beschikbaarheid en het risico op intoxicatie voor een groot aantal medicijnen. Remming van CYP 3A4 treedt al op bij één glas (200 ml) grapefruitsap. Het zijn echter niet alleen de flavonoïden die dit enzym remmen, maar (vooral) ook de furanocoumarines in grapefruitsap.

Dosering
Door verschillende inzichten over wat betrouwbare meetmethoden voor flavonoïden zijn, zijn er momenteel weinig betrouwbare cijfers over de flavonoïdeninname. Voor Nederland worden de cijfers van Hertog en collega’s als betrouwbaar beschouwd [30]. Zij kwamen tot de conclusie dat men dagelijks gemiddeld ongeveer 23 mg binnenkrijgt, terwijl het raadzaam zou zijn minstens 100 mg per dag in te nemen [30].
Per individu kan de inname van flavonoïden sterke variaties vertonen, afhankelijk van de inname van belangrijke bronnen als (groene en witte) thee, druiven, rode wijn, bessen, citrusvruchten, peulvruchten [31], cacao (chocoladeproducten met een cacaopercentage van 70% of meer), appels en uien [17,32].

Synergisme
Wat Szent-Györgyi al dacht is nu bevestigd door wetenschappelijk onderzoek: er is een synergistische relatie tussen flavanoïden en vitamine C, elk verbetert de antioxidatieve capaciteit van de ander. Tevens blijkt dat bij veel van de vitaminenfuncties van vitamine C de aanwezigheid van flavonoïden nodig is.

 

img_2777Wil je hulp bij herstel van een van bovengenoemde klachten, maak dan een afspraak: info@natuurpraktijkaurora.nl

 

 

Referenties
1. Rusznyak SP, Szent-Gyorgyi A. Vitamin P: flavonols as vitamins. Nature. 1936;138:27.
2. Ross JA, Kasum CM. Dietary flavonoids: bioavailability, metabolic effects, and safety. Annu Rev Nutr. 2002;22:19-34.
3. Flavonoids: Chemistry, Biochemistry and Applications. Andersen ØM, Markham KR, editor. CRC Publication; 2005.
4. Grotewold E. The science of flavonoids. Springer; 2005.
5. Williamson G. Common features in the pathways of absorption and metabolism of flavonoids. In: Davies AJ, Lewis DS, et al., editors. Phytochemicals: Mechanisms of Action Boca Raton: CRC Press; 2004. p. 21-33.
6. King HGC. Phenolic compounds of commercial wheat germ J Food Sci. 1962;27:446-54.
7. Feng Y, McDonald CE, Vick BA. C-glycosylflavones from hard red spring wheat bran Cereal Chem. 1988;65:452-6.
8. Sartelet H, Serghat S, Lobstein A, et al. Flavonoids extracted from fonio millet (Digitaria exilis) reveal potent antithyroid properties. Nutrition. 1996;12(2):100-6.
9. Manach C, Williamson G, Morand C, et al. Bioavailability and bioefficacy of polyphenols in humans. I. Review of 97 bioavailability studies. Am J Clin Nutr. 2005;81(1 Suppl):230S-42S. GRATIS: http://www.ajcn.org/cgi/content/full/81/1/230S.
10. Clifford MN. Anthocyanins – nature, occurrence and dietary burden J Sci Food Agric. 2000;80(7):1063-72. GRATIS: http://www3.interscience.wiley.com/cgi-bin/fulltext/72502495/HTMLSTART.
11. Es-Safi NE, Cheynier V, Moutounet M. Interactions between cyanidin 3-O-glucoside and furfural derivatives and their impact on food color changes. J Agric Food Chem. 2002;50(20):5586-95.
12. The devil in the dark chocolate. Lancet. 2007;370(9605):2070.
13. Arts IC, van De Putte B, Hollman PC. Catechin contents of foods commonly consumed in The Netherlands. 2. Tea, wine, fruit juices, and chocolate milk. J Agric Food Chem. 2000;48(5):1752-7.
14. Arts IC, van de Putte B, Hollman PC. Catechin contents of foods commonly consumed in The Netherlands. 1. Fruits, vegetables, staple foods, and processed foods. J Agric Food Chem. 2000;48(5):1746-51.
15. Santos-Buelga C, Scalbert A. Proanthocyanidins and tannin-like compounds: nature, occurrence, dietary intake and effects on nutrition and health. Journal of the Science of Food and Agriculture. 2000;80(7):1094-117.
16. Tanaka T, Takahashi R, Kouno I, et al. Chemical evidence for the de-astringency (insolubilization of tannins) of persimmon fruit J Chem Soc [Perkin 1]. 1994;:3013-22.
17. Manach C, Scalbert A, Morand C, et al. Polyphenols: food sources and bioavailability. Am J Clin Nutr. 2004;79(5):727-47. GRATIS: http://www.ajcn.org/cgi/content/full/79/5/727.
18. Setchell KD, Brown NM, Lydeking-Olsen E. The clinical importance of the metabolite equol-a clue to the effectiveness of soy and its isoflavones. J Nutr. 2002;132(12):3577-84. GRATIS: http://jn.nutrition.org/cgi/content/full/132/12/3577.
19. Yuan JP, Wang JH, Liu X. Metabolism of dietary soy isoflavones to equol by human intestinal microflora–implications for health. Mol Nutr Food Res. 2007;51(7):765-81.
20. Heijnen CG, Haenen GR, van Acker FA, et al. Flavonoids as peroxynitrite scavengers: the role of the hydroxyl groups. Toxicol In Vitro. 2001;15(1):3-6.
21. Chun OK, Kim DO, Lee CY. Superoxide radical scavenging activity of the major polyphenols in fresh plums. J Agric Food Chem. 2003;51(27):8067-72.
22. Lotito SB, Frei B. Consumption of flavonoid-rich foods and increased plasma antioxidant capacity in humans: Cause, consequence, or epiphenomenon? Free Radic Biol Med. 2006;41(12):1727-46.
23. Frei B, Higdon JV. Antioxidant activity of tea polyphenols in vivo: evidence from animal studies. J Nutr. 2003;133(10):3275S-84S. GRATIS: http://jn.nutrition.org/cgi/content/full/133/10/3275S.
24. Mira L, Fernandez MT, Santos M, et al. Interactions of flavonoids with iron and copper ions: a mechanism for their antioxidant activity. Free Radic Res. 2002;36(11):1199-208.
25. Hou Z, Lambert JD, Chin KV, et al. Effects of tea polyphenols on signal transduction pathways related to cancer chemoprevention. Mutat Res. 2004;555(1-2):3-19.
26. Williams RJ, Spencer JP, Rice-Evans C. Flavonoids: antioxidants or signalling molecules? Free Radic Biol Med. 2004;36(7):838-49.
27. Lambert JD, Yang CS. Mechanisms of cancer prevention by tea constituents. J Nutr. 2003;133(10):3262S-7S. GRATIS: http://jn.nutrition.org/cgi/content/full/133/10/3262S.
28. Kawai M, Hirano T, Higa S, et al. Flavonoids and related compounds as anti-allergic substances. Allergol Int. 2007;56(2):113-23. GRATIS: http://ai.jsaweb.jp/fulltext/056020113/056020113_index.html.
29. Bailey DG, Dresser GK. Interactions between grapefruit juice and cardiovascular drugs. Am J Cardiovasc Drugs. 2004;4(5):281-97.
30. Hertog MG, Hollman PC, Katan MB, et al. Intake of potentially anticarcinogenic flavonoids and their determinants in adults in The Netherlands. Nutr Cancer. 1993;20(1):21-9.
31. EwaldFjelkner-Modig EC, Johansson K, et al. Effect of processing on major flavonoids in processed onions, green beans, and peas. In: Food Chem. 1999. p. 231-5.
32. Slimestad R, Fossen T, Vågen IM. Onions: a source of unique dietary flavonoids. J Agric Food Chem. 2007;55(25):10067-80.

Vergoeding alternatieve geneeswijzen 2017

Wil je voor vergoeding van alternatieve geneeskunde in aanmerking komen? Sluit dan de volgende verzekering af.

vergoedingen-per-jan-2017

img_7362

Candida

Bijna iedereen heeft van nature gisten en schimmels op de huid en slijmvliezen. Meestal merkt men daar weinig van. Wanneer zich door omstandigheden een verandering in de darmflora voordoet, kan de normale gistvorm van de candida overgaan in een schimmelvorm van candida. Vanuit de darmen kan deze candida schimmel zich via het bloed naar andere delen van het lichaam verspreiden. Dit kan leiden tot een (chronische) candida-infectie. Een candida-infectie is een zeer vervelend en ook hardnekkig probleem dat verantwoordelijk kan zijn voor maanden tot zelfs jaren van chronische klachten zoals het chronisch vermoeidheidssyndroom en fibromyalgie. Ook andere lichamelijke klachten zoals een prikkelbare darm en migraine komen voor bij mensen met een candida-infectie.

Wat is Candida?

candida_albicans-667

Candida is een gist die in evenwicht leeft met de van nature aanwezige bacteriën in de darmen die er voor zorgen dat er net genoeg voedsel is voor deze gisten. De candidagist is onderdeel van de darmflora en in kleine hoeveelheden aanwezig kan het geen kwaad en wordt het vaak niet opgemerkt. De candida gist leven o.a. van suikers. Als het evenwicht in de darmflora verstoord is kan de candida gist overgaan in een candida schimmel. Het verschil tussen een schimmel en een gist is dat een schimmel groeit in de vorm van draadjes en een gist groeit in de vorm van bolletjes. Candida albicans kan beide vormen aannemen, onder de microscoop kunnen zowel draden als bolletjes te zien zijn.

Verstoord evenwicht

Een verstoord evenwicht door bijvoorbeeld een antibioticakuur of een andere reden van verminderde weerstand, kan er voor zorgen dat een candida-infectie (ook candidiasis genoemd) zich openbaart. De candidaschimmel vestigt zich in eerste instantie in de darmflora waarna ze in de bloedbaan lekt door de minuscule openingen in de darmwand. Het immuunsysteem verzwakt, er is minder weerstand en men is sneller vatbaar voor ziekten. Aan de andere kant was het immuunsysteem al verzwakt door de candidaschimmel die zich had vermeerderd. Het betekent dus iemand met een candida-infectie in een vicieuze cirkel terecht komt waarbij het imuunsysteem verder wordt verzwakt. Een candida-infectie is meestal relatief onschuldig en kan vrij goed behandeld worden.

Wanneer candida in het bloed terecht is gekomen, kan het in uitzonderlijke gevallen wel gevaarlijk zijn. Er kan een veralgemeende of systemische candidiasis ontstaan welke alleen voor komt bij ernstig zieke mensen met een sterk verminderde weerstand zoals bijvoorbeeld mensen die een orgaantransplantatie hebben ondergaan, bij mensen met kanker na een chemokuur of bij aidspatiënten. De klachten van een veralgemeende of systemische candidiasis zijn niet altijd erg duidelijk, omdat deze mensen vaak al erg ziek zijn en reeds hoge koorts hebben.

Diagnose

Klachten geven aan dat er iets in het lichaam niet in orde is. Dat kan de darmflora zijn, of de verhouding tussen zuren en basen, tussen goede en slechte vetten, of wat dan ook. Disbalans in de darmen bijvoorbeeld creëert een voedingsbodem voor een overmatige groei van ongewenste gisten en/of schimmels.

Dit kan Candida Albicans zijn, maar evengoed kan het een andere zijn:

1.       een andere schimmel, zoals lachancea, aspergillus of bijvoorbeeld cryptococcus
2.       een (slechte) bacterie, zoals salmonella, e. coli, pseudomonia, yersinia etc.
3.       een andere parasiet

Er zijn verschillende manieren om overgroei van candidagisten in het lichaam aan te tonen:

1. Het bloed op kweek zetten.
Het nadeel van deze methode is dat het een paar dagen duurt voordat de uitslag of er sprake is van candida, bekend is en dat er een relatief grote kans is op vals-negatief, er zijn namelijk meerder schimmels of gisten die hetzelfde diagnostisch beeld geven. De test valt dan negatief uit terwijl er wel degelijk candidaklachten zijn, er zullen daarom meerdere tests gedaan moeten worden om te voorkomen dat er een verkeerde behandeling wordt gestart.

2. Ontlasting of urine testen.
Candida komt ook voor bij gezonde mensen in het lichaam, in urine, slijmvliezen en ontlasting. Dat zegt nog niets over de overmatige of wildgroei van candida. In de orthomoleculaire geneeskunde wordt onderzoek gedaan naar de darmflora en de bepaling van antistoffen. De aanwezigheid van overmatige of wildgroei van candidagisten zegt niets over de toestand van het bloed.

3. Afscheiding (bijvoorbeeld oraal of vaginaal) onder de microscoop bekijken.
Deze methode biedt de meeste zekerheid tot een positieve diagnose leiden, maar wat zegt het precies? Waar bevindt candida zich nog meer in het lichaam? En niet iedereen heeft last van afscheiding, dus niet iedereen valt hierop te onderzoeken.

4. Punten- of vragenlijst met veel voorkomende, candida-gerelateerde klachten.
Er bestaan vragenlijsten waarbij alle candida-klachten worden ingevuld, dat is een goede methode maar blijft subjectief.

5. De levend bloedanalyse.
Sommige artsen beschikken over apparatuur waarmee ze bloed sterk kunnen uitvergroten en als filmpje vastleggen. Ziektekiemen als candida albicans worden zo visueel aangetoond.

Tal van symptomen zijn gelinkt aan een candida-infectie:

  • extreme zin in suikers
  • chronische vermoeidheid
  • behoefte aan slapen
  • lusteloosheid
  • wisselende bloedsuikerspiegel
  • jeuk/eczeem
  • wazig zien, dubbel zien
  • snel blauwe plekken krijgen
  • een ‘duf’ hoofd
  • kouwelijk
  • spierzwakte
  • blaasontstekingen
  • huidproblemen
  • astma
  • gewichtstoename
  • voedselallergieën
  • pijnlijke uitslag voor op de tong en de slijmvliezen van de wangen
  • migraine
  • kloofjes in de mondhoeken
  • maag- en darmklachten: zoals brandend maagzuur, flatulentie, opgeblazen gevoel en prikkelbare darm syndroom
  • kanker
  • opgeblazen buik
  • darmrommelingen
  • slechte adem
  • jeuk aan de anus
  • pijnlijke tepels
  • depressie
  • pijnlijke penis
  • vaginale afscheiding
  • chronische diarree
  • extreme vermoeidheid na het eten
  • mentale verwardheid
  • slecht geheugen
  • huilbuien
  • angstaanvallen
  • weinig zin in seks
  • onvruchtbaarheid
  • steeds terugkerende infecties aan bijholte, ogen, neus, keel, eierstokken
  • toegenomen overgevoeligheid voor voedsel, additieven, huiddieren, pollen, chemicaliën, tabak en parfum.
  • pijnlijke gewrichten
  • zware benen

De symptomen van candida zijn erg gevarieerd. Dit komt omdat de candida-infectie vele systemen in het lichaam aanspreekt:

  • spijsverteringsstelsel (mond tot anus)
  • hart- en bloedvatenstelsel (hart, bloedvaten, bloed)
  • ademhalingsstelsel (neus, luchtpijp, longen)
  • hormoonstelsel (hypothalamus, hypofyse, schildklier, alvleesklier en bijnieren)
  • zenuwstelsel (hersenen, ruggenmerg, zenuwen)
  • uitscheidingsstelsel (nieren, ureters, blaas, uretha)
  • voortplantingsstelsel (geslachtsorganen, baarmoeder)
  • immuunsysteem

Meest voorkomende varianten van candida

Ondanks dat de lange lijst van door candida veroorzakende symptomen lang en gevarieerd is, zijn er een aantal varianten die het meest voorkomen:

Vaginale gistinfectie: Bijna 75 procent van de vrouwen heeft op zijn minst een keer in haar leven een candida-infectie. Deze veelvoorkomende en vervelende aandoening ontstaat wanneer de zuurgraad van de vagina verandert, wat candida gist de kans geeft om toe te slaan. Er volgt een heftige jeuk, een brandend gevoel bij het plassen en dikke, witte afscheiding. Vrijen en plassen is daardoor erg pijnlijk. Vaak wordt bij een candida-infectie antibiotica voorgeschreven, terwijl dit juist de goede bacteriën doodt en het onderliggende probleem alleen maar groter maakt. Daarnaast werken hormonale veranderingen en zwangerschap gistvorming o.a. een candida-infectie in de hand.

Spruw: Deze vorm van candida-infectie veroorzaakt witgele plekjes in de mond, wat een veelvoorkomend symptoom is van mensen met een verlaagde werking van het immuunsysteem. Dit kan zich verspreiden richting de slokdarm, wat slikken moeilijker en pijnlijk maakt. Een candida-infectie in de mond kan in de hand gewerkt worden door het gebruik van medicijnen die geïnhaleerd worden (bijvoorbeeld bij astma).

Lekkende darmsyndroom: Door een verstoord balans tussen gist en goede bacteriën kan in de darmen dysbiose ontstaan. Dit houdt in dat er rottings- en gistingsprocessen in de darmen plaatsvinden. Hierdoor kan de candida zich in de darmwand boren en kleine gaten graven. Gist produceert 180 giftige bijprodukten, die komen allemaal vrij in het spijsverteringskanaal en dringen zo het bloed binnen. Vervolgens worden de bijprodukten door het hele lichaam verspreid en maakt dit een gevaarlijke zaak met als gevolg o.a. ziekten als psoriasis, depressie en blaasontstekingen.
Door het lekkende darmsyndroom raakt de schildklier uit balans waardoor er cortisol geproduceerd wordt. Dit kan tot auto-immuunziekten en gewichtstoename leiden.

Medici aan een immunologisch laboratorium in Lyon hebben in 2008 een onderzoek gedaan naar candida. Uit dit onderzoek bij mensen met vermoeidheidsklachten bleek dat hun afweer heftig reageert op candida albicans. Hierdoor worden er stoffen geproduceerd die klachten zoals vermoeidheid veroorzaken. Tevens toont het onderzoek alleen de gevolgen aan van candida in het bloed. Maar die gevolgen kunnen ook door andere ziektekiemen worden veroorzaakt. Er is helaas nog geen onafhankelijke, objectieve medische test die uitkomst biedt.

Is er een relatie Candida-Kanker

Volgens Dr. Tullio Simoncini, oncoloog en auteur van “Cancer is Fungus”, is de basisoorzaak van kanker schimmels. Zijn onderzoek heeft hem er van overtuigd dat candida de veroorzaker is van kanker en dat de ziekte zelf een schimmel is. In een poging het lichaam te beschermen tegen deze schimmel vormt het een tumor.

Tussen 79 en 97 procent van de kankerpatiënten bleek last te hebben van candida-klachten. Daardoor zou het denkbaar zijn de kanker te behandelen met antischimmelmedicatie. Echter, een candidaschimmel kan zich aanpassen aan een nieuwe omgeving. Daardoor zijn deze middelen kansloos. Dr. Simoncini gelooft dat kanker behandeld kan worden door in de tumor sodium bicarbonaat te injecteren. De kans is groot dat de schimmel geen tijd heeft om zich aan te passen en daardoor snel verdwijnt aldus zijn mening. Wetenschappelijke bewijzen hiervan zijn in Nederland niet bekend.

Risicofactoren

Bij het ontstaan van een candida-infectie spelen omstandigheden een rol:

  • hormonale factoren zoals zwangerschap, anticonceptie en oestrogeenbehandeling kunnen een vaginale schimmelinfectie veroorzaken. De periode van menstruatie kan een vrouw gevoeliger maken.
  • antibiotica doodt naast schadelijke ook nuttige bacteriën waardoor gisten meer kans krijgen zich te vermenigvuldigen
  • langdurig gebruik van corticosteroïden
  • chemotherapie en bestraling
  • langdurig gebruik van anticonceptiepil
  • wanneer suikerziekte niet goed behandeld wordt, is er ook meer kans op schimmelinfecties
  • genetische factoren
  • spruw (candida-infectie in de mond). Deze kan ontstaan door het gebruik van medicijnen die geïnhaleerd worden zoals bij astma.
  • chronische ziekten, door een combinatie van risicofactoren
  • wisselende seksuele contacten, veelvuldige en/of orale en anale seks zouden mogelijk de kans op een infectie in de hand werken
  • het eten van veel koolhydraten en suikers (o.a. in fastfood, snoep en kant-en-klaarprodukten) zou candida erger kunnen maken omdat suikers een voedingsbron zijn voor gisten
  • langdurige blootsstelling aan in- en uitwendige gifstoffen (kwik, lood, alcohol, amalgaamvullingen in het gebit)
  • het eten van gist (in bijv. brood), schimmelkazen, champignons, de meeste fruitsoorten, alle koolsoorten, vele groenten en alcohol kunnen candida verergeren.
  • verder kan het weer invloed hebben, vooral wanneer het warm, benauwd en vochtig is.
  • langdurige blootstelling aan (negatieve) stress
  • chronisch tekort aan vitamine B12

Besmetting

Hoewel de candida-gist van de ene op de andere persoon kan worden overgebracht (bijv. van moeder op kind of omgekeerd, tussen seksuele partners), gaat het niet echt om een besmetting in de traditionele betekenis van het woord.

Candida wordt niet beschouwd als een besmettelijke ziekte en al helemaal niet als een seksueel overdraagbare aandoening.
De partner van een persoon met een vaginale candida-infectie hoeft niet per definitie voor candida meebehandeld te worden.
Bij baby’s met spruw of wanneer een moeder die borstvoeding geeft een candida-infectie van de tepels heeft, moeten zowel moeder en kind behandeld worden, omdat ze de infectie wel aan elkaar kunnen doorgeven.

Hygiëne voorkomen van candida

Mondinfectie (spruw)

  • Bij zuigelingen is een goede hygiëne extra belangrijk. Bij het geven van borstvoeding is het verstandig om handen en tepels voor iedere voeding te wassen met lauwwarm water.
  • Spenen (van flesjes) kunnen het beste dagelijks uit gekookt worden en bewaard op een droge en schone plaats.

Tepelinfectie

  • Dagelijks een schone beha aan en was beha’s liefst op 60 °C.
  • Tepels moeten zoveel mogelijk aan de lucht drogen na de voeding.
  • Vermijd bij een candida-infectie het inmasseren van een druppel moedermelk op de tepel.
  • Vervang zoogkompressen minstens na elke voeding. Katoenen zoogkompressen moeten na gebruik gedurende 5 minuten uitgekookt worden.
  • Gebruik zo weinig mogelijk zeep.

Vaginale infectie

  • Gebruik voor het wassen van de vagina geen zeep. Zeep kan de natuurlijke zuurgraad verstoren.
  • Orale en anale seks zou mogelijk de kans op een vaginale candida-infectie verhogen.
  • Na ontlasting verkeerd afvegen (van achteren naar voren) kan candida veroorzaken.
  • Gebruik geen desinfecterende middelen, ook niet tijdens de candida-infecties.
  • Zorg ervoor dat bij het vrijen het slijmvlies van de vagina niet beschadigd wordt, gebruikt eventueel glijmiddel.
  • Vermijd synthetisch ondergoed en inlegkruisjes. Deze kunnen de candidaklachten verergeren.

Huidinfectie

  • Houd de huid goed schoon en droog. Dep de huid zachtjes droog.
  • Gebruik zo weinig mogelijk zeep
  • Gebruik eventueel talkpoeder in huidplooien en bij baby’s om het vocht te absorberen

Wat kan er nog meer gedaan worden bij candida-infectie

Aangezien candida op suiker leeft is het tijdelijk volgen van een suikervrij- en koolhydraatbeperkt dieet onontbeerlijk. Bij candida symptomen kan men bij de apotheek een middeltje verkrijgen wat de klachten doet verminderen. Echter, daarmee is de candida-infectie in zijn geheel nog niet weg. Candida blijft actief en pillen en crèmes doen niet meer dan de candida symptomen maskeren, waardoor het onderliggende probleem in stand blijft. Het onderliggende probleem is en blijft het tekort aan goede bacteriën in het lichaam. Wanneer deze balans hersteld is zullen de symptomen van candida vanzelf verdwijnen. Voor het slagen van de behandeling is het noodzakelijk dat eventuele parasieten worden aangepakt en er rekening gehouden wordt met voedselallergieën en/of -intoleraties.

Het is van groot belang candida op meerdere gezondheidsgebieden aan te pakken.

A. Voedingspatroon tijdelijk aanpassen door vermijden van:

  1. suikers: kristalsuikers, honing, dextrose en fructose
  2. voeding dat in de darmen omgezet kan worden naar glucose: koolhydraten (brood, pasta, rijst), alcohol, zetmeel (bijv. aardappel)
  3. lactose (komt voor in melkprodukten)
  4. veel voorkomende allergenen (zuivel, noten, citrusvruchten, tarwe etc.)

Door het verhogen van vezels in voeding wordt de normale darmfunctie ondersteund.

B. Immuunsysteem versterken en ontzien

Om de spijsvertering beter te laten werken en het immuunsysteem te verbeteren is juiste voeding nodig. De oorzaken en symptomen van candida kunnen verschillen per persoon. Ondergetekdne kan hiernaar kijken.

C. Voedingssupplementen

In overleg met Alie Wouda van natuurpraktijkaurora kan gekeken worden of de dagelijkse voeding gevarieerd genoeg is en welke voedingssupplementen nodig zijn als aanvulling op de voeding.

Maak dan nu een afspraak.

Test of u candida hebt test-candida

Afspraak maken met Alie Wouda van Natuurpraktijk AURORA voor andere gezondheidsklachten? klik op deze link

Of app naar 0641979844

Alie