Zelfhulpboek infecties en ontstekingen met natuurlijke middelen

Infectieziekten en ontstekingen

Een ontsteking is een plaatselijke afweerreactie die volgt op beschadiging van het weefsel of het binnendringen van micro-organismen in het lichaam. Kenmerken van een ontsteking zijn roodheid, zwelling, warmte en pijn. Voorbeelden van een ontsteking zijn een abces en keelontsteking.

Een infectieziekte is de reactie van het hele lichaam op het binnendringen en vermeerderen van micro-organismen. Voorbeelden van infectieziekten zijn griep en de ziekte van Pfeiffer. De micro-organismen die infecties veroorzaken, kunnen op verschillende manieren worden overgebracht. De meest voorkomende manieren zijn door druppelinfectie (infectie door druppeltjes in de lucht door hoesten of niezen) en door rechtstreeks contact (kussen). Wanneer u eenmaal besmet bent, duurt het enige tijd voordat de micro-organismen zo talrijk zijn geworden dat ze symptomen gaan veroorzaken. De tijd tussen het binnendringen en het ontstaan van de klachten noemen we de incubatietijd. Deze is bij alle ziekten verschillend en kan variëren van enkele dagen tot enkele maanden.

De symptomen van een infectieziekte worden niet alleen veroorzaakt door de micro-organismen, maar ook door reacties van uw eigen lichaam. Uw afweersysteem stelt zich teweer tegen de infectie, uw witte bloedlichaampjes proberen de binnendringers te vernietigen of te absorberen en sommige bloedlichaampjes zullen antistoffen tegen de specifieke organismen produceren. De gevolgen van deze `strijd’ in uw lichaam maken deel uit van de symptomen die u voelt.

Een kijkje in het boek

Het E boek bestellen?

E-Book bestellen?

Alie Wouda van der Tuin                                                                                                                

Natuurpraktijk AURORA

Appen voor vragen ?                                                                                 

 Of een afspraak maken? 

Vreedepeelweg 4
5986 NW Beringe

Waarom een griepspuit niet werkt

Fragment uit PlaceboNocebo 35 (Belgisch magazine met interessante informatie: ‘Sinds januari 2014 moet een nieuw griepvaccin niet meer getest worden op veiligheid en werkzaamheid’).

Waarom het griepvaccin niet werkt’

Griep is een luchtweginfectie die veroorzaakt kan worden door drie stammen van het influenzavirus: influenza A, B en C. Deze stammen komen voor in verschillende variaties en elk jaar zijn er andere virussen in omloop. Influenza A-virussen hebben op hun oppervlak eiwitten: hemagglutinine (H) en neuraminidase (N).

Hemagglutinine zorgt ervoor dat een virus zich kan vasthechten aan de cellen van de gastheer. Neuraminidase stelt een virus in staat om zich te vermenigvuldigen. Er zijn tot nog toe 18 vormen van hemagglutinine en 11 vormen van neuraminidase bekend. Influenzavirussen krijgen daarom de aanduiding H1N1, H3N2, enz. Griepvaccins bevatten meestal influenza A/H1N1 en H3N2 en twee stammen van influenza B. Maar er circuleren elk jaar andere vormen van influenzavirussen.

Het duurt vier tot zes maanden om een griepvaccin te maken. Vervolgens duurt het ook nog een paar maanden om het te verdelen en toe te dienen. Dat betekent dat het vaccin snel goedgekeurd moet worden om op tijd beschikbaar te zijn.

Voor het griepvaccin wordt daarom een speciale, versnelde goedkeuringsprocedure gehanteerd. Sinds januari 2014 moet een nieuw (aangepast) griepvaccin niet meer getest worden op veiligheid en werkzaamheid voor het op de markt gebracht wordt.

Dat wil ook zeggen dat men in januari al moet bepalen welke stammen van het griepvirus men gaat gebruiken voor het vaccin. Men moet dus gokken welke vorm van het griepvirus op het einde van het jaar griep zal veroorzaken en of er al dan niet een pandemie zal uitbreken (Weir JP, 2016).

De aanwezigheid van antistoffen tegen de in het vaccin aanwezig virussen maakt het lichaam niet immuun voor andere stammen van het virus of voor gemuteerde vormen van het virus. Een griepvaccin met het influenza A/H1N1 virus, belet niet dat je griep krijgt door infectie met andere stammen van het influenzavirus.

Influenzavirussen muteren constant. Sommige wetenschappers vermoeden dat deze mutaties versterkt worden door jaarlijkse vaccinatie en dat daardoor epidemieën in de hand gewerkt worden (Chong Y, 2017).

Influenzavirussen muteren zelfs tijdens de productie van vaccins. Dat betekent dat bepaalde stammen die voor het vaccin uitgekozen worden al tijdens het maken van de vaccins muteren (Skowronski DM, 2014).

Het griepvaccin vermindert de weerstand tegen griep in het volgende griepseizoen. Het vermindert ook de effectiviteit van de volgende vaccinatie. Jaarlijkse vaccinatie tegen griep vermindert de weerstand tegen griep en vermindert de werking van vaccinatie. Natuurlijke infectie met het influenzavirus (dus het krijgen van griep) beschermt wel tegen griep in het volgende seizoen (Saito N, 2017).

Zowel de ontwikkeling van vaccins als het toedienen van vaccins heeft ervoor gezorgd dat virussen niet alleen sneller muteren, maar ook virulenter (schadelijker) kunnen worden. Zo kunnen influenzavirussen (en andere levende virussen) in het vaccin zelf virulenter worden (door mutatie tijdens de productie). Het vaccineren van grote groepen van de bevolking zou er ook voor zorgen dat de natuurlijke virussen die in omloop zijn (de wilde varianten) andere, virulentere vormen aannemen (Hanley KA, 2011).

Men krijgt griep niet onder controle, ondanks jaarlijkse vaccinatie. Griep kan niet uitgeroeid worden en het is waarschijnlijk ook niet wenselijk om dat te doen. Hoewel griep bij kwetsbare personen ernstige en dodelijke complicaties kan hebben, heeft griepinfectie ook positieve gevolgen. Het versterkt bijvoorbeeld de immuunrespons tegen kankercellen (Iheagwara UK, 2014).

Afspraak maken hoe je dan wel jezelf kan beschermen tegen de griep:

Flavonoiden

Flavonoïden
Orthomoleculaire therapie

Beschrijving
De term flavonoïden (ook wel bioflavonoïden genoemd) staat voor een uitgebreide groep secundaire plantenstoffen die als pigmenten een grote bijdrage levert aan de felle kleuren van veel fruAfbeeldingsresultaat voor bioflavonoïdenit, groenten en bloemen, maar ook van de herfstkleuren van bladeren. Ze spelen een belangrijke rol in de plantenstofwisseling, onder meer als groeiregulatoren en bij de bescherming tegen ultraviolet licht, oxidatie en hitte. Door hun bittere smaak helpen ze plantenetende insecten af te schrikken. Omgekeerd helpen ze ook bij de bestuiving, door via de felle kleuren juist bepaalde insecten aan te trekken.

Flavonoïden zijn ontdekt door Albert Szent-Györgyi, één van de belangrijkste chemici uit het begin van de twintigste eeuw. In 1937 kreeg hij de Nobelprijs voor zijn ontdekking en beschrijviAfbeeldingsresultaat voor Albert Szent-Györgying van vitamine C. Het was tijdens het isolatieproces van vitamine C dat Szent-Györgyi de flavonoïden ontdekte [1].

De benaming ‘bioflavonoïden’ of ‘flavonoïden’ is voor het eerst gebruikt in 1952 door de Duitse onderzoekers Geissmann en Hinreiner. Zij staan ook aan de basis van het classificatiesysteem op basis van de structuur van de ‘kern’ van de flavonoïden-basisstructuur: de zuurstofhoudende pyraanring. Meer dan vijfduizend natuurlijk voorkomende flavonoïden zijn inmiddels geïsoleerd uit verschillende planten [2]. Flavonoïden vormen de grootste groep binnen de polyfenolen (meer dan achtduizend polyfenolen bekend) [2-4].

Bronnen en deficiëntie.
Bijna alle fruit, groenten, kruiden (o.a. ginkgo) en specerijen bevatten flavonoïden. Flavonoïden worden ook aangetroffen in ander voedsel, zoals gedroogde bonen (bepalend voor de kleur van rode en zwarte bonen) en granen (waar de kleur als gevolg van flavonoïden meestal geel is). In het algemeen kan gesteld worden dat de meest kleurrijke componenten van het voedsel, zoals de schil van fruit, de hoogste concentraties flavonoïden bevatten. Een uitzondering is de witte pulpachtige massa tussen vrucht en schil bij citrusvruchten, die zeer rijk is aan bioflavonoïden, terwijl de schil en het citrusfruit zelf veel lagere concentraties bevatten. Factoren die bijdragen aan een deficiëntie van flavonoïden zijn onvoldoende inname van groenten en fruit, evenals het routinematig consumeren van industrieel verwerkte groenten en fruit. Symptomen die kunnen wijzen op onvoldoende inname van flavonoïden zijn: zeer gemakkelijk bloeden (tandvlees, neus), gemakkelijk blauwe plekken krijgen die vervolgens maar langzaam verdwijnen en ook het gemakkelijk opzwellen na blessures. Ook immuunzwakte, zich uitend in het gemakkelijk oppikken van een verkoudheid of een andere infectie, kan wijzen op een tekort.

Structuur, nomenclatuur en indeling.
Er bestaan zeer veel soorten flavonoïden. Alle flavonoïden hebben dezelfde karakteristieke chemische basisstructuur: twee aromatische ringen (A en B) aan weerszijden van een zuurstofhoudende pyraanring (C-ring). Omdat er altijd een fenolgroep verbonden is aan één van de benzeenringen, behoren flavonoïden samen met de fenolzuren en de niet-flavonoïde polyfenolen, tot de grote groep van polyfenolen.

Er zijn zes subklassen te onderscheiden, waarbinnen veel verschillende individuele verbindingen voorkomen. Deze verbindingen verschillen van elkaar in het aantal hydroxylgroepen en de ordening ervan, evenals de mate waarin ze ‘bezet’ zijn en de driedimensionale ordening ervan. Dit heeft tot gevolg dat er een grote variëteit aan flavonoïden bestaat, met vaak uiteenlopende biochemische en fysiologische eigenschappen [3,4].

Flavonoïden komen in de natuur meestal voor in de vorm van glycosiden, wat betekent dat ze verbonden zijn met suikermoleculen als glucose, rhamnose en arabinose. Flavanolen (catechinen en proanthocyanidinen) zijn de enige uitzondering hierop, zij zijn niet aan suikermoleculen gebonden (aglycon) [5].

Flavonen
Flavonen komen veel minder wijdverspreid voor dan flavonolen in fruit en groenten. Flavonen in voedsel bestaan bijna altijd uit de glycosiden van luteoline en apigenine. Peterselie Afbeeldingsresultaat voor Peterselie en selderijen selderij zijn de enige belangrijke eetbare bronnen van flavonen die nu bekend zijn [6-8].

FlavonoAfbeeldingsresultaat voor Peterselie en selderijlen
Flavonolen, in het bijzonder quercetine maar ook kaempferol, myricetine, fisetine, isorhamnetine, pachypodol, rhamnazine, komen wijdverspreid voor in het plantenrijk. Niettemin is de hoeveelheid in de voeding vaak erg laag. De dagelijkse inname van flavonolen wordt geschat op slechts 20-35 mg per dag. De rijkste bronnen zijn uien (tot 1,2 g/kg), boerenkool, prei, broccoli en bosbessen.
Flavonolen zijn in geglycosyleerde vorm in voedsel aanwezig. De geassocieerde suikergroep is vaak glucose of rhamnose, maar andere suikers kunnen ook een rol spelen (bijv. galactose, arabinose, xylose, glucuronzuur. De belangrijkste vertegenwoordigers uit deze groep zijn quercetine en kaempferol.
Quercetine is waarschijnlijk de meest wijdverspreide flavonoïde die er is. Het komt voor in voedingsmiddelen die veel geconsumeerd worden, zoals appelen, uien, thee, bessen, koolsoorten evenals veel zaden, noten, bloemen, bast en bladeren, rode druiven, frambozen, groene thee en knoflook. Veel medicinale planten danken veel van hun activiteit aan het hoge quercetinegehalte. Quercetine is een aglycon, rutine is het glycoside (met rutinose). In voedingssupplementen is de groep flavonolen vertegenwoordigd als quercetine of rutine, maar ook in de vorm van extracten van medicinale planten als Ginkgo biloba. Ook sylimarine, een mengsel van flavonolignanen uit Silybum marianum (mariadistel) behoort tot deze groep, evenals het floridzine in appels.

Isoflavonen
Isoflavonen worden vanwege hun structurele verwantschap met oestrogenen ook wel aangeduid als plantenhormonen of fyto-oestrogenen. Hoewel ze geen steroïden zijn, hebben ze hydroxylgroepen in positie 7 en 4 in een configuratie die analoog is aan die van de hydroxylgroep in het oestradiolmolecule. Dit geeft hen het vermogen om te binden aan oestrogeenreceptoren. Isoflavonen worden uitsluitend in peulvruchten aangetroffen en dan met name in sojabonen. De drie belangrijkste isoflavonen zijn genisteïne, daïdzeïne en glyciteïne. Ze komen voor als alglycon of als glycoside, afhankelijk van de sojabereiding. De wetenschappers zijn er nog niet over uit in welke van deze vormen de biologische beschikbaarheid het beste is [9].

Flavanonen
De groep flavanonen is een relatief kleine groep flavonoïden, die alleen in hoge concentraties voorkomt in citrusvruchten. Daar komen ze in geglycosyleerde vorm voor, zoals bijvoorbeeld hesperidine in sinaasappels (glycoside van hesperetine), naringenine in grapefruit (glycoside van naringine), eriodictyol in citroenen (glycoside van eriocitrine). Tomaat kan een geringe hoeveelheid flavanonen bevatten, evenals aromatische planten als munt. In voedingssupplementen komt deze groep flavonoïden terug in de vorm van ‘citrusbioflavonoïden’.

Anthocyaninen
De groep anthocyaninen zijn pigmenten die verantwoordelijk zijn voor de roze, rode, blauwe of paarse kleur van bepaalde voedingsmiddelen. In het algemeen komt de kleurintensiteit overeen met het gehalte anthocyaninen, en neemt deze toe met het rijpen van de vrucht. In de voeding komen anthocyaninen voor in rode wijn, bepaalde granen en sommige groenten (aubergines, kool, bonen, uien, radijs), maar ze komen het meest voor in fruit. Wijn bevat 200-350 mg anthocyaninen per liter en deze anthocyaninen worden in verschillende complexe verbindingen omgezet wanneer de wijn rijpt [10,11]. In voedingssupplementen zijn de anthocyaninen het meest geconcentreerd in de extracten van Vaccinium myrtillus (blauwe bosbes), Rubus fruticosus (braam), Rubus idaeus (framboos), Ribes nigrum (zwarte bes) en Sambucus nigra (vlier).

Flavanolen
In tegenstelling tot andere klassen flavonoïden, komen flavanolen ongeglycosyleerd voor in voedsel.
Flavanolen komen vaak in combinatie met organische zuren voor, hoofdzakelijk met galluszuur, als flavanol-gallaatesters. Cacao is een rijke bron van flavanolen. Veel chocoladefabrikanten verwijderen echter de flavanolen omdat ze bitter smaken. Consumenten blijven daar onwetend over omdat dergelijke informatie niet op het etiket hoeft te worden vermeld [12].
Alle flavanolen zijn opgebouwd uit één of meer flavan-3-ol eenheden. Een gebruikelijke onderverdeling van deze groep is de volgende:
* Monomeren: er bestaan twee stereo-isomeren van flavan-3-ol: catechine en epicatechine. Catechinen worden aangetroffen in verschillende soorten fruit (vooral verse abrikozen). Ze komen ook voor in rode wijn, maar groene thee en cacao zijn verreweg de rijkste bronnen [13,14]. Ook medicinale planten, zoals bijvoorbeeld Camellia sinensis (groene thee) kunnen rijk zijn aan catechinen. In voedingssupplementen zijn de laatste drie dan ook de beste bron voor deze groep flavonoïden.
* Di- en trimeren: dit zijn oligomere proanthocyanadinen (OPC), welke (onder meer in Frankrijk) ook wel procyanidinen worden genoemd. De groep (oligomere) proanthocyanidinen is één van de belangrijkste groepen flavonoïden in planten. Het zijn mengsels van dimeren en trimeren van catechinen en epicatechinen die op verschillende manieren aan elkaar verbonden kunnen zijn, waardoor er heel veel varianten bestaan. OPC komt met name voor in bessen (bosbessen, appelbessen (Aronia), cranberries), druivenschillen en -pitten granaatappel en in donkere chocolade. In voedingssupplementen zijn druivenpitten een goede OPC-bron. Pycnogenol is een geregistreerde merknaam van een OPC-product dat geëxtraheerd wordt uit de bast van de zeeden (Pinus pinaster). Pycnogenol bevat iets minder procyanidinen dan druivenpitten.
Proanthocyanidinen mogen niet verward worden met de hiervoor genoemde anthocyaninen. Ze kunnen echter wel enzymatisch in elkaar worden omgezet, waarbij een roodkleuring plaatsvindt: ”’PRO”’anthocyani”’DI”’nes (kleurloos) —> anthocyanines (rood). Deze omzetting is bijvoorbeeld mede verantwoordelijk voor het verkleuren van boombladeren in de herfst.
* Tetrameren en hoger: polymere proanthocyanidinen (tanninen). Tanninen komen veel in voedsel voor, onder andere in thee, cacao, koffie, fruit, vruchtensap, rode wijn, azijn en groenten. Wanneer tanninen in contact komen met slijmvliezen vormen ze complexen met proteïnen (crosslinking) in zowel het speeksel zelf als de epitheelcellen van de mucosa. De mucosa wordt vervolgens steviger en minder permeabel. Dit mechanisme ligt aan de basis van de adstringerende karakter van fruit (o.a. druif, perzik, kaki, appel, peer en bessen) en dranken (o.a. wijn, cider, thee, bier) en voor de bitterheid van chocolade [15]. Deze adstringerende werking verandert bij het rijpen van fruit en ook van dranken zoals wijn en cider en verdwijnt wanneer het fruit uitgerijpt is [16]. Omdat tanninen grote polaire moleculen zijn, worden ze slecht geabsorbeerd door de huid of door het maagdarmkanaal. De farmacologische effecten van tanninen moeten dan ook grotendeels verklaard worden uit de lokale effecten op deze organen, zoals de adstringerende werking in het lumen van het maagdarmkanaal. Hoewel tanninen deels ook afgebroken kunnen worden in hun monomeren en oligomeren.

Werking
Vroeger ging men ervan uit dat flavonoïden in het maagdarmkanaal slechts in geringe mate werden opgenomen, aangezien de meeste flavonoïden in de voeding glycosiden zijn (dus gebonden aan een suiker). Lang is gedacht dat er in het maagdarmkanaal geen enzymen vrijgemaakt worden die de glycosidebinding kunnen splitsen, en was de veronderstelling dat alleen de aglyconen vanuit het maagdarmkanaal in het bloed werden opgenomen. De biologische beschikbaarheid van flavonoïden in de voeding blijkt echter een stuk groter te zijn dan aanvankelijk werd verondersteld. Zelfs na koken bereiken de meeste flavonoïdenglycosiden de dunne darm intact. Alleen flavonoïd aglyconen en flavonoïd glucosiden (gebonden aan glucose) worden in de dunne darm geabsorbeerd, waar ze snel gemetaboliseerd worden om gemethyleerde, geglucuronideerde of gesulfeerde metabolieten te vormen [17], de overige flavonoïden gaan door naar het colon. Probiotische bacteriën spelen een belangrijke rol in de stofwisseling en absorptie van flavonoïden. Flavonoïden of metabolieten daarvan die het colon bereiken, worden gemetaboliseerd door bacteriële enzymen en vervolgens geabsorbeerd. Iemands vermogen om specifieke flavonoïden te metaboliseren en te absorberen hangt dus af van de microbiële flora van die persoon [18,19]. Traditionele sojaproducten als miso en tempeh zijn al bij consumptie gefermenteerd, wat resulteert in de hydrolyse van glycosiden naar aglyconen. Hierdoor neemt de biologische beschikbaarheid toe. Bovendien zijn recent speciale transportmechanismen ontdekt die flavonoïden vanuit de darm naar het bloed transporteren.

Bij de beschrijving van de eigenschappen van flavonoïden is het verleidelijk om in te gaan op enkele kenmerkende eigenschappen van bepaalde individuele flavonoïden of ondergroepen. Vanwege de enorme hoeveelheid flavonoïden en de uiteenlopende eigenschappen is dat eigenlijk onbegonnen werk. Vandaar dat deze monografie zich richt op enkele kenmerkende eigenschappen voor flavonoïden als groep. Hierbij moet opgemerkt worden dat onderstaande eigenschappen niet persé voor alle flavonoïden gelden, maar wel voor flavonoïden in een flavonoïdencomplex:
* Antioxidatieve activiteit: flavonoïden hebben een directe antioxidatieve werking (in vitro) die veel krachtiger is dan die van andere antioxidanten, zoals vitamine C, vitamine E of glutathion. Deze antioxidatieve werking hangt waarschijnlijk samen met hun polyfenolenstructuur [20,21]. Het is echter nog onderwerp van wetenschappelijke discussie in hoeverre deze sterke antioxidatieve capaciteit in het lichaam een rol speelt [22,23]. Een bekende maat voor de antioxidatieve capaciteit is de ORAC-waarde (zie kader).

ORAC (Oxygen Radical Absorbance Capacity) is een in-vitro test om de antioxidatieve capaciteit van voedingsmiddelen en voedingssupplementen te kunnen vergelijken. De ORAC-waarde geeft een idee van de mate waarin een voedingsmiddel in staat is om vrije radicalen onschadelijk te maken. De ORAC-waarde kan gemeten worden in de vetfractie (lipofiel) of in de waterfractie (hydrofiel). De som van beiden geeft de meest accurate benadering van de antioxidatieve capaciteit. Regelmatig wordt alleen de hydrofiele fractie bepaald (als dat het geval is, is dat hieronder vermeld). De ORAC-waarde kan gebruikt worden om producten te selecteren die in hoge mate bijdragen aan de antioxidatieve capaciteit van het lichaam.

Een aantal typische ORAC-waarden:

  • Bosbessen 6552 umol TE/100 g (H & L).
  • Pruimen 6259 umol TE/100 g (H & L).
  • Zwarte bessen 5347 umol TE/100 g (H & L).
  • Frambozen 4882 umol TE/100 g (H & L).
  • Aardbeien 3577 umol TE/100 g (H & L).
  • Kersen 3365 umol TE/100 g (H & L).
  • Broccoli (rauw) 3083 umol TE/100 g (H & L).
  • Rozijnen 3037 umol TE/100 g (H & L).
  • Sinaasappels 1819 umol TE/100 g (H & L).
  • Spinazie (rauw) 1515 umol TE/100 g (H & L).
  • Alfalfa 1510 umol TE/100 g (alleen H).
  • Rode druiven 1260 umol TE/100 g (alleen H).
  • Ui (rauw) 1034 umol TE/100 g (H & L).
  • Aubergine 933 umol TE/100 g (H & L).
  • Wortels 666 umol TE/100 g (H & L).
  • Pompoen 483 umol TE/100 g (H & L).
  • Bloemkool 620 umol TE/100 g (alleen H).

Bron: Agricultural Research Service (ARS) 2007: 

* Beschermen van de capillairen of haarvaten, bloedstelpende (antihemorrhagische) werking: veel flavonoïden hebben vaatwandversterkende eigenschappen. Grote gevoeligheid voor bloedingen is ook één van de kenmerkende eigenschappen van flavonoïdendeficiëntie.
* Chelatie van metalen: metaalionen, zoals ijzer en koper, kunnen de productie van vrije radicalen kataliseren. Het vermogen van flavonoïden om metaalionen te binden (cheleren) lijkt bij te dragen aan hun antioxidatieve kracht in vitro [24]. Of dit ook in vivo het geval is, is nog maar de vraag, aangezien in de meeste levende wezens koper en ijzer gebonden aan eiwitten voorkomen. Dit beperkt de mogelijkheden om deel te nemen aan reacties die vrije radicalen produceren [23].
* Beïnvloeden van celgroei en celproliferatie: celgroei en celproliferatie worden gereguleerd door groeifactoren die in de cel een cascade aan gebeurtenissen in gang zetten wanneer een groeifactor aandokt aan een specifieke receptor in de celmembraan. Diverse in-vitro onderzoeken wijzen er op dat flavonoïden celgroei en celproliferatie kunnen beïnvloeden door het remmen van de fosforylatie van de receptor, of het zelfs geheel blokkeren ervan [25-27].
* Invloed op genexpressie: flavonoïden hebben een regulerende werking op de genexpressie. Door het al of niet fosforyleren van bepaalde signaaleiwitten kunnen flavonoïden (via kinasen) uiteindelijk de activiteit van transcriptiefactoren beïnvloeden. Transcriptiefactoren zijn eiwitten die de expressie van verschillende genen reguleren. Op deze wijze spelen flavonoïden een rol bij diverse belangrijke processen in de cel, zoals groei, proliferatie en apoptose (celdood) [3,4].
* Antibacteriële en antivirale werking: in sommige gevallen kunnen flavonoïden direct als antibioticum werken door de functie van micro-organismen als virussen en bacteriën te verstoren. De procyanidinen in Vaccinium myrtillus (blauwe bosbes) en cranberry (veenbes) remmen de werking van bacteriën die urineweginfecties veroorzaken. Ook is van verschillende flavanolen uit groene thee een werking tegen griepvirussen aangetoond [3,4].
* Anti-histaminewerking: flavonoïden hebben een remmende werking op de vrijgifte van histamine [28].

Indicaties
Vanwege het enorme aantal flavonoïden en hun uiteenlopende eigenschappen zijn zeer veel indicaties waarbij specifieke flavonoïden(ondergroepen) ingezet kunnen worden. In dit kader zal ik me beperken tot de toepasbaarheid van flavonoïden als groep [3,4]:
* Gevoeligheid voor bloedingen (tandvlees, neus).
* Immuunzwakte.
* Cardiovasculaire aandoeningen.
* Allergische aandoeningen.

Opgemerkt moet wel worden dat bij inzetten van individuele flavonoïden(groepen) bovenstaande lijst niet van toepassing is.

Contra-indicaties
Van een hoge inname van flavonoïden via fruit- en groenten zijn geen negatieve gevolgen bekend. Dit kan komen door de relatief lage biologische beschikbaarheid en de snelle stofwisseling en eliminatie van de meeste flavonoïden. Over de veiligheid tijdens zwangerschap en lactatie zijn geen gegevens bekend.

Bijwerkingen
Door de grote verscheidenheid aan stoffen die deel uitmaken van de groep flavonoïden, is het moeilijk een algemeen geldende uitspraak te doen over de veiligheid van flavonoïden. Niettemin kunnen er geen negatieve gevolgen worden vastgesteld van zelfs extreem hoge doseringen flavonoïden (overeenkomend met 140 gram per dag). Ook van het innemen van hoge doseringen flavonoïden tijdens de zwangerschap konden geen negatieve effecten worden vastgesteld.

Interacties
De invloed van medicijnen op de flavonoïdenstatus is nauwelijks tot niet onderzocht. Omgekeerd is er echter wél het één en ander bekend: een aantal flavonoïden in grapefruitsap (naringine en quercetine) remt het cytochroom P450-enzym (CYP) 3A4 [29]. Remming van dit enzym, verhoogt de biologische beschikbaarheid en het risico op intoxicatie voor een groot aantal medicijnen. Remming van CYP 3A4 treedt al op bij één glas (200 ml) grapefruitsap. Het zijn echter niet alleen de flavonoïden die dit enzym remmen, maar (vooral) ook de furanocoumarines in grapefruitsap.

Dosering
Door verschillende inzichten over wat betrouwbare meetmethoden voor flavonoïden zijn, zijn er momenteel weinig betrouwbare cijfers over de flavonoïdeninname. Voor Nederland worden de cijfers van Hertog en collega’s als betrouwbaar beschouwd [30]. Zij kwamen tot de conclusie dat men dagelijks gemiddeld ongeveer 23 mg binnenkrijgt, terwijl het raadzaam zou zijn minstens 100 mg per dag in te nemen [30].
Per individu kan de inname van flavonoïden sterke variaties vertonen, afhankelijk van de inname van belangrijke bronnen als (groene en witte) thee, druiven, rode wijn, bessen, citrusvruchten, peulvruchten [31], cacao (chocoladeproducten met een cacaopercentage van 70% of meer), appels en uien [17,32].

Synergisme
Wat Szent-Györgyi al dacht is nu bevestigd door wetenschappelijk onderzoek: er is een synergistische relatie tussen flavanoïden en vitamine C, elk verbetert de antioxidatieve capaciteit van de ander. Tevens blijkt dat bij veel van de vitaminenfuncties van vitamine C de aanwezigheid van flavonoïden nodig is.

 

img_2777Wil je hulp bij herstel van een van bovengenoemde klachten, maak dan een afspraak: info@natuurpraktijkaurora.nl

 

 

Referenties
1. Rusznyak SP, Szent-Gyorgyi A. Vitamin P: flavonols as vitamins. Nature. 1936;138:27.
2. Ross JA, Kasum CM. Dietary flavonoids: bioavailability, metabolic effects, and safety. Annu Rev Nutr. 2002;22:19-34.
3. Flavonoids: Chemistry, Biochemistry and Applications. Andersen ØM, Markham KR, editor. CRC Publication; 2005.
4. Grotewold E. The science of flavonoids. Springer; 2005.
5. Williamson G. Common features in the pathways of absorption and metabolism of flavonoids. In: Davies AJ, Lewis DS, et al., editors. Phytochemicals: Mechanisms of Action Boca Raton: CRC Press; 2004. p. 21-33.
6. King HGC. Phenolic compounds of commercial wheat germ J Food Sci. 1962;27:446-54.
7. Feng Y, McDonald CE, Vick BA. C-glycosylflavones from hard red spring wheat bran Cereal Chem. 1988;65:452-6.
8. Sartelet H, Serghat S, Lobstein A, et al. Flavonoids extracted from fonio millet (Digitaria exilis) reveal potent antithyroid properties. Nutrition. 1996;12(2):100-6.
9. Manach C, Williamson G, Morand C, et al. Bioavailability and bioefficacy of polyphenols in humans. I. Review of 97 bioavailability studies. Am J Clin Nutr. 2005;81(1 Suppl):230S-42S. GRATIS: http://www.ajcn.org/cgi/content/full/81/1/230S.
10. Clifford MN. Anthocyanins – nature, occurrence and dietary burden J Sci Food Agric. 2000;80(7):1063-72. GRATIS: http://www3.interscience.wiley.com/cgi-bin/fulltext/72502495/HTMLSTART.
11. Es-Safi NE, Cheynier V, Moutounet M. Interactions between cyanidin 3-O-glucoside and furfural derivatives and their impact on food color changes. J Agric Food Chem. 2002;50(20):5586-95.
12. The devil in the dark chocolate. Lancet. 2007;370(9605):2070.
13. Arts IC, van De Putte B, Hollman PC. Catechin contents of foods commonly consumed in The Netherlands. 2. Tea, wine, fruit juices, and chocolate milk. J Agric Food Chem. 2000;48(5):1752-7.
14. Arts IC, van de Putte B, Hollman PC. Catechin contents of foods commonly consumed in The Netherlands. 1. Fruits, vegetables, staple foods, and processed foods. J Agric Food Chem. 2000;48(5):1746-51.
15. Santos-Buelga C, Scalbert A. Proanthocyanidins and tannin-like compounds: nature, occurrence, dietary intake and effects on nutrition and health. Journal of the Science of Food and Agriculture. 2000;80(7):1094-117.
16. Tanaka T, Takahashi R, Kouno I, et al. Chemical evidence for the de-astringency (insolubilization of tannins) of persimmon fruit J Chem Soc [Perkin 1]. 1994;:3013-22.
17. Manach C, Scalbert A, Morand C, et al. Polyphenols: food sources and bioavailability. Am J Clin Nutr. 2004;79(5):727-47. GRATIS: http://www.ajcn.org/cgi/content/full/79/5/727.
18. Setchell KD, Brown NM, Lydeking-Olsen E. The clinical importance of the metabolite equol-a clue to the effectiveness of soy and its isoflavones. J Nutr. 2002;132(12):3577-84. GRATIS: http://jn.nutrition.org/cgi/content/full/132/12/3577.
19. Yuan JP, Wang JH, Liu X. Metabolism of dietary soy isoflavones to equol by human intestinal microflora–implications for health. Mol Nutr Food Res. 2007;51(7):765-81.
20. Heijnen CG, Haenen GR, van Acker FA, et al. Flavonoids as peroxynitrite scavengers: the role of the hydroxyl groups. Toxicol In Vitro. 2001;15(1):3-6.
21. Chun OK, Kim DO, Lee CY. Superoxide radical scavenging activity of the major polyphenols in fresh plums. J Agric Food Chem. 2003;51(27):8067-72.
22. Lotito SB, Frei B. Consumption of flavonoid-rich foods and increased plasma antioxidant capacity in humans: Cause, consequence, or epiphenomenon? Free Radic Biol Med. 2006;41(12):1727-46.
23. Frei B, Higdon JV. Antioxidant activity of tea polyphenols in vivo: evidence from animal studies. J Nutr. 2003;133(10):3275S-84S. GRATIS: http://jn.nutrition.org/cgi/content/full/133/10/3275S.
24. Mira L, Fernandez MT, Santos M, et al. Interactions of flavonoids with iron and copper ions: a mechanism for their antioxidant activity. Free Radic Res. 2002;36(11):1199-208.
25. Hou Z, Lambert JD, Chin KV, et al. Effects of tea polyphenols on signal transduction pathways related to cancer chemoprevention. Mutat Res. 2004;555(1-2):3-19.
26. Williams RJ, Spencer JP, Rice-Evans C. Flavonoids: antioxidants or signalling molecules? Free Radic Biol Med. 2004;36(7):838-49.
27. Lambert JD, Yang CS. Mechanisms of cancer prevention by tea constituents. J Nutr. 2003;133(10):3262S-7S. GRATIS: http://jn.nutrition.org/cgi/content/full/133/10/3262S.
28. Kawai M, Hirano T, Higa S, et al. Flavonoids and related compounds as anti-allergic substances. Allergol Int. 2007;56(2):113-23. GRATIS: http://ai.jsaweb.jp/fulltext/056020113/056020113_index.html.
29. Bailey DG, Dresser GK. Interactions between grapefruit juice and cardiovascular drugs. Am J Cardiovasc Drugs. 2004;4(5):281-97.
30. Hertog MG, Hollman PC, Katan MB, et al. Intake of potentially anticarcinogenic flavonoids and their determinants in adults in The Netherlands. Nutr Cancer. 1993;20(1):21-9.
31. EwaldFjelkner-Modig EC, Johansson K, et al. Effect of processing on major flavonoids in processed onions, green beans, and peas. In: Food Chem. 1999. p. 231-5.
32. Slimestad R, Fossen T, Vågen IM. Onions: a source of unique dietary flavonoids. J Agric Food Chem. 2007;55(25):10067-80.

Kurkuma

figuur-1-curcuminoiden
Figuur 1. Curcuminoïden

Kurkuma (koenjit, koenier, Indiase geelwortel, Indiase saffraan) is een aromatische specerij uit de wortel van Curcuma longa, een plant uit de gemberfamilie (Zingiberaceae). Kurkuma geeft kerriepoeder zijn typische diepgele kleur en is licht bitter van smaak. Naast een rol in de voedselbereiding en –conservering werd kurkuma als (ayurvedisch, traditioneel Chinees) geneesmiddel aanbevolen bij uiteenlopende gezondheidsproblemen waaronder maagdarmklachten, leverziekten, gewrichtsontsteking, bijholteontsteking, (brand)wonden en ooginfecties. Curcuminoïden zijn vetoplosbare polyfenolen en de belangrijkste medicinale bestanddelen in kurkuma. Het grootste deel (circa 80%) is curcumine (curcumine I, diferuloylmethaan), de rest bestaat uit het verwante curcumine II (demethoxycurcumine) en curcumine III (bisdemethoxycurcumine). Kurkuma bevat 2-5% curcuminoïden, terwijl voedingssupplementen op basis van kurkuma een veel hoger gehalte of uitsluitend curcumine/curcuminoïden bevatten. De wetenschappelijke belangstelling voor curcumine is groot: inmiddels zijn er ruim 5200 (vooral preklinische) studies met ‘curcumin’ in de titel verschenen op Pub- Med, de internet database van medischwetenschappelijke artikelen.(1) Curcumine heeft een zeer breed werkingsgebied, is non-toxisch en een veelbelovende stof voor de preventie en/of behandeling van uiteenlopende chronische ziekten.(2) Dat er nog relatief weinig klinische studies zijn gedaan met curcumine heeft veel te maken met de lage biologische beschikbaarheid van curcumine, waardoor studieresultaten kunnen tegenvallen. Bij curcuminesuppletie is het essentieel gebruik te maken van een voedingssupplement met (sterk) verbeterde absorptie. Dit is mogelijk minder belangrijk bij een beoogd effect in het maagdarmkanaal en bij uitwendig gebruik.

Pleiotrope beschermende effecten

De gezondheidsbevorderende eigenschappen van curcumine worden voor een belangrijk deel veroorzaakt door verhoging of verlaging van (de genexpressie en activiteit van) regulatiemoleculen zoals transcriptiefactoren (DNA-bindende eiwitten die de gentranscriptie reguleren, waaronder NFκB, Nrf2 en PPAR-γ), pro-inflammatoire cytokines (waaronder TNF-α en diverse interleukines), enzymen (waaronder de pro-inflammatoire enzymen COX-2, 5-LOX en iNOS), groeifactoren en adhesiemoleculen (eiwitten die zorgen voor binding van twee structuren/moleculen, bijvoorbeeld vascular cell adhesion molecule 1 (VCAM-1) dat zorgt voor binding van immuuncellen aan vaatendotheel). Curcumine beïnvloedt meer dan 100 verschillende regulatie- of signaalmoleculen; figuur 2 geeft een vereenvoudigd overzicht van moleculaire aangrijpingspunten weer. Curcumine heeft pleiotrope activiteit: via meerdere werkingsmechanismen wordt een specifiek gezondheidseffect (zoals ontstekingsremming of neuroprotectie) bereikt. Zo worden in een studie tien verschillende neuroprotectieve effecten van curcumine beschreven.(3) Indien een voldoende hoge weefselconcentratie wordt bereikt, kan curcumine een groot aantal chronische ziekten beïnvloeden, vooral door versterking van het antioxidantsysteem, ontstekingsremming en immunomodulatie.( 4)

*Pleiotroop = het bereiken van een specifiek gezondheidseffect via meerdere werkingsmechanismen.

figuur-2-invloed-van-curcumine-op-regulatiemoleculen
Figuur 2. Invloed van curcumine op regulatiemoleculen.

Belangrijke gezondheidseffecten

1. Antioxidantactiviteit en chelatie (zware) metalen

• Antioxidantactiviteit

Curcumine is een krachtige antioxidant en vrije radicalenvanger, remt de vorming van vrije radicalen en beschermt biologische structuren zoals lipiden, eiwitten en DNA tegen oxidatieve beschadiging.(5) Oxidatieve stress versnelt verouderingsprocessen en verhoogt de kans op leeftijdsgerelateerde degeneratieve ziekten zoals kanker, diabetes mellitus, neurodegeneratieve ziekten en hart- en vaatziekten. In een diermodel voor veroudering remde curcumine (30 mg/kg) de vorming van malondialdehyde en lipofuscine, oxidatieve markers van veroudering.(6) Inductie van oxidatieve stress en remming van DNA-reparatie door blootstelling aan het giftige arsenicum is geassocieerd met een grotere kans op kanker. In een Indiase studie leidde curcuminesuppletie bij proefpersonen, die chronisch waren blootgesteld aan arsenicum, tot afname van oxidatieve stress en opregulatie van p53-afhankelijke DNA reparatie-enzymen (tumor suppressor p53 is een regulatiemolecuul dat het genoom beschermt, zorgt voor herstel van DNA-schade en preventie van genmutaties).(7)

• Opregulatie Nrf2

Een belangrijk effect van curcumine is opregulatie (verhoging van activiteit en/ of hoeveelheid) van de transcriptiefactor Nrf2 (nuclear factor erythroid 2 related factor 2), die endogene induceerbare verdedigingssystemen activeert in reactie op oxidatieve stress en andere endogene en exogene stressoren.(8,9) Nrf2 activeert het antioxidantsysteem (met onder meer verhoging van de synthese van glutathion en antioxidantenzymen), remt ontstekingen (onder meer door neerregulatie van NFκB en verhoging van anti-inflammatoir IL-10) en activeert fase II detoxificatie-enzymen. Een disfunctioneel Nrf2-systeem is geassocieerd met chronische aandoeningen waaronder neurodegeneratieve ziekten (Alzheimer, Parkinson, ALS, MS), chronische nierziekten (waaronder diabetische nefropathie), astma, COPD en obesitas.(9,10) Wetenschappers hebben vastgesteld dat activering van het antioxidantsysteem door Nrf2 sterkere neuroprotectieve effecten heeft bij de ziekte van Parkinson dan conventionele antioxidant therapie.(11) Veroudering gaat gepaard met achteruitgang van het Nrf2-systeem; curcuminesuppletie kan door opregulatie van Nrf2 bijdragen aan de preventie van diverse leeftijdsgerelateerde degeneratieve ziekten. Dieronderzoek suggereert bovendien dat curcuminesuppletie de levensduur verlengt.(3,12)

Chelatie (zware) metalen

Curcumine beschermt (mede door chelatie, ontstekingsremming, verlaging van oxidatieve stress en opregulatie van Nrf2) tegen onder meer neurotoxiciteit en hepatotoxiciteit van (zware) metalen zoals aluminium, lood, kwik, cadmium, koper, chroom en ijzer.(13-15) In dieronderzoek is vastgesteld dat curcumine beschermt tegen cadmium-geïnduceerde vasculaire disfunctie en hypertensie.(16)

2. Ontstekingsremming en immunomodulatie

• Neerregulatie NFκB

Bij veel chronische (ontstekings)ziekten speelt overactiviteit van de transcriptiefactor NFκB een centrale rol in het ziekteproces, onder meer bij kanker, atherosclerose, allergieën, inflammatoire darmziekten (ziekte van Crohn, colitis ulcerosa), pancreatitis, hepatitis, osteoporose, multiple sclerose, de ziekte van Alzheimer, aids, reumatoïde artritis, psoriasis en COPD.(17) Curcumine beïnvloedt deze ziekten mede door neerregulatie van NFκB.(18-21)

• Opregulatie HO-1

Curcumine zorgt via Nrf2 activering voor sterke opregulatie van het induceerbare stresseiwit HO-1 (heem oxygenase-1), dat naast het afbreken van heem belangrijk is voor celbescherming, verlaging van oxidatieve stress, immunomodulatie en ontstekingsremming. HO-1 speelt een centrale rol bij het beëindigen van een acute ontsteking (resolutiefase) zodat deze niet overgaat in chronische (laaggradige) ontsteking. Wetenschappers vermoeden dat opregulatie van HO-1 gunstige effecten heeft bij (laaggradige) ontstekingsziekten zoals metabole ziekten (metabool syndroom, diabetes type 2, obesitas), sepsis, auto-immuunziekten, allergieën en neurodegeneratieve ziekten.(22-24)

Neerregulatie iNOS

Curcumine remt de expressie van iNOS (inducible nitric oxide synthase) in ontstekingscellen, mede door opregulatie van HO-1 en/of neerregulatie van NFκB. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat langdurige overactiviteit van iNOS een belangrijke rol in de pathogenese van auto-immuunziekten en chronische ontstekingsziekten (depressie, reuma, multiple sclerose, ziekte van Sjögren, diabetes type 1, astma, bronchiëctasie, atherosclerose, inflammatoire darmziekten, coeliakie, glomerulonefritis, diabetische nefropathie, psoriasis, SLE, systemische sclerose, dermatitis, peri-apicale periodontitis), neurodegeneratieve ziekten, hersentrauma, hartinfarct, kanker en afstoting na transplantatie.(25,26)

Opregulatie PPAR-γ

Curcumine is een PPAR-γ agonist. Opregulatie van de transcriptiefactor PPAR-γ (peroxisome proliferator-activated receptor-γ) en verhoging van de expressie van PPAR-γ receptoren door curcumine leidt tot significante ontstekingsremming, mede door neerregulatie van NFκB. Activering van PPAR-γ is gunstig bij oogziekten zoals diabetische retinopathie, glaucoom en leeftijdsgerelateerde maculadegeneratie; PPAR-γ remt de activiteit van microglia en glia, de belangrijkste immuuncellen die betrokken zijn bij oogontsteking.(91) Opregulatie van PPAR-γ door curcumine is in preklinisch onderzoek tevens geassocieerd met remming van hypertensiegeassocieerde hartfibrose, remming van colorectale carcinogenese, bescherming van zenuwcellen bij cerebrale ischemiegeïnduceerde ontsteking, remming van nierfibrose, remming van diabetes gerelateerde leverfibrose en ontstekingsremming bij obesitas, diabetes mellitus en metabool syndroom.(27-32) Activering van PPAR-γ is therapeutisch aangrijpingspunt bij cystische fibrose en systemische sclerose.( 33,34)

3. Antimutagene en anticarcinogene activiteit
Vele in-vitro en dierstudies hebben aangetoond dat curcumine alle aspecten van kanker remt (ontstaan, (in)groei, angiogenese, metastasering) en werkzaam is tegen diverse typen kanker (leukemie, lymfoom, multiple myeloom, melanoom, colorectaalkanker, kanker van borst, maag, slokdarm, long, lever, pancreas, prostaat, baarmoeder, baarmoederhals, eierstok, blaas).(35,36) Curcumine moduleert een groot aantal regulatiemoleculen in de verschillende stadia van kanker.(35-37) In figuur 3 is te zien dat curcumine transcriptiefactoren remt (waaronder STAT3, AP-1, NF-kB) die de transformatie van normale cellen in tumorcellen bevorderen, en tumorsuppressorgenen activeert die het ontstaan van kankercellen voorkomen. Curcumine remt tumorcelproliferatie door overexpressie te remmen van onder meer oncogenen (genen die zijn betrokken bij het ontstaan van kanker), HER2 (human epidermal growth factor receptor, een eiwit dat een belangrijke rol speelt bij de groei en deling van cellen), groeifactoren en cyclin D1 (een eiwit dat een rol speelt bij de celdeling). Mede door remming van VEGF (vascular endothelial growth factor) gaat curcumine angiogenese (nieuwvorming van bloedvaten) tegen. Neerregulatie van onder meer MMP (matrix-metalloproteinase), COX-2, TNF-α, adhesiemoleculen (waaronder VCAM en ICAM) en chemokines remt doorgroei in omliggend weefsel en metastasering.(35)

figuur-3-curcumine-gaat-de-tumorvorming-en-progressie-tegen
Figuur 3. Curcumine gaat de tumorvorming en -progressie tegen (35)

Daarnaast verhoogt curcumine de gevoeligheid van tumoren voor cytostatica en bestraling. Wetenschappers hebben ontdekt dat een tumor bestaat uit heterogene populaties van cellen; naast meer gedifferentieerde tumorcellen bevat een tumor subpopulaties van tumorstamcellen, die resistenter zijn voor chemotherapie, bestraling en hormoontherapie dan de overige tumorcellen. Na een aanvankelijk succesvolle kankertherapie en een lange periode van complete remissie kunnen uit tumorstamcellen opnieuw tumoren ontstaan. Curcumine is in staat deze tumorstamcellen te doden door remming van de afgifte van de pro-inflammatoire cytokines IL-6, IL-8 en IL-1 en modulatie van diverse regulatiemoleculen.(38) Daarnaast is het mogelijk dat curcumine de tumorstamcel aanzet tot differentiatie. Curcumine is niet cytotoxisch voor gewone stamcellen maar ondersteunt de functie van deze gezonde cellen.(38)

Suppletie met SLCP

Obstakel voor therapeutische toepassingen is de lage absorptie van curcumine na orale inname, de korte halfwaardetijd en de beperkte verspreiding in lichaamsweefsels. In dieronderzoek worden gezondheidseffecten gezien bij curcuminedoses variërend van 50 tot 500 mg/kg/dag. In humane studies (kanker, alzheimer, psoriasis, cystische fibrose) zijn doseringen tot 4 gram curcumine per dag gebruikelijk. Doseringen tot 8-12 gram/dag (getest bij onder meer kanker, reuma, oogziekten, aids en postoperatief) worden in de regel goed verdragen, maar roepen door het grote volume veel weerstand op bij de gebruikers.(39-44) Eventuele bijwerkingen zoals hoofdpijn, diarree of huiduitslag zijn niet dosis gerelateerd.(45) Curcumine is weliswaar werkzaam in kleine (micromolaire) concentraties, zelfs bij een hoge orale dosis (4-12 gram per dag) komt waarschijnlijk weinig curcumine in het lichaam terecht.(42,46,47) Het vetoplosbare curcumine is slecht wateroplosbaar, instabiel en wordt snel in de darmen en lever geïnactiveerd (door glucuronide- of sulfaatconjugatie) en vervolgens uitgescheiden.(47) Wetenschappers doen er alles aan om de biologische beschikbaarheid van curcumine te verbeteren, bijvoorbeeld door curcumine te combineren met piperine of fosfatidylcholine.(49)

Een nieuwe, gepatenteerde methode om de effectiviteit van curcuminesuppletie sterk te verbeteren is door curcumine aan te bieden in de vorm van SLCP (solid lipid curcumin particles). In humaan onderzoek is aangetoond dat deze (lipiden)vorm van ongebonden curcumine een tot 65 keer hogere biologische beschikbaarheid heeft dan gewone curcumine waardoor kan worden volstaan met veel lagere doseringen.(48) SLCP komt na orale inname via de lymfe (in chylomicronen) en niet zoals gebruikelijk via poortaderbloed het lichaam binnen en is gevrijwaard van inactivering in darmen en lever, waardoor meer curcumine in bloed en weefsels wordt opgenomen. In tegenstelling tot gewone (geconjugeerde) curcumine kan SLCP de bloed-hersenbarrière passeren, zorgt het voor een voldoende hoge weefselconcentratie en heeft het significante neuroprotectieve effecten.(50) In een humane studie met gezonde ouderen is aangetoond dat SLCP-suppletie (400 mg/dag met 80 mg curcumine) gunstig is voor cognitie en stemming.(51) In een tweede studie met gezonde volwassenen (40- 60 jaar) zorgde suppletie met SLCP (met 80 mg curcumine/dag gedurende 4 weken) voor verlaging van de bloedspiegels van triglyceriden, amyloïd-β (biomarker van hersenveroudering), ALT (alanine aminotransferase, marker voor leverschade) en ICAM (een adhesiemolecuul geassocieerd met atherosclerose) en stijging van de antioxidantcapaciteit en NO-synthese (stikstofmonoxide, indicatie voor verbetering endotheelfunctie).(52) Van SLCP is waarschijnlijk een (veel) lagere dosis nodig dan van andere curcuminepreparaten die in wetenschappelijke studies zijn gebruikt. Daarbij is de NOAEL (no observed adverse effect level) voor SLCP hoger dan 720 mg/ kg/dag.(51,53)

Indicaties

Wetenschappers verwachten dat curcumine bij een breed scala aan aandoeningen kan worden ingezet (tabel 1), gebaseerd op aangetoonde gezondheidseffecten en onderliggende werkingsmechanismen en de resultaten van vele dierstudies en een aantal humane studies. In humane studies zijn positieve resultaten met curcumine gerapporteerd bij onder meer kanker, diabetes mellitus, psoriasis, reumatoïde artritis, osteoartritis, oogziekten en de ziekte van Crohn.(54)

tabel-1-voorgestelde-indicaties-voor-curcuminesuppletie
Tabel 1. Voorgestelde indicaties voor curcuminesuppletie.(4,39,55-63)

Zenuwstelsel

In dierstudies is aangetoond dat curcumine neuroprotectieve activiteit bezit bij onder meer de ziekte van Alzheimer, de ziekte van Parkinson, beroerte, tardieve dyskinesie, epilepsie, hersentrauma, alcoholisme en diabetische neuropathie.(3,41,56,64-69) Ook zijn er aanwijzingen dat curcumine de ziekte van Marie- Charcot Tooth en de ziekte van Huntington kan beïnvloeden.(3) Neuroprotectie wordt bereikt door onder meer verlaging van oxidatieve stress en neuroinflammatie (opregulatie van Nrf2, HO-1 en PPAR-γ zijn hierbij belangrijke werkingsmechanismen), chelatie van zware metalen, modulatie van neurotransmittersystemen (serotonine, dopamine, GABA en glutamaat) en verhoging van BDNF (brain derived neurotrophic factor, een neurotrofine die de vorming van nieuwe neuronen stimuleert). (3,9,64) Verschillende preklinische studies wijzen op een neuroprotectieve werking van curcumine bij de ziekte van Parkinson. Curcumine beschermt tegen de endogene neurotoxines salsolinol en α-synuclein (die een rol spelen in de pathogenese van parkinson) en beschermt tegen dopaminerge neurodegeneratie door preventie van mitochondriale disfunctie. Mitochondriale disfunctie wordt voorkomen door remming van overexpressie van JNK (c-Jun N-terminal kinase), een MAPK. MAPK’s zijn mitogen-activated protein kinases, signaalmoleculen die worden geactiveerd door stressoren waaronder pro-inflammatoire cytokines en die celfuncties zoals celdeling, genexpressie, celdifferentiatie en apoptose reguleren.(70,71,72)

Ziekte van Alzheimer

Curcumine is een veelbelovende stof voor de preventie en behandeling van leeftijdsgerelateerde cognitieve achteruitgang en de ziekte van Alzheimer.(73) In-vitro en dierstudies hebben aangetoond dat curcumine het ziekteproces van de ziekte van Alzheimer remt, mede door bescherming tegen oxidatieve schade, ontstekingsremming, bescherming tegen neurotoxiciteit van amyloïd-β (Aβ) eiwit, remming van de vorming en aggregatie van Aβ en stimulering van de afbraak en verwijdering van Aβ-plaques (curcumine bindt hierbij aan amyloïd-β).(45,73-76) Factoren zoals verlaging van de cholesterolspiegel, het remmen van plaatjesaggregatie en chelatie van ijzer en aluminium dragen vermoedelijk ook bij aan het beschermende effect van curcumine.(77) Daarnaast gaat curcumine verlies van synaptophysine tegen, een (presynaptisch) membraaneiwit dat essentieel is voor de normale neurotransmissie en verlaagd is bij cognitieve achteruitgang en dementie.(74) Diermodellen voor de ziekte van Alzheimer bevestigen dat curcumine cognitieve achteruitgang tegengaat. Hierbij worden significante effecten bereikt met curcumine in een hoeveelheid die overeenkomt met 1,5 gram (gewone curcumine) per dag bij de mens. Zeer hoge doseringen curcumine lijken dus niet nodig voor een relevante neuroprotectieve activiteit. Er zijn enkele humane studies voltooid naar de werkzaamheid van curcumine (1-4 gram gedurende 6 maanden) bij de ziekte van Alzheimer en de resultaten van die studies zijn negatief of onvoldoende overtuigend.(45,73,78) Dit heeft vermoedelijk mede te maken met de lage biologische beschikbaarheid van gebruikte curcuminesupplementen.(45) Daarnaast is het denkbaar dat curcumine geschikt is voor de preventie van dementie en het beginstadium van de ziekte, maar minder effect heeft bij dementie in een vergevorderd stadium. Momenteel loopt een fase 2 studie naar de werkzaamheid van SLCP bij alzheimerpatiënten (suppletie met 4 of 6 gram SLCP met 800 of 1200 mg curcumine per dag).(74) Een klinische studie met gezonde ouderen doet vermoeden dat SLCP-suppletie leidt tot opname van een relevante hoeveelheid curcumine in de hersenen. Zestig gezonde ouderen (60- 85) namen gedurende 4 weken SLCP (400 mg/dag met 80 mg curcumine) of placebo in.(51) Een uur na inname van curcumine zagen de onderzoekers significante verbeteringen in concentratie en werkgeheugen, vergeleken met placebo. Dagelijkse inname van SLCP leidde tot significante verbeteringen van werkgeheugen en stemming (waarbij de proefpersonen beter bestand waren tegen psychologische stress); daarnaast daalden de totaal- en LDL-cholesterolspiegel significant.(51)

Depressie en chronische stress

Curcumine heeft antidepressieve activiteit in verschillende diermodellen voor depressie, mede door remming van neuroinflammatie, verlaging van oxidatieve stress, beïnvloeding van het stressregulatiesysteem (hypothalamus hypofyse-bijnieras) en modulatie van neurotransmittersystemen (serotonine, dopamine, norepinefrine, GABA, glutamaat) die zijn betrokken bij depressie.( 34,35,38,80,83,98) Curcumine zorgt voor dosisafhankelijke verhoging van BDNF (brain derived neurotrophic factor) met toename van neurogenese in hippocampus en frontale cortex.(34,38) Uit humane studies is bekend dat de serumspiegel van BDNF is verlaagd bij depressieve patiënten en dat deze normaliseert tijdens de behandeling met antidepressiva. Chronische stress speelt vaak een belangrijke rol bij het ontstaan van depressie. Dieronderzoek laat zien dat curcumine de mentale en fysieke stressbestendigheid verhoogt (adaptogene werking) en cognitieve achteruitgang en depressie door chronische stress mede tegengaat door verbetering van de glucosestofwisseling in de hersenen, remming van het pro-inflammatoire enzym iNOS en verhoging van BDNF, synaptophysine en 5-HT1A receptoren (serotonine 1A-receptoren).( 25,81,83,85-88) Een 6 weken durende humane studie uit 2014 met 60 proefpersonen levert het eerste klinische bewijs dat curcumine effectief en veilig is voor de behandeling van majeure depressie.(89) Behandeling met een curcuminesupplement met verbeterde absorptie (2x 500 mg/dag) was even effectief bij majeure depressie als het standaard antidepressivum fluoxetine (20 mg/dag), gemeten met HAMD17 (Hamilton Depression Rating Scale, 17-items).(89) De biologische beschikbaarheid van deze vorm van curcumine is naar schatting 7 keer hoger dan van gewone curcumine.(90) Het percentage responders (mensen die baat hadden bij de behandeling) was vergelijkbaar in beide groepen (curcumine 62,5%, fluoxetine 64,7%).(89)

Chronische oogaandoeningen

Preklinische en enige klinische studies laten veelbelovende resultaten zien van (oraal toegediende) curcumine bij verschillende chronische oogaandoeningen zoals chronische uveïtis anterior, diabetische retinopathie, glaucoom, leeftijdsgerelateerde maculadegeneratie, (diabetische) cataract, proliferatieve vitroretinopathie (gerelateerd aan netvliesloslating), allergische conjunctivitis, droge ogen syndroom en optische neuritis (demyeliniserende ontstekingsziekte geassocieerd met multiple sclerose).(91-95) Ontsteking speelt bij veel oogaandoeningen een belangrijke rol, ook bij oogaandoeningen die aanvankelijk niet werden beschouwd als ontstekingsziekten, zoals glaucoom, leeftijdsgerelateerde maculadegeneratie, retinale ischemie en diabetische retinopathie.(94) In twee klinische studies resulteerde curcuminesuppletie (3×375 mg/dag resp. 2×120 mg/dag) in significante verbetering van de oogconditie bij in totaal 154 proefpersonen met chronische uveitis anterior.( 92,93) In de eerste studie constateerden de onderzoekers dat curcumine net zo goed werkte als corticosteroïden (de standaardtherapie bij deze oogaandoening) en dat het een goed alternatief kan zijn voor corticosteroïden vanwege het ontbreken van bijwerkingen. In de tweede studie werd een curcuminepreparaat met verhoogde absorptie gebruikt (curcumine-fosfatidylcholine complex met circa 20 keer hogere biologische beschikbaarheid) naast de standaardtherapie. De oogklachten namen af bij meer dan 80% van de proefpersonen na een paar weken curcuminesuppletie; na 12 maanden was het aantal exacerbaties van uveitis anterior van 275 (in de 12 maanden voorafgaande aan curcuminesuppletie) naar 36 gedaald.(93) Curcuminesuppletie (3×375 mg/dag gedurende 6-22 maanden) zorgde bij 5 proefpersonen met idiopathische orbitale ontsteking voor gestage afname van het ontstekingsproces; bij 4 van de 5 proefpersonen trad volledige genezing op.(94) Curcumine-fosfatidylcholine complex (in een dosering van 1200 mg/ dag met 240 mg curcumine) werd getest bij 12 proefpersonen (18 ogen) met chronische centrale sereuze chorioretinopathie (CSCR).(91) Hierbij lekt vocht uit het vaatvlies (chorioidea) naar de macula (gele vlek, het centrale deel van het netvlies) en ontstaat een zwelling onder het netvlies. Na 6 maanden curcuminesuppletie was de gezichtsscherpte in de geteste ogen toegenomen (bij 61%) of stabiel gebleven (bij 39%); bij 78% van de ogen werd afname van (neuro)retinale zwelling gezien.(91)

Kanker

De laatste jaren wordt in toenemende mate onderzoek gedaan naar de effecten van curcumine bij mensen met kanker (onder meer multiple myeloom, osteosarcoom, colorectaal-, prostaat-, borst- en pancreaskanker). Het gaat veelal om fase 1 studies met kleine groepen patiënten, waarbij gekeken wordt naar de biologische beschikbaarheid van curcumine, veiligheid van suppletie en eerste bewijzen van werkzaamheid. Het is mogelijk dat curcumine vooral werkt tegen kanker in het maagdarmkanaal omdat gemakkelijker hogere weefselconcentraties worden bereikt, tenzij wordt gekozen voor curcumine met verbeterde absorptie of intraveneuze toediening van curcumine (in lipidenvorm).(96) Curcumine kan de effectiviteit van reguliere behandelingen versterken, maar ook bijwerkingen ervan verzachten.In een pilotstudie namen 40 mannen met prostaatkanker, die bestraald werden, een curcuminesupplement in met verbeterde absorptie (3 gram/dag) of placebo.(89) De curcuminegroep had na 3 maanden significant minder last van radiotherapie gerelateerde urinewegklachten dan de placebogroep.(98) In een andere studie leidde curcuminesuppletie (6 gram/ dag) tot vermindering van radiodermatitis bij borstkankerpatiënten.(99) Curcumine kan ook bijdragen aan de preventie van kanker. Bij 5 patiënten met familiaire adenomateuze polyposis, een erfelijke aandoening met goedaardige poliepen in de dikke darm en een sterk toegenomen kans op dikkedarmkanker, zorgde suppletie met curcumine (3×480 mg/dag) en quercetine (3×20 mg/dag) gedurende 6 maanden voor significante afname (aantal, grootte) van poliepen.(99)

Hart- en vaatziekten

Curcumine remt atherosclerose; dierstudies hebben aangetoond dat curcumine de endotheelfunctie verbetert, plaatjesaggregatie remt, de LDL-cholesterolspiegel verlaagt, de HDL-cholesterolspiegel verhoogt, LDL beschermt tegen oxidatie en vaatontsteking remt.(35) Curcumine zorgt voor neerregulatie van MMP’s (matrix metalloproteinases; deze enzymen zijn betrokken bij de afbraak van extracellulaire matrix) en opregulatie van TIMP’s (tissue inhibitor of metalloproteinases, remmers van MMP’s); een verstoorde balans van deze regulatiemoleculen is geassocieerd met diverse aandoeningen waaronder atherosclerose, kanker, artritis en endometriose.( 100) In een humane studie leidde curcuminesuppletie (500 mg/dag) tot daling van LDL-cholesterol met 12%, stijging van HDL-cholesterol met 29% en daling van lipidenperoxidatie met 33%.(35,101) Een dosis van 150 mg curcumine per dag was in een andere humane studie voldoende voor verbetering van endotheelfunctie en verlaging van lipidenperoxidatie en bloedspiegels van pro-inflammatoire cytokines (TNF-α, IL-6, endotheline-1).(54) De ontstekingsmarker C-reactief proteïne (CRP) is een sterke voorspeller en onafhankelijke risicofactor voor hart- en vaatziekten. Een meta-analyse van humane studies concludeert dat suppletie met curcumine (met verbeterde absorptie) gedurende minimaal 4 weken is geassocieerd met significante verlaging van de CRP-spiegel.(102) Curcumine heeft cardioprotectieve effecten in diermodellen voor hypertensie, hartinfarct en hartfalen, mede door het tegengaan van harthypertrofie, ontsteking, ischemie-reperfusieschade en fibrose.(103-105) Endometriose In een diermodel voor endometriose is vastgesteld dat curcumine zorgt voor dosisafhankelijke regressie van endometriose door remming van de expressie en activiteit van MMP-2, MMP-3 en MMP-9 (matrix metalloproteinase 2, 3 en 9), ontstekingsremming (remming TNF-α), verlaging van oxidatieve stress (daling lipiden- en eiwitoxidatie), remming van de oestradiolsynthese in endometrioseweefsel en remming van angiogenese (door remming van vascular endothelial growth factor/ VEGF, een signaalmolecuul dat de nieuwvorming van bloedvaten stimuleert).(100,106)

Reumatoïde artritis en osteoartritis

Een humane pilotstudie (duur 8 weken) geeft aan dat curcumine (2×500 mg/dag) beter helpt tegen reumatoïde artritis (significante daling ziekteactiviteit, minder pijn en minder gevoelige en gezwollen gewrichten, significante daling ontstekingsmarker C-reactief proteïne) dan de pijnstiller diclofenac (2×50 mg/dag). Een belangrijk werkingsmechanisme van curcumine is remming van de synthese en expressie van het pro-inflammatoire cytokine TNF-α , dat een centrale rol speelt in het ziekteproces.(21,128) Daarnaast remt curcumine Th17-celgemedieerde (T-helper lymfocyten type 17) ontsteking, dat kenmerkend is voor reuma en andere auto-immuunziekten.(107,108) Bij osteoartritis (artrose) zorgt laaggradige ontsteking voor afbraak van gewrichtskraakbeen; curcumine beschermt het kraakbeen en remt het ontstekingsproces.( 109,110) In een humane studie leidde curcuminesuppletie (200 mg/dag) tot significante afname van gewrichtspijn en verbetering van de gewrichtsfunctie, terwijl ontstekingsmarkers in het bloed (waaronder IL-1β, IL-6, VCAM-1, erytrocytbezinkingssnelheid) significant daalden.(111)

Spieratrofie en spiertrauma

Er zijn sterke aanwijzingen dat curcumine verlies van spiermassa tegengaat, veroorzaakt door immobiliteit, veroudering, kanker, aids, sepsis, diabetes, uremie, congestief hartfalen, acute quadriplege myopathie, neurogene atrofie en COPD.(112,113) De reguliere geneeskunde heeft hiertegen geen remedie. Versnelde spierafbraak bij katabole/inflammatoire aandoeningen wordt primair veroorzaakt door opregulatie van de ‘ubiquitin proteasome pathway’ (UPP) in spierweefsel, het belangrijkste intracellulaire systeem voor eiwitafbraak. In dieronderzoek is vastgesteld dat curcumine opregulatie van UPP (en daarmee spieratrofie) tegengaat door remming van p38 (een MAPK).(112) Bij bedlegerigheid of immobiliteit nemen spierkracht en spiermassa mede af door daling van de activiteit van Grp94 (glucose-regulated protein 94 kDa) in spierweefsel; suppletie met curcumine houdt Grp94 op peil bij (langdurige) inactiviteit.(113) Curcumine bevordert het herstel na spiertrauma; in een dierstudie versnelde curcumine regeneratie van spierweefsel (myogenese) na trauma door verhoging van spiercelproliferatie en –differentiatie.(35)

Obesitas, metabool syndroom en diabetes type 2

Curcumine kan bij obesitas bijdragen aan gewichtsreductie en de preventie van obesitas gerelateerde aandoeningen waaronder metabool syndroom, diabetes type 2, NASH (non-alcoholische steatohepatitis) en hart- en vaataandoeningen (waaronder hartritmestoornissen).(114) Door neerregulatie van met obesitas geassocieerde inflammatoire signaalmoleculen, waaronder NFkB en de adipokines TNF-α, IL-6, resistine, leptine en MCP-1 (monocyte chemotactic protein-1) en opregulatie van anti-inflammatoire signaalmoleculen (waaronder adiponectine, Nrf2 en PPAR-γ) zorgt curcumine voor afname van insulineresistentie, hyperglycemie en hyperlipidemie. Curcumine verlaagt de kans dat pre-diabetes (gekenmerkt door een verhoogde nuchtere glucosespiegel, verminderde glucosetolerantie en verhoogde HbA1cspiegel) uitmondt in diabetes type 2. Dit blijkt uit een placebogecontroleerde humane studie (met 240 deelnemers) waarin 16,4% van de proefpersonen, die placebo slikten, na 9 maanden diabetes type 2 hadden ontwikkeld, terwijl dit bij niemand in de curcuminegroep (1,5 gram curcumine per dag) het geval was.(115) Uit preklinische studies is bekend dat curcumine antidiabetische effecten heeft, mede door bescherming van insulineproducerende bètacellen tegen ontsteking en oxidatieve beschadiging (door opregulatie van Nrf2 en HO-1) en ondersteuning van de bètacelfunctie.( 114,115) In 1972 is voor het eerst aangetoond dat curcumine de bloedglucosespiegel kan verlagen bij mensen met diabetes mellitus.(114) Bij diabetici kan curcumine bijdragen aan de preventie van diabetescomplicaties waaronder cardiomyopathie, retinopathie, cataract, ulcera, nefropathie, neuropathie en encefalopathie.(114,116,117) Een recente humane studie suggereert dat curcumine toegenomen atherosclerose bij diabetici (type 2) tegengaat en de verhoogde kans op hart- en vaatziekten terugbrengt.(116) Curcuminesuppletie (1,5 gram/dag) gedurende 6 maanden leidde tot verhoging van (ontstekingsremmende) adiponectine en daling van (ontstekingsbevorderende) leptine; een verstoorde balans van deze adipokines bevordert atherosclerose. Andere, met atherosclerose geassocieerde factoren (abdominale obesitas, verhoogde triglyceriden- en urinezuurspiegel, insulineresistentie) verbeterden eveneens. Curcuminesuppletie leidde tot daling van arteriële stijfheid, een surrogaatmarker voor atherosclerose die een sterke correlatie heeft met hart- en vaatziekten en de kans op sterfte.(116)

Wonden en psoriasis

Uitwendig gebruik van curcumine versnelt de wondheling, mede door antioxidantactiviteit en opregulatie van TGF-β1 (transforming growth factor beta 1, een belangrijke cytokine voor wondheling).(35) Curcumine verbetert de vorming van granulatieweefsel, collageendepositie, remodellering en wondcontractie en beschermt tegen wondinfectie.(118) In een placebogecontroleerde studie met 60 proefpersonen met milde tot gematigde psoriasis vulgaris (Psoriasis Area and Severity Index (PASI) score < 10) zorgde curcuminesuppletie (2 gram/dag met 20% curcumine gedurende 12 weken; curcumine als nanodeeltjes liposomen) naast gebruik van een corticosteroïdenzalf voor significant grotere verbetering van de huidziekte dan alleen gebruik van de corticosteroïdenzalf.( 119) De serumspiegel van het pro-inflammatoire cytokine IL-22 daalde met 50% in de curcuminegroep, terwijl deze gelijk bleef in de controlegroep. De werkzaamheid van curcumine bij psoriasis wordt toegeschreven aan ontstekingsremming (mede door daling van de activiteit van Th22-cellen, een subpopulatie van T-lymfocyten, die net als Th17-cellen overactief zijn bij psoriasis), het tegengaan van angiogenese en proliferatie van keratinocyten, en verlaging van de activiteit van fosforylasekinase (overactiviteit van dit enzym speelt een belangrijke rol in het ziekteproces).(119)

Inflammatoire darmziekten

Diverse klinische studies hebben aangetoond dat aanvullende behandeling van inflammatoire darmziekten (ziekte van Crohn, colitis ulcera) met curcumine zinvol is en goed wordt verdragen.(43,45) Curcumine verlicht de darmklachten en verlaagt met de ziekte geassocieerde ontstekingsmarkers zoals myeloperoxidase, COX-1, COX-2, LOX, TNF-α, IFN-γ, iNOS en NFκB.(120-122) Bij patiënten met ulceratieve colitis leidde aanvullende behandeling met curcumine (2×1 gram/dag gedurende 6 maanden) tot significante afname van de ziekteactiviteit en een kleinere kans op opvlammingen.(123) Vermoedelijk remt curcumine het ontstekingsproces mede door remming van de activiteit van TRPV1 (transient receptor potential vanilloid-1 receptor), dat een belangrijke rol speelt bij intestinale ontsteking en pijn.(124)

Contra-indicaties

• Galwegobstructie en galstenen
• Zwangerschap en het geven van borstvoeding (vanwege het ontbreken van veiligheidsgegevens)

Interacties

  • Curcumine remt bloedplaatjesaggregatie; voorzichtigheid is geboden bij het combineren van curcumine met trombocytenaggregatieremmers en andere antistollingsmiddelen.( 125)
  • Curcumine kan de bloedglucosespiegel verlagen; diabetici dienen met dit effect van curcumine rekening te houden.(126)
  • Curcumine beschermt tegen toxische effecten van alcohol (lever, pancreas, zenuwstelsel)( 127), aflatoxine (lever, nieren, testis), artesunaat (testis)(128), chloroquine (voortplantingssysteem)(129), adriamycine (hart)(130), isoproterenol (hart)(131), gentamycine (nieren)(132) en ritonavir (bloedvaten)( 133).
  • Curcumine en sicrolimus hebben synergetische immunosuppressieve effecten en mogelijk synergetische antiproliferatieve effecten in tumorcellen.(134)
  • Curcumine gaat cytostatica-resistentie van tumoren tegen en verhoogt de effectiviteit van cytostatica (waaronder 5-fluorouracil, doxorubicine, gemcitabine, carboplatine).(135-137)
  • Neurotoxiciteit van rotenon wordt tegengegaan door curcumine.(138)
  • Het omega 3-vetzuur DHA en curcumine hebben synergetische activiteit tegen pancreaskanker (dierstudie).(139)
  • Curcumine versterkt mogelijk de werkzaamheid van celecoxib bij reumatische aandoeningen en kanker (pancreas, colorectaal).(140-142)
  • Curcumine helpt een indometacinegeïnduceerde maagzweer mogelijk voorkomen en genezen.(143)
  • Curcumine versterkt de werking van methotrexaat en beschermt tegen hepatotoxiciteit van methotrexaat (diermodel reumatoïde artritis).(144 )
  • Resveratrol en curcumine hebben mogelijk synergetische activiteit tegen osteoartritis.(145)
  • Curcumine remt virusreplicatie en versterkt de reguliere behandeling bij hiv en aids.(146)
  • Curcumine cheleert ijzer; neem curcumine niet gelijktijdig met een ijzersupplement in en wees terughoudend met curcuminesuppletie bij mensen met een ijzergebrek.(147)

img_2777Meer weten? maak een afspraak met Alie Wouda  Natuurpraktijk Aurora; info@natuurpraktijkaurora.nl

Referenties

  1. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/advanced
  2. Aggarwal BB et al. Potential therapeutic effects of curcumin, the anti-inflammatory agent, against neurodegenerative, cardiovascular, pulmonary, metabolic, autoimmune and neoplastic diseases. Int J Biochem Cell Biol. 2009;41:40-59.
  3. Greg M et al. Neuroprotective effects of curcumin. Adv Exp Med Biol. 2007;595:197-212.
  4. Noorafshan A et al. A review of therapeutic effects of curcumin. Curr Pharm Des. 2013;19(11):2032-46.
  5. Balasubramanyam M et al. Curcumin-induced inhibition of cellular reactive oxygen species generation: Novel therapeutic implications; J. Biosci. 2003;28:715-721.
  6. Sarvalkar PP et al. Antioxidative effect of curcumin (Curcuma longa) on lipid peroxidation and lipofuscinogenesis in submandibular gland of D-galactose- induced aging male mice. J Med Plants Res. 2011;5(20):5191-5193.
  7. Roy M et al. Curcumin prevents DNA damage and enhances the repair potential in a chronically arsenic-exposed human population in West Bengal, India. Eur J Cancer Prev. 2011;20(2):123-31.
  8. Shehzad A et al. Molecular mechanisms of curcumin action: signal transduction. Biofactors. 2013;39(1):27-36.
  9. Sandberg M et al. NRF2-regulation in brain health and disease: Implication of cerebral inflammation. Neuropharmacol. 2014;79:298-306.
  10. Sykiotis GP et al. The role of the antioxidant and longevitypromoting Nrf2 pathway in metabolic regulation. Curr Opin Clin Nutr Metab Care. 2011;14(1):41-8.
  11. Jazwa A et al. Pharmacological targeting of the transcription factor NRf2 at the basal ganglia provides disease modifying therapy for experimental parkinsonism. Antioxidants and Redox Signaling. 2011;14(12):2347-2360.
  12. Kitani K et al. Interventions in aging and age-associated pathologies by means of nutritional approaches. Ann NY Acad Sci 2004;1019:424-426.13. 29. Sethi P et al.
  13. Curcumin attenuates aluminium-induced functional neurotoxicity in rats. Pharmacol Biochem Behav. 2009;93(1):31-9.
  14. Daniel S et al. Through metal binding, curcumin protects against lead- and cadmium-induced lipid peroxidation in rat brain homogenates and against lead-induced tissue damage in rat brain. J Inorg Biochem. 2004;98(2):266-75.
  15. García-Niño WR et al. Protective effect of curcumin against heavy metals-induced liver damage. Food Chem Toxicol. 2014;69:182-201.
  16. Kukongviriyapan U et al. Curcumin protects against cadmium- induced vascular dysfunction, hypertension and tissue cadmium accumulation in mice. Nutrients. 2014;6(3):1194-208.
  17. Aggarwal BB et al. Suppression of the nuclear factorkappaB activation pathway by spice-derived phyto chemicals: reasoning for seasoning. Ann N Y Acad Sci. 2004;1030:434- 441.
  18. Ali T et al. Curcumin and inflammatory bowel disease: biological mechanisms and clinical implication. Digestion 2012;85:249-255.
  19. Chandran B et al. A randomized, pilot study to assess the efficacy and safety of curcumin in patients with active rheuma-toid arthritis. Phytother Res. 2012;26(11):1719-25.
  20. Schulze-Tanzil G et al. Effects of curcumin (diferuloylmethane) on nuclear factor kappaB signaling in interleukin-1betastimulated chondrocytes. Ann N Y Acad Sci. 2004;1030:578-86.
  21. Srivastava RM et al. Immunomodulatory and therapeutic activity of curcumin. Int Immunopharmacol. 2011;11:331-341.
  22. Son Y et al. Therapeutic roles of heme oxygenase-1 in metabolic diseases: curcumin and resveratrol analogues as possible inducers of heme oxygenase-1. Oxid Med Cell Longev. 2013;2013:639541.
  23. Pae HO et al. Heme oxygenase-1: its therapeutic roles in inflammatory diseases. Immune Netw. 2009;9(1):12-9.
  24. Scapagnini G et al. Modulation of Nrf2/ARE pathway by food polyphenols: a nutritional neuroprotective strategy for cognitive and neurodegenerative disorders. Mol Neurobiol. 2011;44(2):192-201.
  25. Kröncke KD et al. Inducible nitric oxide synthase in human diseases. Clin Exp Immunol. 1998;113(2):147-56.
  26. Peng YL et al. Inducible nitric oxide synthase is involved in the modulation of depressive behaviors induced by unpredictable chronic mild stress. J Neuroinflammation 2012;9:75.
  27. Meng Z et al. Curcumin attenuates cardiac fibrosis in spontaneously hypertensive rats through PPAR-γ activation. Acta Pharmacol Sin. 2014;35(10):1247-56.
  28. Liu LB et al. Curcumin inhibited rat colorectal carcinogenesis by activating PPAR-γ: an experimental study. Zhongguo Zhong Xi Yi Jie He Za Zhi. 2015;35(4):471-5.
  29. Liu ZJ et al. Curcumin Protects Neuron against Cerebral Ischemia-Induced Inflammation through Improving PPARGamma Function. Evid Based Complement Alternat Med. 2013;2013:470975.
  30. Zhou X et al. Curcumin ameliorates renal fibrosis by inhibiting local fibroblast proliferation and extracellular matrix deposition. J Pharmacol Sci. 2014;126(4):344-50.
  31. Stefanska B. Curcumin ameliorates hepatic fibrosis in type 2 diabetes mellitus – insights into its mechanisms of action. Br J Pharmacol. 2012;166(8):2209-11.
  32. Shehzad A et al. New mechanisms and the anti-inflammatory role of curcumin in obesity and obesity-related metabolic diseases. Eur J Nutr. 2011;50(3):151-61.
  33. Dekkers JF et al. PPARγ as a therapeutic target in cystic fibrosis. Trends Mol Med. 2012;18(5):283-91.
  34. Dantas AT et al. The Role of PPAR gamma in systemic sclerosis. PPAR Res. 2015;2015:124624.
  35. Ichikawa H et al. Curcumine – Biological and medicinal properties. Uit: Turmeric, the genus Curcuma. CRC Press 2007;297-368. ISBN: 9780849370342.
  36. Shanmugam MK et al. The multifaceted role of curcumin in cancer prevention and treatment. Molecules 2015;20:2728- 2769.
  37. Hasima N et al. Cancer-linked targets modulated by curcumin. Int J Biochem Mol Biol. 2012;3(4):328-51.
  38. Sordillo PP et al. Curcumin and cancer stem cells: curcumin has asymmetrical effects on cancer and normal stem cells. Anticancer Res. 2015;35(2):599-614.
  39. Hatcher H et al. Curcumin: from ancient medicine tot current clinical trials. Cell Mol Life Sci. 2008;65:1631-1652.
  40. Cheng AL et al. Phase I clinical trial of curcumin, a chemopreventive agent, in patients with high-risk or pre-malignant lesions. Anticancer Res. 2001;21:2895-2900.
  41. Aggarwal, B. B.; Kumar, A.; Bharti, A. C. Anticancer potential of curcumin: preclinical and clinical studies. Anticancer Res. 23:363–398;2003.
  42. Lao CD et al. Dose escalation of a curcuminoid formulation. BMC Complement Altern Med. 2006;6:10.
  43. Kunnumakkara AB et al. Curcumin inhibits proliferation, invasion, angiogenesis and metastasis of different cancers through interaction with multiple cell signaling proteins. Cancer Lett. 2008;269:199-225.
  44. Ringman JM et al. A potential role of the curry spice curcumin in Alzheimer’s disease. Curr Alzheimer Res. 2005;2(2):131- 6.
  45. Brondino N et al. Curcumin as a therapeutic agent in dementia: a mini systematic review of human studies. Scientific- WorldJournal. 2014;2014:174282.
  46. Alpers DH. The potential use of curcumin in management of chronic disease: too good to be true? Curr Opin Gastroenterol. 2008;24:173-175.
  47. Hsu CH et al. Clinical studies with curcumin. Adv Exp Med Biol 2007;595:471-480.
  48. Gota VS et al. Safety and pharmacokinetics of a solid lipid curcumin particle formulation in osteosarcoma patients and healthy volunteers. J Agric Food Chem. 2010;58(4):2095-9.
  49. Singh S. From exotic spice to modern drug? Cell 2007; 130:765–768.
  50. Frautschy SA et al. Efficacy of curcumin formulations in relation to systemic availability in the brain and different blood compartments in neuroinflammatory and AD models. 38th Annual Meeting of the Society of Neuroscience, Washington DC, November 15, 2008.
  51. Cox KH et al. Investigation of the effects of solid lipid curcumin on cognition and mood in a healthy older population. J Psychopharmacol. 2015;29(5):642-51.
  52. DiSilvestro RA et al. Diverse effects of a low dose supplement of lipidated curcumin in healthy middle aged people. Nutrition J. 2012;11:79.
  53. Dadhaniya P et al. Safety assessment of a solid lipid curcumin particle preparation: acute and subchronic toxicity studies. Food Chem Toxicol. 2011;49(8):1834-42.
  54. Aggarwal BB et al. Curcumin: an orally bioavailable blocker of TNF and other pro-inflammatory biomarkers. Br J Pharmacol. 2013;169(8):1672-92.
  55. Gupta SC et al. Therapeutic roles of curcumin: lessons learned from clinical trials. AAPS J. 2013;15(1):195-218.
  56. Mishra S et al. The effect of curcumin (turmeric) on Alzheimer’s disease: An overview. Ann Indian Acad Neurol. 2008;11(1):13-9.
  57. Aggarwal BB et al. Pharmacological basis for the role of curcumin in chronic diseases: an age-old spice with modern targets. Trends Pharmacol Sci. 2009;30:85–94.
  58. Brietzke E et al. Is there a role for curcumin in the treatment of bipolar disorder? Med Hypotheses. 2013;80(5):606-12.
  59. Kurup VP et al. Immunomodulatory effects of curcumin in allergy. Mol Nutr Food Res. 2008;52(9):1031-9.
  60. Xie L et al. Curcumin has bright prospects for the treatment of multiple sclerosis. Int Immunopharmacol. 2011;11(3):323- 30.
  61. Hussan F et al. Curcumin Protects against Ovariectomy- Induced Bone Changes in Rat Model. Evid Based Complement Alternat Med. 2012;2012:174916.
  62. Moghaddam SJ et al. Curcumin inhibits COPD-like airway inflammation and lung cancer progression in mice. Carcinogenesis. 2009;30(11):1949-56.
  63. Karaman M et al. Anti-inflammatory effects of curcumin in a murine model of chronic asthma. Allergol Immunopathol (Madr). 2012;40(4):210-4.
  64. Kulkarni SK et al. An overview of curcumin in neurological disorders. Indian J Pharm Sci. 2010;72(2):149-54.
  65. Bishnoi M, Chopra K, Kulkarni S. Protective effect of Curcumin, the active principle of turmeric (Curcuma longa) in haloperidol-induced orofacial dyskinesia and associated behavioural, biochemical and neurochemical changes in rat brain. Pharmacol Biochem Behav. 2008;88:511–522.
  66. Jagatha B et al. Curcumin treatment alleviates the effects of glutathione depletion in vitro and in vivo: therapeutic implications for Parkinson’s disease explained via in silico studies. Free Radic Biol Med. 2008;44:907–917.
  67. Ovbiagele B. Potential role of curcumin in stroke prevention. Expert Rev Neurother. 2008;8:1175–1176.
  68. Jyoti A et al. Curcumin protects against electrobehavioral progression of seizures in the iron-induced experimental model of epileptogenesis. Epilepsy Behav. 2009;14:300–308.
  69. Sharma S et al. Effect of insulin and its combination with resveratrol or curcumin in attenuation of diabetic neuropathic pain: participation of nitric oxide and TNF-alpha. Phytother Res. 2007;21:278–283.
  70. Qualls Z et al. Protective effects of curcumin against rotenone and salsolinol-induced toxicity: implications for Parkinson’s disease. Neurotox Res. 2014;25(1):81-9.
  71. Wang WS et al. Curcumin reduces α-synuclein induced cytotoxicity in Parkinson’s disease cell model. BMC Neuroscience 2010;11:57.
  72. Pan J et al. Curcumin inhibition of JNKs prevents dopaminergic neuronal loss in a mouse model of Parkinson’s disease through suppressing mitochondria dysfunction. Translational Neurodegeneration 2012;1:16.
  73. Davinelli S et al. Pleiotropic protective effects of phytochemicals in Alzheimer’s disease. Oxid Med Cell Longev. 2012;2012:386527.
  74. Frautschy SA et al. Phenolic anti-inflammatory antioxidant reversal of Abeta-induced cognitive deficits and neuropathology. Neurobiol Aging. 2001;22(6):993-1005.
  75. Zhang C et al. Curcumin decreases amyloid-beta peptide levels by attenuating the maturation of amyloid-beta precursor protein. J Biol Chem. 2010;285(37):28472-80.
  76. Yanagisawa D et al. Curcuminoid binds to amyloid-β1-42 oligomer and fibril. J Alzheimers Dis. 2011;24 Suppl 2:33-42.
  77. Garcia-Alloza M et al. Curcumin labels amyloid pathology in vivo, disrupts existing plaques, and partially restores distorted neurites in an Alzheimer mouse model. J Neurochem 2007;102:1095–104.
  78. Baum L et al. Six-month randomized, placebo-controlled, double-blind, pilot clinical trial of curcumin in patients with Alzheimer’s disease. J Clin Psychopharmacol. 2008;28:110-113.
  79. Lopresti AL et al. Multiple antidepressant potential modes of action of curcumin: a review of its anti-inflammatory, monoaminergic, antioxidant, immune-modulating and neuroprotective effects. J Psychopharmacol. 2012;26(12):1512-1524.
  80. Hurley LL et al. Antidepressant-like effects of curcumin in WKY rat model of depression is associated with an increase in hippocampal BDNF. Behav Brain Res. 2013;239:27-30.
  81. Kulkarni SK et al. Antidepressant activity of curcumin: involvement of serotonin and dopamine system. Psychopharmacology (Berl). 2008;201:435-42.
  82. Kulkarni S et al. Potentials of curcumin as an antidepressant. ScientificWorldJournal. 2009;9:1233-41.
  83. Zhang L et al. Effects of curcumin on chronic, unpredictable, mild, stress-induced depressive-like behaviour and structural plasticity in the lateral amygdala of rats. Int J Neuropsychopharmacol. 2014;17:793-806.
  84. Sanmukhani J et al. Evaluation of antidepressant like activity of curcumin and its combination with fluoxetine and imipramine: an acute and chronic study. Acta Pol Pharm. 2011;68(5):769-75.
  85. Bhatia N et al. Adaptogenic potential of curcumin in experimental chronic stress and chronic unpredictable stress-induced memory deficits and alterations in functional homeostasis. J Nat Med. 2011l;65(3-4):532-43.
  86. Bhutani MK et al. Anti-depressant like effect of curcumin and its combination with piperine in unpredictable chronic stress-induced behavioral, biochemical and neurochemical changes. Pharmacol Biochem Behav. 2009;92:39-43.
  87. Xu et al. Curcumin reverses impaired hippocampal neurogenesis and increases serotonin receptor 1A mRNA and brainderived neurotrophic factor expression in chronically stressed rats. Brain Res. 2007;1162:9-18.
  88. Lin Z et al. Effects of curcumin on glucose metabolism in the brains of rats subjected to chronic unpredictable stress: a 18 F-FDG micro-PET study. BMC Complement Altern Med. 2013;13:202.
  89. Sanmukhani J et al. Efficacy and safety of curcumin in major depressive disorder: a randomized controlled trial. Phytother Res. 2014;28(4):579-85.
  90. Antony B et al. A pilot cross-over study to evaluate human oral bioavailability of BCM-95CG (Biocurcumax), a novel bioenhanced preparation of curcumin. Indian J Pharm Sci. 2008;70(4):445-9.
  91. Pescosolido N et al. Curcumin: therapeutical potential in ophthalmology. Planta Med. 2014;80(4):249-54.
  92. Lal B et al. Efficacy of curcumin in the management of chronic anterior uveitis. Phytother Res 1999;13:318–322.
  93. Allegri P et al. Management of chronic anterior uveitis relapses: efficacy of oral phospholipidic curcumin treatment. Longterm follow-up. Clin Ophthalmol 2010;4:1201-1206.
  94. Lal B et al. Role of curcumin in idiopathic inflammatory orbital pseudotumours. Phytother Res 2000;14:443-447.
  95. Mandal MN et al. Curcumin protects retinal cells from lightand oxidant stress-induced cell death. Free Radic Biol Med. 2009;46(5):672-9.
  96. Dhillon N et al. Phase II trial of curcumin in patients with advanced pancreatic cancer. Clin Cancer Res. 2008;14(14):4491- 4499.
  97. Hejazi J et al. A pilot clinical trial of radioprotective effects of curcumin supplementation in patients with prostate cancer. J Cancer Sci Ther. 2013;5-10.
  98. Ryan JL et al. Curcumin for radiation dermatitis: A randomized, double-blind, placebo-controlled clinical trial of thirty breast cancer patients. Radiat Res. 2013;180:34-43.
  99. Cruz-Correa M et al. Combination treatment with curcumin and quercetin of adenomas in familial adenomatous polyposis. Clin Gastroenterol Hepatol. 2006;4(8):1035-8.
  100. Swarnakar S et al. Curcumin arrests endometriosis by downregulation of matrix metalloproteinase-9 activity. Indian J Biochem Biophys. 2009;46(1):59-65.
  101. Soni KB et al. Effect of oral curcumin administration on serum peroxides and cholesterol levels in human volunteers. Indian J Physiol Pharmacol. 1992;36(4), 273-275.
  102. Sahebkar A. Are curcuminoids effective C-reactive proteinlowering agents in clinical practice? Evidence from a metaanalysis. Phytother Res. 2014;28(5):633-42.
  103. Srivastava G et al. Currying the heart: curcumin and cardioprotection. J Cardiovasc Pharmacol Ther. 2009;14:22-27.
  104. Yeh CH et al. Inhibition of NFkappaB activation with curcumin attenuates plasma inflammatory cytokines surge and cardiomyocytic apoptosis following cardiac ischemia/reperfusion. J Surg Res. 2005;125:109-116.
  105. Pongchaidecha A et al. Effects of curcuminoid supplement on cardiac autonomic status in high-fat-induced obese rats. Nutrition. 2009;25(7-8):870-8.
  106. Zhang Y et al. Curcumin inhibits endometriosis endometrial cells by reducing estradiol production. Iran J Reprod Med. 2013;11(5):415-22.
  107. El-Wakkad A et al. The effect of curcumin on T helper 1/T helper 17 balance in rat collagen-induced arhtritis model. Global J Pharmacol. 2015;9(1):87-96.
  108. Xie L et al. Amelioration of experimental autoimmune encephalomyelitis by curcumin treatment through inhibition of IL-17 production. Int Immunopharmacol. 2009;9(5):575-81.
  109. Shakibaei M et al. Curcumin protects human chondrocytes from IL-l1beta-induced inhibition of collagen type II and beta1-integrin expression and activation of caspase-3: an immunomorphological study. Ann Anat. 2005187(5-6):487-97.
  110. Mathy-Hartert M t al. Curcumin inhibits pro-inflammatory mediators and metalloproteinase-3 production by chondrocytes. Inflamm Res. 2009;58(12):899-908.
  111. Belcaro G et al. Efficacy and safety of Meriva®, a curcuminphosphatidylcholine complex, during extended administration in osteoarthritis patients. Altern Med Rev. 2010;15:337-344.
  112. Jin B et al. Curcumin prevents lipopolysaccharide-induced atrogin-1/MAFbx upregulation and muscle mass loss. J Cell Biochem. 2007;100(4):960-9.
  113. Vitadello M et al. Curcumin counteracts loss of force and atrophy of hindlimb unloaded rat soleus by hampering neuronal nitric oxide synthase untethering from sarcolemma. J Physiol. 2014;592(Pt 12):2637-52
  114. Aggarwal BB. Targeting inflammation-induced obesity and metabolic diseases by curcumin and other nutraceuticals. Annu Rev Nutr. 2010;30:173-99.
  115. Chuengsamarn S et al. Curcumin extract for prevention of type 2 diabetes. Diabetes Care 2012;35:2121-2127
  116. Chuengsamarn S et al. Reduction of atherogenic risk in patients with type 2 diabetes by curcuminoid extract: a randomized controlled trial. J Nutr Biochem. 2014;25(2):144-50.
  117. Zhang DW et al. Curcumin and diabetes: a systematic review. Evid Based Complement Alternat Med. 2013;2013:636053.
  118. Akbik D et al. Curcumin as a wound healing agent. Life Sciences 2014;116:1-7.
  119. Antiga E et al. Oral curcumin (Meriva) is effective as an adjuvant treatment and is able to reduce IL-22 serum levels in patients with psoriasis vulgaris. Biomed Res Int. 2015;2015:283634.
  120. Baliga MS et al. Curcumin, an active component of turmeric in the prevention and treatment of ulcerative colitis: preclinical and clinical observations. Food Funct. 2012;3:1109-1117.
  121. Holt PR et al. Curcumin therapy in inflammatory bowel disease: a pilot study. Dig Dis Sci. 2005;50:2191-2193.
  122. Hanai H et al. Curcumin has bright prospects for the treatment of inflammatory bowel disease. Curr Pharm Des. 2009;15:2087-2094.
  123. Hanai H et al. Curcumin maintenance therapy for ulcerative colitis: randomized, multicenter, double-blind, placebocontrolled trial. Clin Gastroenterol Hepatol. 2006;4:1502-1506.
  124. Storr M. TRPV2 in colitis: is it a good or a bad receptor? A viewpoint. Neurogastroenterol Motil 2007;19:625-629.
  125. Srivastava KC et al. Curcumin, a major component of food spice turmeric (Curcuma longa) inhibits aggregation and alters eicosanoid metabolism in human blood platelets. Prostaglandins Leukot Essent Fatty Acids. 1995;52(4):223-7.
  126. Weisberg SP et al. Dietary curcumin significantly improves obesity-associated inflammation and diabetes in mouse models of diabesity. Endocrinology 2008;149(7):3549-3558.
  127. Maheshwari RK et al. Multiple biological activities of curcumin: A short review. Life Sci. 2006;78:2081-2087.
  128. Desai KR et al. Ameliorative effects of curcumin on artesunate-Induced subchronic toxicity in testis of Swiss albino male mice. Dose-response 2015;13(2):1-9.
  129. Desai KR et al. Role of curcumin on chloroquine phosphate- induced reproductive toxicity. Drug Chem Toxicol. 2012;35(2):184-91.
  130. Venkatesan N. Curcumin attenuation of acute adriamycin myocardial toxicity in rats. Br J Pharmacol. 1998;124:425-427.
  131. Ansari MN et al. Protective role of curcumin in myocardial oxidative damage induced by isoproterenol in rats. Hum Exp Toxicol. 2007;26;933.
  132. Ali BH et al. Curcumin has a palliative action on gentamicin- induced nephrotoxicity in rats. Fundam Clin Pharmacol. 2005;19(4):473-7.
  133. Chai H et al. Curcumin blocks HIV protease inhibitor ritonavir-induced vascular dysfunction in porcine coronary arteries. J Am Coll Surg. 2005;200(6):820-30.
  134. Deters M et al. Synergistic immunosuppressive effects of the mTOR inhibitor sirolimus and the phytochemical curcumin. Phytomedicine. 2013;20(2):120-3.
  135. Saha S et al. Death by design: where curcumin sensitizes drug-resistant tumours. Anticancer Res. 2012;32(7):2567-84.
  136. Wang J et al. Synergistically improved anti-tumor efficacy by co-delivery doxorubicin and curcumin polymeric micelles. Marcomol Biosci. 2015 May 15. doi: 10.1002/mabi.201500043.
  137. Kunnumakkara AB et al. Curcumin potentiates antitumor activity of gemcitabine in an orthotopic model of pancreatic cancer through suppression of proliferation, angiogenesis, and inhibition of nuclear factor-kappaB-regulated gene products. Cancer Res. 2007;67(8):3853-61.
  138. Qualls Z et al. Protective effects of curcumin against rotenone and salsolinol-induced toxicity: implications for Parkinson’s disease. Neurotox Res. 2014;25(1):81-9.
  139. Swamy MV et al. Prevention and treatment of pancreatic cancer by curcumin in combination with omega-3 fatty acids. Nutr Cancer. 2008;60 Suppl 1:81-9.
  140. Lev-Ari S et al. Curcumin synergistically potentiates the growth inhibitory and pro-apoptotic effects of celecoxib in pancreatic adenocarcinoma cells. Biomed Pharmacother. 2005t;59 Suppl 2:S276-80.
  141. Lev-Ari S et al. Curcumin synergistically potentiates the growth-inhibitory and pro-apoptotic effects of celecoxib in osteoarthritis synovial adherent cells. Rheumatol. 2006;45:171- 177.
  142. Lev-Ari S et al. Celecoxib and curcumin synergistically inhibit the growth of colorectal cancer cells. Clin Cancer Res. 2005;11(18):6738-44.
  143. Swarnakar S et al. Curcumin regulates expression and activity of matrix metalloproteinases 9 and 2 during prevention and healing of indomethacin-induced gastric ulcer. J Biol Chem. 2005;280(10):9409-15.
  144. Banji D et al. Synergistic activity of curcumin with methotrexate in ameliorating Freund’s Complete Adjuvant induced arthritis with reduced hepatotoxicity in experimental animals. Eur J Pharmacol. 2011;668:293-298.
  145. Csaki C et al. Synergistic chondroprotective effects of curcumin and resveratrol in human articular chondrocytes: inhibition of IL-1β-induced NF-κB-mediated inflammation and apoptosis. Arthritis Research & Therapy 2009, 11:R165
  146. Prasad S et al. Curcumin and its analogues: a potential natural compound against HIV infection and AIDS. Food Funct. 2015 Sep 25.
  147. Jiao Y et al. Curcumin, a cancer chemopreventive and chemotherapeutic agent, is a biologically active iron chelator. Blood 2009;113(2):462-469.

Bron

De gezondheidsvoordelen van ginseng

ginsengGinseng is een plantje die oorspronkelijk in Rusland, China en Korea groeit. Dat de wortel van dit plantje kan helpen bij het versterken van je gezondheid is al duizenden jaren bekend. Ginseng werd in de oude Chinese gezondheidskunde al toegepast om tal van aandoeningen te verhelpen. Dat dit plantje goed is voor je gezondheid is bij ons in het Westen ook al een jaar of honderd bekend.

In de oude geneeskunsten werden aan dit plantje een heleboel geneeskrachtige eigenschappen toegekend.

Uiteraard moeten we tegenwoordig eerst bewijs zien voordat we in die oude folklore gaan geloven. En wat blijkt? Er zijn zoveel verschillende gezondheidsbevorderde eigenschappen toe te kennen aan dit plantje dat de onderzoeken van insulineresistentie tot het tegengaan van griep gaan. En er worden ook daadwerkelijk significante resultaten gemeten.

Het lijkt er op dat de mensen een paar duizend jaar geleden het wat betreft de geneeskracht van bepaalde kruiden en planten wel goed op de hoogte waren.

Ginseng en griep

Het is echt niet alleen de oude geneeskunst waarop de geneeskundige eigenschappen van dit plantje zijn gebaseerd. Uit onderzoek (1) blijkt dat de gezondheidsbevorderende eigenschappen ook wetenschappelijk onderbouwd zijn. Uit het onderzoek blijkt namelijk dat bij verstopping van de neus en verkoudheid de ginsengwortel wel degelijk hielp om sneller van de verkoudheid af te komen. Dit is precies in lijn met wat de oude chinezen al wisten, die gebruikten de ginsengwortel ook bij ademhalingsproblemen.

Daarom is het interessant om even verder te kijken naar welke gezondheidsvoordelen de ginsengwortel nog meer heeft, want behalve dat het helpt met je luchtwegen vrijmaken is er nog meer voordeel voor je gezondheid uit dit plantje te halen.

Uit een onderzoek (2) gedaan in 2014 wordt namelijk wetenschappelijk onderbouwd dat als je langdurig rode ginseng neemt je je immuunsysteem versterkt en je minder vatbaar bent voor het griepvirus. Daarnaast zorgt de rode ginsengwortel ervoor dat je longen minder aangetast worden als je toch de griep krijgt. De griep heeft dus een veel minder ernstig verloop doordat je rode ginsengwortel neemt. De ginsengwortel zorgt er ook voor dat er extra ontstekingsremmende cytokines worden aangemaakt.

Al met al kun je dus wel stellen dat wat betreft de griep je best rode ginseng als preventieve maatregel kunt nemen.

 

Ginseng en allergische reacties

Ook de werking van rode ginseng op allergische reacties is onderzocht. Uit onderzoek uitgevoerd op muizen (3) is gebleken dat die extra aanmaak van cytokines ervoor zorgen dat er minder snel ontstekingsreacties ontstaan zoals bij astma enbronchitis het geval is. Bij astma is er zelfs  sprake van een chronische ontsteking van de luchtwegen.

Deze zelfde ontstekingsremmende werking bij atopische dermatitis word door dit onderzoek ook bevestigd. Tenminste bij muizen natuurlijk. Maar dat wil zeker niet zeggen dat je deze onderzoeken maar gelijk opzij moet schuiven, integendeel! Muizen zijn net als mensen zoogdieren en dit soort onderzoeken geven vaak een duidelijk beeld van welk effect wat het onderzochte kruid ook bij mensen zou hebben.

Ginseng en stinkende adem

In een onderzoek uit 2009 (4) is gebleken dat het behandelen van een stinkende adem als gevolg van een Helicobacter pylori besmetting met behulp van rode ginseng vele malen effectiever is dan met regulier behandelmethoden alleen. Uit de onderzoeksresultaten is gebleken dat maar liefst 93% van de onderzochte mensen na een behandeling met de rode ginseng in combinatie met medicijnen van de Helicobacter pylori besmetting verlost was en dus ook van de vieze stinkende adem.

Ja, nu hoor ik je denken dat komt vast door de combinatie. Daar onderschat je toch de werking van de ginseng. Zonder extra medicatie en dus alleen met een kruidentherapie met rode ginseng waren 38 van de 68 mensen na tien weken verlost van hun stinkende adem.

Ginseng en overgewicht

Uit een studie uitgevoerd onder tien vrouwen met overgewicht (5) is gekeken naar de effecten naar de inname van ginsengkruidenextracten gedurende acht weken. Wat bleek? Bij alle vrouwen die meededen aan het onderzoek verbeterde de BMI en vond er ook een kleine verandering plaats in de bacteriële balans in de spijsvertering. Zoals je weet is de optimale balans tussen de verschillende bacteriën in je spijsverteringkanaal uitermate belangrijk voor een sterk immuunsysteem en een optimale spijsvertering.

Naast die verandering in de spijsvertering is het goedje dat de rode ginseng zo rood maakt (6) verantwoordelijk voor de gewichtsafname. Dit stofje verhindert het namelijk dat vet door de cellen wordt opgenomen. Doordat je vetcellen worden gehinderd in het opnemen van vet door de rode ginseng  zou dit wel eens net het verschil kunnen maken tussen net wel of net niet die laatste kilootjes eraf.

Immers het grootste obstakel is dat je lichaam op de noodmodus overgaat als jij je calorie inname gaat beperken om af te vallen. Ineens gaat je lichaam heel efficiënt met de voedingsstoffen om terwijl jij juist wilt dat alle vet verbrand wordt.

Ginseng en diabetes

Ook deze heilzame werking is wetenschappelijk onderzocht. Uit verschillende onderzoeken (7) (8) komt een duidelijk positief effect naar voren wat betreft de inname van ginseng en het handhaven van een stabiele bloedsuikerspiegel. Vooral het tweede onderzoek suggereert dat er zelfs stoffen in de rode ginseng zitten die je insulinegevoeligheid verbeteren.

Hoe al deze mechanismes precies werken is de wetenschappers nog niet helemaal duidelijk. Maar dat er een duidelijke positieve werking in de rode ginseng zit is wel duidelijk.

Het is meer dat het hoe en waarom nog onderzocht moet worden.

Tot slot…

Zoals je ziet heeft de rode ginsengwortel al een heleboel voordelen op je gezondheid die bewezen zijn. Naast al die bewezen gezondheidsvoordelen zijn er ook nog een heleboel gezondheidsbevorderende eigenschappen die nog onderzocht moeten worden. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat deze eigenschappen er niet zijn.

De oude geneeskunsten gebruikten de ginsengwortel vooral tegen problemen met de luchtwegen en daar zijn de onderzoekers ook het eerst mee aan de slag gegaan. Naast die positieve werking op de gezondheid van je luchtwegen zijn het vooral je immuunsysteem en je spijsvertering die ook veel voordeel hebben aan ginseng.

Maar ook klachten zoals vermoeidheid en diabetes worden met de wortel van de ginsengplant op een positieve wijze beïnvloed.

Persoonlijk ben ik van mening dat heel veel van deze plantjes en kruiden onderschat worden. Als iets al duizenden jaren bekendstaat als heilzaam, of als genezing tegen bepaalde aandoeningen dan zal dat een reden hebben.

Op enig moment in een ver verleden zijn de mensen erachter gekomen dat dat kleine rode plantje allerlei wonderkrachten heeft. Dat wordt dan duizenden jaren generatie op generatie doorgegeven, omdat het werkt. Ik bedoel, waarom zouden mensen anders duizend jaar hetzelfde middeltje gebruiken? Niet omdat het niet werkt.

En dan tegenwoordig wordt er met argusogen naar zo’n plantje gekeken en worden er allerlei onderzoeken op losgelaten om die werking van dat plantje te ontrafelen om tot dezelfde conclusie te komen als een paar duizend jaar geleden.

Ja, we weten dat het werkt, maar hoe precies is ons een raadsel. Dat vind ik altijd geweldig aan die plantjes en kruiden, dat we met dezelfde verwondering naar de geneeskracht van zo’n plantje staan te kijken als duizenden jaren geleden.

https://www.youtube-nocookie.com/embed/6yunJi2LQG8?rel=0&controls=0&showinfo=0

Afspraak maken? Alie Wouda  info@natuurpraktijkaurora.nl

Breng je neurotransmitters weer in balans!

Een neurotransmitterneurotransmittter

Een neurotransmitter is een signaalstof die in synapsen zenuwimpulsen overdraagt tussen zenuwcellen (‘neuronen’) in het zenuwstelsel of impulsen overdraagt van motorische zenuwcellen op spiercellen of van zenuwreceptoren op sensorische zenuwcellen. Een stof wordt over het algemeen beschouwd als neurotransmitter als het voldoet aan vier criteria:

1) De stof wordt gesynthetiseerd in de zenuwcel.
2) De stof is aanwezig in het presynaptische uiteinde van een zenuwcel en wordt in zulke hoeveelheden afgescheiden dat het een duidelijke actie uitlokt in het postsynaptische neuron of het orgaan waaraan het verbonden is.
3) Als een redelijke hoeveelheid van de stof van buitenaf (exogeen) wordt toegediend, moet de stof de werking van de endogeen afgescheiden stof nabootsen.
4) Er bestaat een specifiek mechanisme voor het verwijderen van de stof van de plek waar het actief is.

(Sommige neurotransmitter kunnen functioneren als neurotransmitter èn als hormoon).Er zijn neurotransmitters die de activiteit van de zenuwcel die zij bereiken stimuleren (exciteren) en er zijn neurotransmitters die de activiteit van het bereikte neuron kunnen remmen (inhiberen). De belangrijkste exciterende neurotransmitter is glutamaat. De belangrijkste inhiberende neurotransmitter is GABA (gamma-aminoboterzuur).

Stoffen die de werking van een neurotransmitter stimuleren, noemen we agonisten. Stoffen die de werking juist remmen noemen we antagonisten. Er zijn ook stoffen die de activiteit van de afbreekenzymen voor neurotransmitters stimuleren of remmen. Deze stoffen hebben dus indirect invloed op de activiteit van neurotransmitters. Veel sterke natuurlijke en synthetische toxines en geneesmiddelen werken direct of indirect in op neurotransmitters en/of hun receptoren. De meeste neurotransmitters ontstaan uit aminozuren door middel van biosynthese.

Neurotransmitter Dopamine
Dopamine is verantwoordelijk is voor gezonde assertiviteit, seksuele opwinding, een sterk immuunsysteem en een optimaal functionerend zenuwstelsel, belangrijk om angst te remmen. Dopamine geeft assertiviteit (kracht) op zowel fysiek, emotioneel als mentaal niveau. Denk hierbij ook aan bewegingsenergie, concentratie, daadkracht en denkvermogen.

Dopamine is een kwetsbare neurotransmitter. Het dopaminegehalte wordt snel verlaagd door stress of slaaptekort. Ook alcohol, cafeïne, drugs, nicotine en suiker verlagen de dopamineactiviteit in de hersenen. Deze stoffen werken verslavend omdat het in eerste instantie het dopamineniveau verhoogd. Dat geeft een plezierige sensatie. Op een gegeven moment gebeurt het omgekeerde. Het dopamineniveau daalt en men voelt zich onprettig. Er zijn dan steeds grotere hoeveelheden van deze stoffen nodig om dat onprettige gevoel op te heffen. En dat lukt steeds slechts tijdelijk.

Een verlaagd dopamineniveau kan nare gevolgen hebben

  • Emotionele instabiliteit
  • Gevoelens van angst
  • Gevoel van ‘niet aanwezig zijn’
  • Gevoelens van onrust
  • Laag energieniveau
  • Laag libido
  • Matig concentratievermogen
  • Moeite met nemen van initiatief, weinig ‘zin’
  • Moeilijker kunnen kiezen, besluiten nemen
  • Slechter functionerend immuunsysteem
  • Sneller afgeleid zijn
  • Vergeetachtigheid

Het dopaminesysteem wordt gestimuleerd door met aandacht en plezier ergens mee bezig te zijn. Voor de aanmaak van dopamine is het aminozuur tyrosine nodig. Voedingsbronnen van tyrosine zijn fruit en groenten, eieren, vis, vlees, zuivelproducten en in het bijzonder avocado, noten, peulvruchten en zaden.

Verhogen domamineniveau
Wanneer er sprake is van klachten die een relatie hebben met een verlaagd dopamine niveau, dan is het eerst zaak het dopamine niveau weer op peil te brengen. En dat doe je in een aantal logische stappen, die steeds ingrijpender worden.

  • Meer knuffelen
  • Meer huid op huid contact
  • Meer intensief bewegen
  • Inname tyrosine houdende voeding verhogen
  • Inname geraffineerde suikers verlagen
  • Spijsverteringskanaal voeden in plaats van vullen
  • Inname l-theanine verhogen, liefst via voeding
  • Suppletie overwegen met l-theanine
  • Neurotransmitter GABA

Gamma-aminoboterzuur (GABA) is de belangrijkste inhibiterende (de werking van andere neuronen remmende) neurotransmitter in de hersenen. GABA is volop aanwezig in de hersenen, vooral bij de synaptische transmissies, in de grijze hersenstof en in het nigrostriatale systeem.

GABA helpt het functioneren van de hersenen in balans te houden. Het helpt uitschieters op ieder denkbaar terrein te voorkomen door tijdig af te remmen. Hierdoor faciliteert GABA het basisgevoel van veiligheid.

Afkicken van een alcoholverslaving en B vitaminen tekorten verminderen de effectiviteit van GABA.

Stoffen die de werking van GABA versterken noemen we GABA-agonisten. Veel gebruikte ‘geneesmiddelen’ die GABA-agonist zijn, kennen we als: Baclofen, barbituraten en Benzodiazepines. Alcohol versterkt de werking van deze stoffen. Dit zijn echter nare stoffen met dito bijwerkingen.

GABA kent zogenaamde co-factoren, onmisbare stoffen die nodig zijn voor de productie van GABA. Zonder voldoende van deze co-factoren hapert de GABA productie.. Deze co-factoren zijn: Vitaminen B1, B6, B12, Magnesium, Mangaan en Taurine.

Een verlaagd GABA niveau kan nare gevolgen hebben

  • Angstaanvallen
  • Darmproblemen
  • Doorratelend denken
  • Epileptische aanvallen
  • Fobieën
  • Gevoelens van onrust
  • Hyperaltertheid
  • Insomnia
  • Neurologische klachten (bewegingsapparaat)
  • Ongeduld
  • Paniekaanvallen
  • Perfectionisme
  • Verhoogde prikkelbaarheid

Goede voedingsbronnen van GABA zijn:

  • Aardappelen,
  • Bananen,
  • Bladgroenten (donkergroen),
  • Eieren,
  • Uien,
  • Zaden.

Verhogen GABA niveau
Wanneer er sprake is van klachten die een relatie hebben met een verlaagd GABA niveau, dan is het eerst zaak het GABA niveau weer op peil te brengen. En dat doe je in een aantal logische stappen, die steeds ingrijpender worden.

  • Meer knuffelen
  • Meer huid op huid contact
  • Meer intensief bewegen
  • Spijsverteringskanaal voeden in plaats van vullen
  • Inname GABA houdende voeding verhogen
  • Inname geraffineerde suikers verlagen
  • Tekorten vitamines vitaminen B1, B6 en B12 wegwerken.
  • Tekorten magnesium, mangaan en taurine wegwerken.
  • Inname l-theanine verhogen.
  • Suppletie overwegen met deze sterke GABA stimulatoren: 5-HTP, GABA, hop, glutamine, l-theanine, MSM, passiebloem, salvia, valeriaan, havergrasblad.

Neurotransmitter Serotonine
Serotonine is vooral een kalmerende en regulerende neurotransmitter. Het zorgt voor de eetlust, de spieropbouw, een gevoel van tevredenheid, een natuurlijk slaappatroon (serotonine reguleert ook het vrijkomen van melatonine uit de epifyse, de biologische klok), en reguleert de bloeddruk, de seksuele activiteit, het geheugen en het leren. Serotonine bevindt zich voor 95% in de maag en darmen. Veel mensen met serotoninetekort hebben dan ook darmproblemen, met name PDS.

Een verlaagd serotonineniveau kan nare gevolgen hebben

  • Afzondering
  • Agressie & boosheid
  • Angstaanvallen
  • Continu herhalende gedachten
  • Darmproblemen
  • Depressie
  • Dwangmatige eetstoornissen
  • Fobieën
  • Insomnia
  • Inflexibiliteit
  • Koolhydraatverslaving
  • Obsessief gedrag
  • Ongeduld
  • Overmatige bezorgdheid
  • Paniekaanvallen
  • Pessimisme
  • PMS
  • Slechter functionerend immuunsysteem
  • Stemmingswisselingen
  • Suïcidale neigingen
  • Tunnenvisie en zwart/wit denken
  • Verhoogde suikerbehoefte
  • Verhoogde prikkelbaarheid
  • Verlaagd libido
  • Verlaagd leervermogen
  • Verlaagde pijngrens
  • Verlaagd zelfbeeld
  • Verafschuwing van donker weer

Serotonine wordt aangemaakt uit het essentiële aminozuur tryptofaan en heeft daarbij de vitamines B1, B3, B6 en B11 (foliumzuur) en C nodig, de co-factoren. De activiteit van serotonine is afhankelijk van veel stoffen. Belangrijke stoffen in deze zijn insuline en magnesium.

Goede bronnen van l-tryptofaan, de natuurlijke variant van tryptofaan zijn vooral:

  • bananen,
  • bonen,
  • bruine rijst,
  • cacao,
  • eieren,
  • kaas,
  • kalkoen,
  • kikkererwten,
  • kip,
  • kwark,
  • melk,
  • noten,
  • pinda’s,
  • pompoenzaden,
  • sesamzaden,
  • soja,
  • tofu,
  • vis en
  • zonnebloempitten.                                                                                                                                                                                                                                                                                          ‘Voedsel’ dat rijk is aan geraffineerde suikers verlagen het serotonineniveau.

Tryptofaan wordt in het lichaam met behulp van vitamine B11 en vitamine C omgezet in 5-HTP. Het hormoon insuline zorgt ervoor dat 5-HTP vanuit het bloed in de hersenen wordt opgenomen. De hersenen zetten tenslotte 5-HTP met behulp van vitamine B6 en zink om in serotonine. Het verhogen van de hoeveelheid tryptofaan in het lichaam verhoogt dus indirect de hoeveelheid serotonine in het lichaam. Suppletie met tryptofaan kan in eerste instantie (bijwerking) duizeligheid, vermoeidheid en wazig zien veroorzaken. Tryptofaan mag niet tegelijkertijd met bepaalde ‘geneesmiddelen’ gebruikt worden, waaronder antidepressivia.

Verhogen Serotonineniveau
Wanneer er sprake is van klachten die een relatie hebben met een verlaagd serotonineniveau, dan is het eerst zaak het serotonineniveau weer op peil te brengen. En dat doe je in een aantal logische stappen, die steeds ingrijpender worden.

  • Meer knuffelen
  • Meer huid op huid contact
  • Meer intensief bewegen
  • Inname tryptofaan verhogen.
  • Tekorten vitamines B1, B3, B6, B11 en C wegwerken.
  • Tekort magnesium wegwerken.
  • Inname geraffineerde suikers verlagen
  • Spijsverteringskanaal voeden in plaats van vullen
  • Inname 5-HTP verhogen.
  • Suppletie 5-HTP overwegen

Aanvullende informatie

5-HTP
5-HTP (5-hydroxytryptophaan) wordt in het lichaam geproduceerd uit tryptofaan. Het komt van nature voor in verschillende voedselproducten en wordt als voedingssupplement voornamelijk gewonnen uit de zaden van de Griffonia plant. 5-HTP wordt steeds vaker ingezet bij de natuurgeneeskundige behandeling van met name bijnieruitputting, depressie en slaapstoornissen. Suppletie met 5-HTP biedt een veilige manier om de aanmaak van GABA en serotonine te stimuleren.

l-Theanine

Het aminozuur l-theanine ( gamma-ethylamino-l-glutaminezuur of gamma-glutamyl-ethylamide), wordt in de natuur voornamelijk aangetroffen in de theeplant. L-theanine is in de theeplant aanwezig als vrij aminozuur en vormt circa 50% van de totale hoeveelheid vrije aminozuren. De biosynthese uit glutaminezuur en ethylamine vindt plaats in de wortels van de plant, waarna het gevormde l-theanine wordt opgeslagen in de bladeren. Zowel de van oudsher bekende ontspannende werking van groene thee als de bijzondere smaak ervan, is te danken aan de aanwezigheid van l-theanine.

De hoeveelheid l-theanine die in de uit theebladeren bereide drank wordt aangetroffen kan aanzienlijk variëren en is onder meer afhankelijk van de wijze waarop de bladeren na het plukken verder worden verwerkt. Daardoor bevat groene thee in het algemeen veel meer l-theanine dan zwarte thee.
 In voedingssupplementen wordt l-theanine meestal aangeboden onder de naam Suntheanine.

Er is een fabrikant van voedingssupplementen die l-theanine produceert volgens een gepatenteerd enzymatisch proces waarbij uitsluitend de natuurlijke L-vorm van theanine ontstaat. Onderzoek heeft uitgewezen dat andere producten, die door extractie uit groene thee of door chemische synthese worden verkregen, naast L-theanine in het algemeen ook D-theanine bevatten en wel in hoeveelheden die circa 50% kunnen bedragen. Mogelijk kunnen dergelijke hoge concentraties D-theanine echter, omdat de ruimtelijke molecuulstructuur van aminozuren grote invloed op hun biologische activiteit en stofwisseling kan hebben, tot nadelige effecten leiden.

L-theanine wordt snel vanuit het darmkanaal geabsorbeerd en passeert via het aminozuren-transportmechanisme dat als L-systeem (leucine preferring transport system) wordt aangeduid. Daardoor komt het snel in de hersenen. Veelal kan reeds ongeveer een half uur na inname een gunstige uitwerking van L-theanine worden waargenomen. Bij dierstudies waarbij het aminozuur direct in de maag werd gebracht was de concentratie in de hersenen na 5 uur maximaal. Daarna trad een geleidelijke vermindering op en na 24 uur was in het hersenweefsel geen L-theanine meer aantoonbaar. L-theanine ontplooit in de hersenen uiteenlopende gunstige effecten die onder meer tot een gevoel van ontspanning en relaxatie leiden. Belangrijk is dat deze kalmerende en rustgevende werking van L-theanine niet gepaard gaat met het optreden van sufheid of slaperigheid.

Vermeldenswaardig is ook dat L-theanine uiteenlopende negatieve effecten van cafeïne tegengaat. Dit verklaart waarom het drinken van groene thee, ondanks het feit dat daarin cafeïne aanwezig is soms zelfs in een relatief hoge concentratie– toch een kalmerende werking heeft. De ontspannende werking van l-theanine is onder meer te danken aan het feit dat dit aminozuur het GABA-niveau in de hersenen doet toenemen. GABA (gamma-aminoboterzuur) is een inhiberende neurotransmitter die een kalmerende uitwerking heeft en het gevoel van welbevinden kan bevorderen. Een adequate beschikbaarheid van GABA kan helpen hyperactiviteit en gevoelens van innerlijke onrust van iedere aard te bestrijden. De positieve werking van l-theanine wordt ook toegeschreven aan beïnvloeding van het metabolisme van dopamine, een neurotransmitter die tevens als precursor voor de productie van norepinefrine fungeert.

Bron: Rob M.M. Greuter

img_2777Afspraak maken?

← Terug

Bedankt voor je reactie. ✨

Meer geheugen

Pregnenolone

Pregnenolone is een voorloper van ieder ander hormoon. Het wordt beschouwd als een bouwsteen voor andere steroïde hormonen. Pregnenolone is biochemically the moeder hormoon . ” Pregnenolon is een hormoon precursor gesynthetiseerd uit cholesterol , voornamelijk in de bijnieren , maar ook in de lever , huid , hersenen , testikels , eierstokken en netvlies van de ogen . Het ondersteund het geheugenproces en de hormoonbalans . Het gevonden Pregnenolon is 100 maal effectiever als geheugenverbetering gebleken  in vergelijking met andere steroïden  (in een laboratorium bij muizen). Pregnenolone is gemeld dat mensen niet alleen slimmer , maar gelukkiger te maken en te verbeteren iemands vermogen om te presteren op het werk , terwijl verhoging gevoel van welzijn .

Pregnenolon is ook gemeld om aan hoge stress geïnduceerde vermoeidheid te verminderen . Zoals het geval is met de steroïde hormoon precursor DHEA (*), pregnenolon spiegels afnemen met de leeftijd . Veel artsen en wetenschappers geloven dat herstel van pregnenolone jeugdig niveau is een belangrijke stap in de behandeling van veroudering en verouderingsverschijnselen . Pregnenolone kan één van de belangrijkste hormonen omdat het lijkt een balancerend effect hebben . Het is een voorloper van vele andere hormonen en in staat om de niveaus van andere hormonen omhoog of omlaag brengen nodig .

Pregnenolone werd actief onderzocht tijdens de jaren 1940. In een onderzoek kregen fabrieksarbeiders 50-100 mg van het hormoon per dag. De arbeiders gemeld verbeterde productie- tarieven , minder vermoeidheid en een verbeterd gevoel van geluk en algemeen welzijn. Ook werknemers in meer stressvolle werkomgeving had naar verluidt een betere ervaring tijdens het gebruik van pregnenolon dan werknemers met minder veeleisende banen. Sindsdien is pregnenolone is gedacht om het geheugen te verbeteren , verheffen stemmingen , stress te verminderen en verbeteren van de effecten van reumatoïde artritis.

Slaap en geheugen
Studies met ratten hebben aangetoond dat pregnenolone een sterk stimulerend effect heeft op het geheugen. Bij studies onder gezonde mannen tussen 20 en 30 jaar is gebleken dat een inname van 1 mg per dag, de kwaliteit van de nachtrust verbeterd. Pregnenolone blijkt ook het korte en lange termijn geheugen te stimuleren en motiveert de opname van nieuwe informatie.

Stress
Er wordt gesuggereerd dat dit hormoon een rol speelt bij de reactie van neuro-endocriene op stress. Bij een studie onder piloten die blootgesteld werden aan stress bleek een inname van twee maal daags 25 mg, hun prestaties te verbeteren zonder negatieve bijeffecten.

Depressie
Het is bekend dat hormonen de gemoedstoestand en het gedrag kunnen beïnvloeden. Bij mensen die leiden aan depressie blijkt het gehalte aan pregnenolone in de cerebrospinale vloeistof lager dan bij gezonde mensen.

Heb je problemen hier mee en wil je meer weten, of een afspraak maken? info@natuurpraktijkaurora.nl

* DHEA is het meest voorkomende hormoon in het menselijk bloed. Voldoende DHEA geeft bescherming tegen ouderdomsverschijnselen en houdt het lichaam vitaal. Naarmate de leeftijd stijgt, neemt de lichaamseigen aanmaak van DHEA af.

– Deze informatie wordt U aangeboden door:
Alie Wouda-van der Tuin, Adres: Vreedepeelweg 4 Beringe: , Tel.: 0641979844, Website en Facebook:

Bron

Waarom bepaalde therapien niet aanslaan

imageBiofilm
In het menselijk darmstelsel bevindt zich een schadelijke slijmlaag welke door schadelijke bacteriën is gevormd. Dit wordt ook wel de biofilm genoemd. Je kunt het vergelijken met het slijmlaagje dat je in een bloemenvaas aantreft als je ze te lang laat staan, alle schadelijke bacteriën maken een slijmlaag om zich te beschermen. In het menselijke darmstelsel wordt dit een hele kolonie waarin vele bacteriën, maar ook virussen, parasieten en schimmels zich kunnen verstoppen. Het vervelende is dat de bacteriën het lichaamseigen materiaal gebruiken om die slijmlaag te maken en omdat het lichaamseigen is, is deze hierdoor lastig op te sporen en te behandelen.
Om die reden is het voor veel specialisten zo moeilijk om bepaalde bacteriën of virussen onder controle te krijgen, denk bijvoorbeeld aan Lyme.
Door de aanwezigheid van de biofilm is de darmwand over het algemeen uitgedroogd en licht tot zwaar ontstoken zodat we een Lekkende Darm Syndroom (Leaky Gut) krijgen. De biofilm hecht zich hierdoor nog makkelijker aan de darmwand.
Nu zijn er enkele producten op de markt die gemaakt zijn om die biofilm op te lossen, maar hierbij blijft er nog altijd een deel van de biofilm achter. Deze groeit hierdoor net zo hard weer aan door de daarin nog aanwezige schadelijke bacteriën. Tevens komen er dan in een keer zo veel bacteriën, virussen en parasieten vrij in de darm dat dit een grote belasting voor de gezondheid van de gebruiker oplevert. Een darmreinigingskuur, verkrijgbaar bij natuurpraktijkaurora; Vreedepeelweg 4 Beringe (0641979844 (appan) pakt op zeer vriendelijke en effectieve wijze deze hele biofilm aan. Dit product bevat een gefermenteerde vezel. imageDeze vezel dringt op zachte wijze door de biofilm heen, zonder deze kapot te maken. Hierdoor wordt de darmwand weer bevochtigd.
Zodra de bevochtiging plaatsvindt kan de biofilm zich niet meer hechten en komt deze er simpelweg uit gegleden, zonder enig ongemak voor de gebruiker.

Alie Wouda info@natuurpraktijkaurora.nl

Angelica-archangelica

Angelica archangelica
Fytotherapie

Synoniemen
Engelwortel: Angelica.

Beschrijving

angelica2Inleiding
Wie de engelwortel eenmaal heeft gezien, vergeet deze plant nooit meer. Het is een hele grote, forse plant met een stevige stengel en grote bladeren. De bloemen zijn geelgroen en staan in schermen; de wortel heeft een kruidige, aromatische geur en een zeer specifieke smaak. Het Latijnse woord “angelica” komt oorspronkelijk uit het Grieks: “angelos” dat “boodschapper” betekent. Heel vroeger werd deze plant “engelenplant” genoemd omdat men dacht dat de plant hemelse geneeskracht bezat. Volgens een legende zou de geneeskracht van deze plant door een engel aan de mensen zijn getoond. De toevoeging “archangelica” betekent “aartsengel”.
Meestal groeit de engelwortel in een vochtige omgeving, bij voorkeur aan het water. De verse stengel, de vruchten en de wortels bevatten stoffen die de natuurlijke afweer die de huid tegen de zon heeft, teniet doen. Daarom is het aan te raden na elke aanraking met deze plant de handen te wassen of van tevoren handschoenen aan te doen. De gekonfijte stengel van de engelwortel gebruikt men bij het maken van gebak en bij het bereiden van alcoholische dranken, onder andere bij de bereiding van Benedictine. Vroeger pasten geneesheren de gekonfijte stengels toe als een tonicum, teneinde de energie te verhogen en de kans op infecties te verkleinen.

Volksgeneeskunde
Als medicinaal kruid werd de engelwortel pas in de 15e eeuw populair. Nicolas Culpeper schreef in 1653 “vocht dat uit de wortel gedistilleerd is verlicht alle pijnen en kwellingen afkomstig van koude en wind”. Men gebruikte de wortel in die tijd voornamelijk bij hysterie, epilepsie, “duivelse ziekten” en bezetenheid. Aan Angelica schrijft men tal van eigenschappen toe, met name spasmolytische, diuretische, diaphoretische, carminatieve, expectorerende, aromatische en ontstekingsremmende. Deze eigenschappen zijn min of meer afkomstig van de latere toepassingen van de plant. Werd de plant in het begin vooral gebruikt bij de behandeling van psychische aandoeningen, later werd engelwortel veel meer gebruikt om de spijsvertering te versterken, bijvoorbeeld bij maagkrampen, gasvorming, dyspepsie, anorexia nervosa, nerveuze gastritis, zweren. Ook bij een pijnlijke menstruatie en nerveuze slapeloosheid gaf men engelwortel. Men dacht bovendien dat engelwortel een goed diureticum was, wat onderzoek later ook zou bevestigen. Daarnaast adviseerden deskundigen de plant bij ontstekingen van de luchtwegen, astma en reumatische klachten.

Werking

Werkzame bestanddelen:
Etherische oliën (wortel: 0.35%-1%, vrucht: 1.5%) als fellandreen, pineen en cymeen, cumarinen en furocumarinen als (0.08%), bergapteen, xanthotoxine, umbelliprenine, organische zuren, valeriaanzuur, looistoffen, bittere iridoïden, bitterstof, flavonoïden, suikers (glucose, fructose, sucrose), hars, vette olie (in vrucht: 17%).

Werkingsmechanisme
Bitterstoffen zetten de doorbloeding aan en zorgen ook voor een betere opname van voedingsstoffen, etherische oliën werken als aromaticum, carminativum en spasmolyticum; organische zuren hebben een sedatieve en darmregulerende werking. Ook kent men diuretische en ontstekingsremmende eigenschappen aan de plant toe.

In dierstudies is een antibacteriële werking aangetoond tegen onder andere Escherichia coli, Bacillus subtillus, Streptococcus faecalis, Salmonella typhi. De engelwortel heeft daarnaast fungicide (zwam- en schimmeldodende) eigenschappen.

Contra-indicaties
Angelica kan fotosensibele reacties provoceren door de concentratie furocumarinen. Zeer hoge doses kunnen door de cumarinen interfereren met anticoagulantia. Gebruik van Angelica kan de menstruatiecyclus beïnvloeden. Ook een mogelijk abortieve werking wordt bij gebruik van de plant genoemd (bij hoge doses).

Bijwerkingen
Angelica bevat furocumarinen waardoor bij uitwendig contact met de plant huidirritaties en fototoxiciteit kunnen optreden. De huid kan extra gevoelig worden voor UV straling en ontsteken. Langdurig zonnebaden of intensieve UV bestraling (zonnebankkuur) worden bij gebruik van Angelica ontraden. Etherische olie blijkt door stoomdistillatie geen furocumarinen bevatten; de olie -welke uit de vrucht en de wortel wordt bereid- geeft geen huidreacties.

Amerikaanse Vuilboombast

Amerikaanse Vuilboombast

Ook bekend als: Cascada sagrada
Gebruikte delen: Bast

Amerikaanse vuilboombast (Rhamnus purshiana, Cascara sagrada)
De bast van de Amerikaanse vuilboom bevat 1,8-dihydroxyanthraceen-derivaten, welke een laxerend effect hebben door het versterken van de darmperistaltiek en het versnellen van de darmpassage, waardoor minder indikking van de feces plaatsvindt. De hoofdtoepassing is bij (chronische) constipatie. Cascara sagrada wordt daarnaast toegepast bij detoxificatie- en reinigingsprogramma’s. Als bijwerking kan het milde maagdarmkrampen veroorzaken. In dat geval kan de dosis verlaagd worden. Cascara sagrada mag niet worden gebruikt bij darmobstructie, zweren in maag of duodenum, darmontstekingen (ziekte van Crohn, colitis ulcerosa, appendicitis), tijdens zwangerschap en lactatie en is ongeschikt voor kinderen onder 12 jaar.

Eigenschappen

  • Bevordert darmperistaltiek
  • Laxerende werking
  • Maakt darminhoud zachter en versnelt darmpassage
  • Stimuleert dunne en dikke darm

Toepassingen

  • Bevorderen van een goede stoelgang
  • (Chronische) Obstipatie
  • Reinigingskuur
  • Ontgiftiging

(* niet gebruiken bij zwangerschap, maag- en darmzweer, kinderen < 12 jr.)

Amerikaanse vuilboombastDe plant Rhamnus frangula

Rhamnus frangula L., ook Frangula alnus genoemd, is een tot 6 m hoge heester of kleine boom, die tot de familie der Rhamnaceae behoort en algemeen voorkomt in loofbossen en langs sloten en moerassen in nagenoeg geheel Europa, West- en Centraal-Azië en Noord-Afrika. De takken zijn glad, grijsbruin met witachtige plekjes, zogenaamde lenticellen op de schors. De bladeren staan verspreid en zijn gesteeld, enkelvoudig, elliptisch. De bloemen zijn vijftallig, groenachtig-wit. De vrucht is een steenvrucht, die eerst groen is, daarna rood en tenslotte blauwzwart. Rhamnus frangula bloeit de hele zomer, zodat bloemen en vruchten van verschillend ontwikkelingsstadium gelijktijdig aangetroffen worden.

Aan de groeiplaats worden geen hoge eisen gesteld; wel moet deze voldoende vochtig zijn, beschaduwd en liefst rijk aan humus. Al kan hij ook wel op zeer droge plaatsen, b.v. tegen steile rotswanden, in nauwe, waterarme spleten groeien. De plant is te vermeerderen door stekken van takken, die genomen worden van ongeveer 6 jaar oude planten of door uitzaaien op een zaaibed.

Naam, etymologie van Vuilboom

Rhamnus cathartica L., die in ons land vrij zeldzaam voorkomt in bosachtige streken en in de duinen. Dit voorkomen van doornen, die echter ontbreken bij Rhamnus frangula, schijnt tot de naam Rhamnus geleid te hebben. Het Keltische woord “ram” betekent namelijk doornstruik. Het woord frangula is afgeleid van het Latijnse “frangere, breken en heeft betrekking op de breekbaarheid van het hout. De Nederlandse naam vuilboom houdt verband met de onaangename geur van de verse bast, al wordt er ook wel eens beweerd dat deze naam te maken heeft met het laxerend effect, zeg maar het vuil wordt uitgescheiden.

Gebruikte delen: Rhamni Frangulae (Cortex of de vuilboomschors)

Verschillende soorten van het geslacht Rhamnus zijn gedoornd, zoals de Wegedoorn. In onze Pharmacopee is de Rhamni Frangulae Cortex opgenomen. Hieronder wordt verstaan de bast van stam en takken van Rhamnus frangula L. De vuilboombast is een bekend laxeermiddel, dat wat zijn werking betreft, gelijkwaardig is met de veel gebruikte bast van de in Noord-Amerika groeiende Rhamnus purshiana.

Om de identiteit vast te stellen beschrijft de Pharmacopee een aantal macroscopische, microscopische en chemische kenmerken. De meest karakteristieke macroscopische kenmerken zijn de donkerrode kleur, die zichtbaar wordt na afschrapen van de buitenste kurklagen en het dof roodbruine of oranje inwendige oppervlak De Pharmacopee noemt de volgende organoleptische kenmerken: reuk kenmerkend, smaak een weinig zoet en enigszins bitter.

Merkwaardig is dat in tegenstelling met andere planten, de vuilboombast niet eerder dan 1 jaar na het verzamelen mag worden gebruikt. De bast wordt in het voorjaar ingezameld van 3-4 jarige planten, de bast van stam en takken laat dan het gemakkelijkst los en het gehalte aan antrachinonen is in het voorjaar het hoogst.

Historisch gebruik

Historische gegevens over het gebruik van Rhamnusbast als laxeermiddel zijn nogal schaars. Voor het eerst wordt hierover iets vermeld door Petrus de Crescentiis, omstreeks 1300. De arts-botanicus Hieronymus Bock beschrijft in 1552 de vuilboom zonder iets over de laxerende werking te vermelden. Ook Dodoens geeft andere indicaties ‘Die bladeren van Rhamnus ghenesen dat wildt vier, ende bedwinghen die voorts etende sweeringhen, cleyn ghestooten ende daer op gheleyt’. P.A. Mattioli, de lijfarts van keizer Ferdinand I, kent de laxerende werking wel en schrijft in 1563 aan de “Frangula” nog allerlei andere gunstige eigenschappen toe, zoals versterking van de inwendige organen; ook zou het als middel tegen tandpijn bruikbaar zijn.

Hoewel de Rhamnusbast in de Pharmacopeeën van de meeste landen werd beschreven, bleef de toepassing in de wetenschappelijke geneeskunde beperkt. Tijdelijk, in de 17e en 18e eeuw, werd de vuilboombast gewaardeerd als goedkoop vervangingsmiddel van Rabarberwortel en werd daarom wel “Rhabarbarurn plebejorum”, armelui’s rabarber genoemd. In de volksgeneeskunde wordt dit geneesmiddel echter nog steeds toegepast. De geringe belangstelling van de officiële geneeskunde wordt niet alleen veroorzaakt door de concurrentie van andere plantaardige grondstoffen, die anthraglycosiden bevatten, zoals de reeds genoemde Cortex Rhamni purshianae en verder Aloë, Rhei Radix en Sennae Foliolum, maar vooral door het grote aantal synthetische laxantia, die door de farma-industrie in de handel worden gebracht.

Volgens Kroeber is de werking van de Rhamnus frangula-bast milder dan van de andere anthraglycosiden bevattende planten, zoals Aloë, Rheum en Senna, wat te danken is aan de vorming van een depot van de anthrachinonen in de darm, een langzame splitsing van deze stoffen in het alkalische darmsap en een vertraging van de uitscheiding door de urinewegen. Rhamnus frangula verdient ook de voorkeur boven andere laxeermiddelen, omdat gewenning of mislukken van de werking niet schijnt voor te komen. Bovendien is de werking pijnloos. Frangulabast is dus een goed middel tegen chronische obstipatie.
Onaangename bijwerkingen zijn wel te verwachten, wanneer de bast korter dan een jaar bewaard is. De vrije anthranolen, die dan nog aanwezig zijn, worden in de dunne darm geresorbeerd en geven aanleiding tot braken en buikkrampen.

Volgens Jaretzky werkt een afkooksel van de bast 4-5 maal sterker dan van de bladen. De vruchten werken minstens even sterk als de bast; het hout is weinig werkzaam. In de oudere Nederlandse apothekersboeken werden twee preparaten van Vuilboom opgenomen: Extractum Rhamni Frangulae aquosum siccum en Sirupus Rhamni Frangulae. De bast wordt ook in de vorm van thee gebruikt.

Ander gebruik

Behalve als laxans, wordt Frangula ook toegepast als galdrijvend middel, als anthelminthicum en in bloedzuivering ’s thee. Ook de toepassing van aftreksels tegen huidziekten wordt in de literatuur vermeld. Merkwaardig is dat het volksgeloof de gelijktijdig braak verwekkende en laxerende werking van de verse bast verklaart, door aan te nemen dat de bast van de beneden naar boven geschild braak verwekkend, van boven naar beneden geschild laxerend zou werken. Vroeger vond de vuilboom ook toepassing op een geheel ander terrein. Het hout leverde, dank zij het geringe asgehalte, een prima kwaliteit houtskool, die gebruikt werd voor de bereiding van buskruit. In Duitsland wordt de vuilboom nog wel “Pulverholz” genoemd.

Nog weinig gebruik van antrachinonen

Vele planten met antrachinonen, Aloe, Vuilboom, Russische rabarber en Senna worden hedendaags nog weinig als laxeermiddel gebruikt.