Welke voeding en suppletie dient een vrouw te nemen, bij het gebruik van de anticonceptiepil?

Afbeelding

Welke voeding en suppletie dient een vrouw te nemen, bij het gebruik van de anticonceptiepil?

De anticonceptiepil zorgt enerzijds voor een extra dagelijkse belasting van het ontgiftingsproces dat via de lever verloopt en anderzijds voor eenverhoogd ziekterisico bij de vrouw door uitputting van belangrijke nutriënten zoals:

Vitamine C: is extra nodig om de lever te ondersteunen alsook wordt vitamine C sneller afgebroken door een verhoogde koper (ceruloplasmine) concentratie in het bloed ten gevolge van orale anticonceptie. Pilgebruiksters doen er dus goed aan hun dagelijkse menu te voorzien van verse groenten (rode paprika, broccoli, peterselie, kolen), groentesappen alsook vers fruit(acerola kers, rozenbottels, zwarte bessen en citrusvruchten) en nieuwe aardappelen die rijk zijn aan vitamine C.

Magnesium: zit vnl. in verse groene seizoensgroenten, ongeraffineerde granen, noten, rauwe melk, bruine rijst, garnalen en erwten. Bij een tekort kunnen gezondheidsklachten zoals vermoeidheid, duizeligheid, nervositeit, spierkrampen, hartkloppingen en hypoglycemie ontstaan.

Zink: een tekort aan dit mineraal maakt de pilgebruikster o.a. extra gevoelig voor hypoglycemie en infecties. Voorkom dit door elke dag minstens één van de volgende levensmiddelen te kiezen:volle graanproducten, oesters, schaaldieren, noten, vis, eieren, peulvruchten, rijst en bladgroenten.

Daarnaast is een goed multivitamine-mineralencomplex  aangewezen om de dagelijkse tekorten door het pilgebruik aan te vullen: (volgens bloedanalyse vastgesteld)

  • Vitamine B1, B2, B3: 10-50 mg
  • Vitamine B5 en B6: 50-100 mg
  • Vitamine B12: 200-400 µg
  • Vitamine B9 of foliumzuur: 400 µg-2 mg
  • Inositol, choline: 50-75 mg
  • Taurine: 500-1000 mg
  • Vitamine C: 250-2000 mg
  • Vitamine E : 50-200 I.E.
  • Vitamine D: 1000 à 5000 I.E.
  • Magnesium: 300-500 mg
  • Kalium: 150-250 mg
  • Zink: 5-15 mg
  • Chroom: 100-200 µg
  • Mangaan: 3-5 mg
  • Ijzer (individueel te bepalen)

Pilgebruiksters dienen op te letten voor een verhoogd gehalte aan vitamine A, vitamine K en koper! Daarom is het aangewezen om een “rustperiode” van 3 tot 6 maand in te lassen tussen het stoppen van de pil en zwangerschap om dergelijke disbalans te kunnen herstellen.

Bron: Orthomoleculaire geneeskunde Walter Fache

Schimmel infecties

SYNONIEMEN

caprylaat

WERKING

Afbeelding

Systemische candidiasisis een ernstig probleem dat verantwoordlijk kan zijn voor maanden tot zelfs jaren van chronische klachten. Het bestaan van het syndroom wordt door reguliere medici nog altijd niet erkend en patiënten die aan dit syndroom leiden wijken dan ook massal uit naar “alternatieve” artsen en therapeuten. Zij hebben vaak een breed scala aan klachten en de diagnose is moeilijk omdat er veel overlap is met vergelijkbare aandoeningen als fibromyalgie, hypoglycaemie en hypothyroïdie. Basis van het probleem is een Candida-overgroei in de dikke darm die, bij een slechte conditie van het darmepitheel (hyperpermeabiliteits syndroom, vroeger “lekkende darm” of “leaky gut” genoemd), de darmwand kan penetreren, waarbij candidatoxinen en antigenen worden geabsorbeerd. Dit betekent een voortdurende belasting van het immuunsysteem. Hierdoor kan een extreme gevoeligheid voor allergieën en chemische stoffen ontstaan.

Caprylzuren bij Candida:

Caprylzuur wordt in de orthomoleculaire wereld veel ingezet om overgroei van gist en schimmels in het colon tegen te gaan, met name de groei van Candida albicans. Het is een vetzuur met 8 koolstofatomen. Het wordt in kleine hoeveelheden door het lichaam geproduceerd, en wordt vooral voor in kokos aangetroffen, maar ook in palmolie, hennepolie, boter en andere dierlijke en plantaardige bronnen. De anti-schimmelwerking van caprylzuur is in zowel in vitro als in vivo-studies aangetoond. In het pH gebied tussen 2,5 en 8,5 blijkt caprylzuur een sterke fungicide werking te hebben tegen gisten, met name tegen Candida albicans. De in-vivo resultaten dateren al uit de jaren 60. Het exacte werkingsmechanisme is nooit opgehelderd, al wordt vermoed dat caprylzuur de celmembraan van de gist aantast, wat veranderingen teweegbrengt in de fluïditeit en permeabiliteit van de membraan en uiteindelijk leidt tot desintegratie van de membraan.

INDICATIES

  • Candida-infecties (systemisch en lokaal) en andere gist- en schimmelinfecties en de uiteenlopende symptomatiek die daarmee samenhangt (o.a. chronische vermoeidheid, algehele mailaise, spijsverteringsstoornissen, immuunzwakte, allergieën, overgevoeligheden voor chemicaliën)
  • Preventief bij frequent antibioticagebruik

CONTRA-INDICATIES

Niet gebruiken tijdens zwangerschap of borstvoeding.

BIJWERKINGEN

In de aanbevolen hoeveelheden zijn van caprylzuur geen negatieve bijwerkingen bekend. Hoge doseringen caprylzuur echter (enkele malen de adviesdosering), kunnen in sommige gevallen milde maagirritaties en misselijkheid veroorzaken. Dit kan tegengegaan worden door caprylzuur bij de maaltijd in te nemen.

Het is mogelijk dat wanneer de therapie succesvol is, de patiënt zich enkele dagen tot weken na het begin van de behandeling toch slechter gaat voelen. Dit is zeer waarschijnlijk het resultaat van de zogenaamde “Herxheimer-reactie”. Deze treedt op wanneer een groot aantal Candidacellen in snel tempo sterft. In hun doodstrijd en daarna komen dan grote hoeveelheden toxinen, celonderdelen en antigenen tegelijk vrij. Dit verschijnsel kan enkele dagen tot enkele weken duren, maar is in het algemeen in een week weer voorbij.

INTERACTIES

In de literatuur zijn geen interacties van caprylzuur beschreven. Interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg hiervoor een deskundige.

DOSERING

Gebruikelijke therapeutische doses caprylzuur variëren tussen 1000 en 2000 mg verspreid op de dag ingenomen, gedurende drie tot vier maanden. Om de Herxheimer-reactie (zie bijwerkingen) te voorkomen kan het zinvol zijn met één tablet per dag te beginnen en de dosering geleidelijk op te bouwen. Omdat Candida zich diep in de plooien van de darmwand schuilhoudt, kan de behandeling van de aandoening verscheidene maanden tot zelfs twee jaar duren, afhankelijk van de toestand van de patiënt en hoe de patiënt als aan de aandoening lijdt.

SYNERGISME

Een van de belangrijkste elementen in de Candida-therapie is de eliminatie van suiker uit de voeding, het favoriete voedsel van de gist. Dat betekent een strikt anti-Candidadieet. Dagelijkse inname van Bifidobacteriën, zoals in Darmocare extra forte, heeft een dramatische versterking van het aantal goedaardige darmbacteriën, die in de dikke darm Candida bestrijden, tot gevolg. De Lactobacillus-stammen in een goed probioticum helpen vooral de strijd tegen Candida in de dunne darm. Daarnaast is L-glutamine met name geschikt om de conditie van het darmepitheel te verbeteren bij een lekkende darm.

De therapie kan verder zeer goed worden ondersteund met een knoflookextract. Om een optimale voorziening van synergistische nutriënten te waarborgen, raden wij een basissuppletie van een goede multi en vitamine C aan.

 

facebook

alie wouda

Alie Wouda

Afspraak maken? info@natuurpraktijkaurora.nl

REFERENTIES

  1. Crook WG. The Yeast Connection, 1984.
  2. Crook WG. Chronic fatigue syndrome and the yeast connection. Jackson TN: Professional Books, 1992.
  3. Hoffman C, Schweitzer TR, Dalby G. Fungistatic properties of the fatty acid and possible biochemical significance. Food Research 1939;4:539.
  4. Huppert M, MacPherson DA, Cazin J. Pathogenesis of Candida albicans infection following antibiotic therapy. Journal of Bacteriology 1953;5.
  5. Keeney EL, Ajello L, Lankford E. Sodium caprylate: a new and effective treatment of monoliasis of the skin and mucous membrane. Bull John Hopkins Hosp 1946;78:333-339.
  6. Peck SM, Rosenfeld H. The effects of hydrogen ion concentration, fatty acids and vitamin C on the growth of fungi. J Invest Dermatol 1938;1:237-265.
  7. Scientific Committee of ESCOP: “ESCOP monographs: thymi herba”, March 1996.
  8. Tsukahara T. Fungicidal action of caprylic acid for Candida albicans. Japan Journal of Microbiology 1961;5 (4).
  9. Wyss O, Ludwig BJ, Joiner RR. The fungistatic and fungicidal action of fatty acids and related compounds. Arch Biochem 1945;7:415-425.

L-Glutamine

BESCHRIJVING

Afbeelding
 
L-Glutamine is het meest voorkomende vrije aminozuur in het lichaam en is bij meer stofwisselingsprocessen betrokken dan welk ander aminozuur dan ook. De cellulaire concentraties zijn ongeveer vier maal hoger dan in het plasma. De meeste weefsels zijn in staat om zelf glutamine aan te maken. Alleen de skeletspieren, longen, hersenen en het vetweefsel kunnen echter een grote hoeveelheid glutamine aanmaken die vervolgens aan het bloed kan worden afgegeven. De skeletspieren nemen, vanwege hun grote massa, verreweg het grootste deel van de glutaminevoorziening voor hun rekening. Ongeveer 50% van het circulerende glutamine wordt gebruikt als energiesubstraat en geoxideerd, 10 tot 20% wordt gebruikt voor gluconeogenese, en de rest (her-)gebruikt voor eiwitsynthese. Omdat vrijwel alle cellen van het lichaam glutamine kunnen aanmaken (met name spiercellen), is glutamine lange tijd beschouwd als niet-relevant waar het gaat om suppletie. Mede daarom werd er weinig onderzoek naar verricht.

Het blijkt echter dat L-glutamine semi-essentieel kan zijn, omdat de eigen produktie onder bepaalde omstandigheden tekort kan schieten. Tijdens stress, vasten, zware sportbeoefening, levercirrose en ernstige ziekten waaronder zware infecties, kunnen gemakkelijk deficiënties ontstaan. Op de intensivecareafdeling heeft met glutamine verrijkte parenterale voeding inmiddels haar grote nut bewezen. Onderzoek geeft aan dat suppletie met L-glutamine bij menig ernstig ziekteproces beschouwd kan worden als een levensreddende interventie.

WERKING

L-glutamine is betrokken bij een zeer groot aantal stofwisselingsprocessen, waaronder de zuur-basebalans, de stofwisseling van eiwit, vet en koolhydraten, de regulering van het celvolume, de productie van glutathion en de regulering van de balans tussen katabolisme en anabolisme. Het is een belangrijk substraat voor sneldelende cellen, zoals die van de darmmucosa en het immuunsysteem. Om die reden kan het ook een belangrijk nutriënt zijn bij wondgenezing en spieropbouw. 

Vrijwel alle aminozuren bezitten één aminogroep. Glutamine bevat er daarentegen twee. Mede om deze reden neemt glutamine een centrale plaats in bij de stofwisseling van aminozuren. Via glutaminezuur kunnen alle andere aminozuren worden gemaakt. Glutaminezuur (glutamaat) en glutamine kunnen daarbij gemakkelijk in elkaar worden omgezet.
Verder kunnen ook purines, pyrimidines (nucleïnezuren, DNA-bouwstoffen), aminoglucoseverbindingen, hormonen en coenzymen uit glutamine worden gesynthetiseerd.

De belangrijkste functies van glutamine worden hieronder puntsgewijs toegelicht: 

  • Energievoorziening; in de lever is het koolstofskelet van glutamine een belangrijke bouwstof van glucosemoleculen. En via omzetting in alfa-ketoglutaarzuur kan glutamine worden verbrand in de citroenzuurcyclus. Glutamine is de belangrijkste energiebron voor de dunne darm. Tevens is glutamine een belangrijke energiebron voor immuuncellen.

  • Immuuncellen (met name lymfocyten en macrofagen) gebruiken grote hoeveelheden glutamine, zelfs in perioden wanneer er geen groot beroep wordt gedaan op het immuunsysteem. Op het moment van een immuunrespons, als immuuncellen zich sterk moeten vermenigvuldigen en er allerlei antistoffen moeten worden aangemaakt, neemt het verbruik van glutamine echter dramatisch toe. Bij kortdurende immuunstress is de eigen productie, deels uit vertakte keten aminozuren (BCAA’s) in spierweefsel, meestal nog wel toereikend om in de behoefte te voorzien. Wanneer de stressituatie voortduurt, schiet de endogene productie tekort, met spierafbraak en immuunzwakte tot gevolg. L-glutamine is met name essentieel voor het Common Mucosal Immune System (CMIS), de immuunfunctie in de slijmlagen van het lichaam zoals in de luchtwegen, de geslachtsorganen en het maag-darmkanaal. In de slijmlaag van deze weefsels wordt met behulp van glutamine het secretoir IgA (s-IgA) geproduceerd. Dit type antilichaam is specifiek voor de immuunafweer in de mucosale lagen van het lichaam. Een tekort aan glutamine kan zo leiden tot een verminderde afweer tegen pathogenen in darm en luchtwegen. Onderzoekers hebben verlaagde s-IgA-niveaus in het speeksel in verband gebracht met een verhoogd optreden van Candida en andere infecties.

  • Glutaminesuppletie promoot sterker dan glucose of andere aminozuren de afgifte van het darmhormoon glucagonlike-peptide-1 (GLP-1). Dit remt glucagon en verhoogt de glucosegevoeligheid van de bètacellen in de pancreas waardoor de afgifte van insuline wordt bevorderd en de bloedsuikerspiegel daalt. Daarbij remt GLP-1 de apoptose van de bètacellen en bevordert ze de proliferatie en differentiatie van deze insulineproducerende cellen. Verder remt GLP-1 de eetlust. Glutamine is ter behandeling van diabetes en obesitas een interessante stof en wordt inmiddels in klinische studies toegepast. 

  • Zuur-basebalans; in geval van acidose neemt het verbruik van glutamine door de nieren sterk toe. De overtollige waterstofatomen worden dan gekoppeld aan de NH3-groep(ammoniak) van glutamine en worden als ammoniumionen (NH4+) uitgescheiden. Ook levert de verbranding van glutamine bicarbonaationen (HCO3-) op die een te lage pH helpen neutraliseren.

  • Bouwstof voor proteïnen; als aminozuur kan glutamine natuurlijk ook worden ingebouwd in diverse proteïnen.

  • Neurotransmittersynthese; glutamine is het meest voorkomende aminozuur in de hersenvloeistof, wat aangeeft dat het een belangrijke rol speelt in het hersenmetabolisme. Het aan glutamine verwante glutaminezuur (glutamaat) is zelf een belangrijke exciterende (stimulerende) neurotransmitter. Dit glutaminezuur kan ook (met behulp van vitamine B6, vitamine B12 en mangaan) worden omgezet in GABA (gamma-amino-boterzuur) dat weer een remmende (sederende) neurotransmitter is. Ter illustratie, tranquillizers als valium ontplooien hun kalmerende werking via de GABA-receptoren in de hersenen. De verhouding tussen GABA en glutamaat (GABA/glutamaat-index) is een maat voor het evenwicht tussen stimulatie en inhibitie van het zenuwstelsel.

  • Glutathionaanmaak; glutamine kan ook worden gebruikt voor de aanmaak van glutathion (een belangrijke ontgifter en antioxidant). Glutathion is een tripeptide dat bestaat uit glycine, glutamine en cysteïne. Normaal is het aminozuur cysteïne de beperkende factor bij de glutathionsynthese. In het geval van een glutaminedeficiëntie (bijv. door stress, vasten, zware sportbeoefening en ernstige ziekten) kan glutamine de beperkende factor worden. Suppletie van zowel cysteïne (beste bron: N-Acetyl-Cysteïne) als L-glutamine kan dan de glutathionsynthese sterk stimuleren.

  • Productie van purines en pyrimidines; dit zijn de bouwstenen van DNA en RNA. Voor sneldelende cellen zoals die van het immuunsysteem en het darmepitheel is deze rol van glutamine erg belangrijk.

  • Stikstoftransport en ammoniakafvoer; Ongeveer een derde van alle stikstof (N) die afkomstig is van eiwitafbraak wordt tussen organen getransporteerd in de vorm van glutamine. Wanneer het lichaam glutamine gebruikt, komt daar stikstof in de vorm van ammoniak bij vrij. Dit wordt aan het bloed afgegeven. In de lever wordt vervolgens het resterende ammoniak (NH3) via de ureumcyclus uit het lichaam verwijderd om het teveel aan stikstof te lozen. Ook kan dit ammoniak worden gebruikt om glutaminezuur weer om te zetten in glutamine. Wanneer de lever niet goed functioneert, helpt het spierweefsel bij de detoxificatie van ammoniak. Indien dit ook tekort schiet kunnen er in het lichaam toxische concentraties ammoniak ontstaan.

Sport
Vanwege zijn grote massa is het spierweefsel de grootste producent van glutamine in het lichaam. L-glutamine is ook de drijvende kracht achter het proces van spieropbouw. Glutamine is het meest voorkomende, meest gebruikte aminozuur in het spierweefsel. Als er niet voldoende glutamine aanwezig is, stagneert de eiwitsynthese. Wanneer dan zware lichamelijke inspanning wordt verricht, zal de paradoxale situatie optreden dat de glutamineniveaus sterk zullen dalen, dus juist op de momenten dat het lichaam er de grootste behoefte aan heeft.  
Na een zware (sport)inspanning is een periode van enkele uren nodig om de glutamineniveaus weer op peil te brengen. Een lichte trainingsdag verbetert onder gezonde trainingscondities het herstel van een zware dag, omdat enige spiergebruik, in tegenstelling tot totale fysieke inactiviteit, de glutaminesynthese stimuleert. Een verminderde beschikbaarheid van glutamine na training kan al een teken van overtraindheid zijn. Als er onvoldoende herstel kan plaatsvinden, zoals tijdens zware trainings- of wedstrijdperioden, kan een cumulatief effect optreden. Overtrainde sporters kunnen maandenlang, soms jarenlang, lage glutamineniveaus in het plasma hebben. Een glutaminedeficiëntie vermindert de kwaliteit en functie van het darmepitheel, verhoogt het risico op infecties en allergieën en vertraagt de wondgenezing. Met name duursporters zoals marathonlopers lopen dit risico. Glutaminesuppletie bij duursporters ondersteunt het darmepitheel en stimuleert het immuunsysteem, wat de kans op infecties vermindert en het lichaam zijn energie ten goede laat komen aan de prestaties.

Medische relevantie
Hoewel gezonde mensen zelf voldoende glutamine kunnen aanmaken, blijkt glutamine in veel gevallen toch een essentieel nutriënt te zijn. Tijdens de stress van bijvoorbeeld een infectie of verwonding, is de behoefte aan L-glutamine erg hoog (3 tot 4 maal de normale behoefte). 
De spieren reageren daarop door hun opgeslagen L-glutamine vrij te maken voor gebruik elders in het lichaam. Wanneer de stress niet te lang aanhoudt, worden de glutamineniveaus in de spieren snel hersteld. Bij langdurige metabolische stress (bijvoorbeeld bij chronische infectie) is de behoefte aan L-glutamine erg hoog. De beschikbaarheid van L-glutamine kan zo onvoldoende zijn waardoor onder andere spierbeschadiging en immuunverzwakking optreedt. Daar komt nog bij dat bij stress en ondervoeding de glutamineopname in de dunne darm drastisch afneemt. Wanneer dan de darmflora dysbiotisch of beschadigd is, kan het glutaminetekort dramatische vormen aannemen. Bij ziekenhuisopname en operaties kan dit bijvoorbeeld leiden tot een grote kans op ernstige complicaties.

Glutamine kan worden ingezet bij onder meer de volgende indicaties: 

  • Voor een goede wondgenezing is glutamine zeer belangrijk. Patiënten met zware verwondingen (zoals brandwonden of na operaties) hebben een sterk verhoogde behoefte aan glutamine, omdat bij wondgenezing ook een verhoogde celdeling, DNA- en eiwitsynthese plaatsvindt. Fibroblasten, macrofagen en lymfocyten hebben een hoge behoefte aan glutamine.

  • Bij patiënten met immuundeficiënties is glutamine nodig voor het optimaal functioneren van immuuncellen (monocyten, lymfocyten en neutrofielen). Bovendien verbetert glutamine de barrièrefunctie van de darm waardoor het risico op secundaire infecties vanuit de darm wordt verminderd. Het toevoegen van glutamine aan parenterale voeding blijkt, bij patiënten op intensive care units, vrijwel altijd een gunstig effect te hebben op diverse klinische parameters. Glutaminesuppletie blijkt een goede interventie om een sepsis en meervoudig orgaanfalen te voorkomen of te behandelen. Glutamine vermindert de duur van ziekenhuisopname en vermindert de kans op sterfte als gevolg van postoperatieve infectieuze complicaties. In de neonatologie blijkt glutamine verrijkte enterale voeding aan kinderen met een zeer laag geboortegewicht, de kans op maagdarminfecties en atopische dermatitis sterk te verminderen. Het onderzoek dat de eerste zes levensjaren besloeg wees op een blijvend voordeel, hetgeen maar weer aangeeft hoe belangrijk de start in het leven is.

  • Verhoogde darmpermeabiliteit en inflammatoire darmziekten. De darm moet voedingsstoffen op kunnen nemen maar ook veel belastende stoffen en microben kunnen weren. Glutamine speelt hierbij een belangrijke rol omdat het de darmbarrière versterkt. Glutamine is belangrijk voor de continue heropbouw van de sneldelende cellen van het darmepitheel, met name in de dunne darm. Deze cellen worden elke drie tot vier dagen volledig geregenereerd. Het belang van glutamine voor het darmepitheel wordt treffend geïllustreerd door het feit dat maar liefst veertig procent van het totale glutamineverbruik in de darm plaatsvindt. Bij een glutaminetekort kunnen de darmepitheelcellen atrofiëren, wat niet alleen leidt tot een verminderde absorptie van nutriënten, maar ook tot een mogelijk verhoogde permeabiliteit van het darmepitheel. De darmepitheelcellen benutten glutamine als energiebron om een zeer bepaalde reden. Bij de afbraak van glutamine als energiebron wordt namelijk stikstof en koolstof vrijgemaakt. Stikstof en koolstof worden bij de celdeling gebruikt om exacte kopieën van het DNA te vormen. De inname van extra glutamine blijkt dan ook een belangrijke preventieve functie te hebben voor de ontwikkeling van ziektebeelden zoals de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa. Vrij recent onderzoek bij proefdieren met colitus toont dat suppletie met glutamine de vorming van littekenweefsel geheel voorkomt. Littekenweefsel is een onomkeerbaar gevolg van de darmontstekingen en kan leiden tot vernauwingen en functieverlies van de darm. Bij patiënten die enterale of parenterale voeding krijgen, versnelt glutamine de genezing, wat vrijwel zeker is toe te schrijven aan de voedende werking voor de darmmucosa, het verminderen van de permeabiliteit van het darmepitheel en/of het tegengaan van s-IgA-depletie. 

Veiligheid
Algemeen geldt dat het gebruik van L-glutamine veilig is. Doseringen van 20 tot 30 gram in een keer werden door gezonde volwassenen zonder bijwerkingen verdragen en onderzoek toont dat atleten die gedurende 14 dagen dagelijks 28 gram glutamine innamen geen enkel negatief effect ondervonden. Dagdoseringen tot 0,65 gr/kg lichaamsgewicht werd door patiënten goed verdragen en resulteerde niet in afwijkende ammoniakspiegels. Gezien het effect van glutaminesuppletie op de insulinesecretie is voorzichtigheid geboden bij personen die diabetesmedicatie gebruiken.

Ervaring heeft uitgewezen dat sommige mensen kennelijk overgevoelig zijn voor monosodium glutamaat (MSG, E621), het natriumzout van glutaminezuur dat als smaakversterker in veel kant-en-klare soepen, sauzen en maaltijden wordt gebruikt. Wetenschappelijk onderzoek heeft over deze veronderstelde gevoeligheid geen helderheid verschaft. Onder de naam Ve-tsin wordt MSG kwistig gebruikt in sommige restaurants. Mensen die overgevoelig zijn voor deze smaakversterker krijgen dan het zogenaamde ‘Chinees restaurantsyndroom’ dat ook wel de ziekte van Kwok wordt genoemd. Hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid, hartkloppingen, koud zweet, buikpijn, roodheid en andere symptomen kunnen voorkomen. Mogelijk zouden zij ook op suppletie met L-glutamine kunnen reageren. 

INDICATIES

  • chronische infecties
  • intensieve sportbeoefening
  • glutathionsynthese
  • immunodeficiëntie (o.a. AIDS)
  • ontwenningsverschijnselen van alcoholisme en verslavingen in zijn algemeenheid
  • gastritis
  • ulcera in maag en duodenum (ook colitis ulcerosa)
  • motorische en sensorische overprikkeling
  • complementaire therapie bij chemo- en radiotherapie
  • leaky gut syndrom
  • metabolische reprogrammatie

CONTRA-INDICATIES

In de aangegeven dosering zijn van L-glutamine geen contra-indicaties bekend.

BIJWERKINGEN

Voor zover bekend veroorzaakt L-glutamine in de aangegeven dosering geen bijwerkingen.

INTERACTIES

Interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg hiervoor een deskundige.

DOSERING

Een veel gebruikte dagdosering L-glutamine ligt tussen de vijf en tien gram per dag. Het verdient de voorkeur de hoeveelheid in meerdere kleine porties te verdelen en verspreid over de dag in te nemen. 

Om competitie met andere aminozuren tegen te gaan, is het aan te raden glutamine tenminste een half uur voor de maaltijd in te nemen. De dosis kan naar behoefte of op geleide van het klinisch beeld worden aangepast. Geschat wordt bijvoorbeeld dat een AIDS-patiënt al in de eerste stadia van de ziekte een behoefte heeft van tien gram glutamine per dag. Bij zware immuundeficiënties of bij patiënten die een beenmergtransplantatie ondergaan, worden soms wel doseringen tot veertig gram per dag gebruikt. Glutamine is hittegevoelig; meng daarom geen glutamine met hete dranken. Inname van glutamine vlak voor het slapen kan leiden tot inslaapproblemen, mogelijk door een effect op de GABA/Glutamaat index en neurotransmitters, waardoor het zenuwstelsel geprikkeld wordt. Bij inslaapproblemen is het advies glutamine niet vlak voor het slapengaan in te nemen en de doses over de ochtend en middag te spreiden. Informatie interessant en wilt u meer weten? voeg me toe als vriend, dan kunnen we erover discussiëren
https://www.facebook.com/natuurpraktijkaurora

REFERENTIES

  1. Monograph: L-Glutamine. Alternative Medicine Review. Volume 6, Number 4 2001. 406-410.
  2. Amores-Sanchez MI, Medina MA. Glutamine, as a precursor of glutathione, and oxidative stress. Mol Genet Metab 1999; 67: 100-15.
  3. Antonio J, Street C. Glutamine: a potentially useful supplement for athletes. Can J Appl Physiol 1999; 24: 1-14.
  4. Buchman AL. Glutamine for the gut: mystical properties or an ordinary amino acid? Curr Gastroenterol Rep 1999; 1: 417-23.
  5. Calder PC, Yaqoob P. Glutamine and the immune system. Amino Acids 1999; 17: 227-41.
  6. Castell LM, Newsholme EA. Glutamine and the effects of exhaustive exercise upon the immune response. Can J Physiol Pharmacol 1998; 76: 524-32.
  7. Field CJ, Johnson I, Pratt VC. Glutamine and arginine: immunonutrients for improved health. Med Sci Sports Exerc 2000 Jul;32(7 Suppl):S377-388.
  8. Garlick PJ. Assessment of the safety of glutamine and other amino acids. J Nutr. 2001 Sep;131(9 Suppl):2556S-61S.
  9. Griffiths RD. Outcome of critically ill patients after supplementation with glutamine. Nutrition 1997; 13: 752-74.
  10. Klimberg VS, Souba WW, Salloum RM, et al. Glutamine-enriched diets support muscle glutamine metabolism without stimulating tumor growth. J Surg Res 1990;48:319-323
  11. Labow BI, Souba WW. Glutamine. World J Surg 2000 Dec;24(12):1503-113.
  12. Loman S. Glutamine; van basale wetenschap naar klinische toepassing. De Orthomoleculaire Koerier 1999; 74: 19-25.
  13. Medina MA. Glutamine and cancer. J Nutr. 2001 Sep;131(9 Suppl):2539S-42S; discussion 2550S-1S.
  14. Miller AL. Therapeutic considerations of L-glutamine: a review of the literature. Altern Med Rev 1999; 4: 239-248.
  15. Nissim I. Newer aspects of glutamine/glutamate metabolism: the role of acute pH changes. Am J Physiol 1999; 277: F493-F47.
  16. Novak F, Heyland DK, Avenell A, Drover JW, Su X. Glutamine supplementation in serious illness: a systematic review of the evidence. Crit Care Med. 2002 Sep;30(9):2022-9.
  17. Patrick L. Nutrients and HIV: part three – N-acetylcysteine, alpha-lipoic acid, L-glutamine, and L-carnitine. Altern Med Rev 2000 Aug;5(4):290-305.
  18. Rohde T, Krzywkowski K, Pedersen BK. Glutamine, exercise, and the immune system–is there a link? Exerc Immunol Rev 1998; 4: 49-63.
  19. Werbach MR. Nutritional influences on illness. Tarzana, California: Third Line Press, 1996.
  20. Ziegler TR, Szeszycki EE, Estivariz CF, Puckett AB, Leader LM. Glutamine: from basic science to clinical applications. Nutrition 1996; 12: S68-S70.
  21. Ziegler TR. Glutamine supplementation in cancer patients receiving bone marrow transplantation and high dose chemotherapy. J Nutr. 2001 Sep;131(9 Suppl):2578S-84S; discussion 2590S.

Probiotica

imagesBESCHRIJVING

Het maagdarmkanaal is het belangrijkste immuunorgaan van ons lichaam en staat via het grote oppervlak van de darmwand continu in contact met de buitenwereld (door de ontelbare microvilli). De darminhoud kan behalve voedingsstoffen ook een groot aantal lichaamsvreemde, toxische stoffen en ziekteverwekkende bacteriën bevatten. In het darmkanaal leven ca. 100.000 miljard (10 tot de macht 14) bacteriën. Dit is ongeveer tien keer zoveel als het totaal aantal cellen van het menselijk lichaam. De gezondheid van de darmen is het resultaat van een microscopisch samenspel tussen miljarden gunstige (probiotische) en ongunstige (pathogene) bacteriën. De algehele gezondheid van de mens wordt grotendeels bepaald door de mate van evenwicht van de darmflora. Een gezonde darmflora is daarom absoluut noodzakelijk voor een goede gezondheid.

W E R K I N G

Probiotische bacteriestammen hebben onder meer de volgende effecten:

● Antimicrobiële activiteit tegen pathogenen: probiotische bacteriën gaan de groei van pathogene organismen in het maagdarmkanaal tegen. Ze strijden om het beschikbare voedsel en de beschikbare ruimte (o.a. om zich te kunnen hechten aan de darmwand) en scheiden daarbij substanties uit, zoals melkzuur en andere organische zuren en antibiotisch werkende stoffen die bekend staan onder de naam bacteriocinen. Daardoor ontstaat er een milieu waarin pathogenen zich niet thuis voelen en niet kunnen uitgroeien. Eenmaal gehecht aan de darmwand is er geen plaats meer voor ongunstige bacteriën. Onderzoeken tonen de antagonistische werking aan van probiotica op pathogene microben en het vermogen om darminfecties, veroorzaakt door deze schadelijke organismen, te genezen [1, 2, 3].

● Voedselvertering: probiotische organismen dragen bij aan het verteringsproces, doordat ze enzymen (zoals lactase) bevatten. De vertering van lactose en melkproducten wordt hiermee ondersteund.

● Productie van kortketenige vetzuren: kortketenige vetzuren zoals melkzuur (lactaat), azijnzuur (acetaat), proprionzuur (proprionaat) en boterzuur (butyraat), worden gebruikt als voeding door de darmepitheelcellen en zijn therapeutisch gebruikt bij aandoeningen als IBS (Inflammatory Bowel Syndrome). Het probleem met orale toediening van boterzuur is de onaangename geur, dit probleem heeft men niet bij het boterzuur wat gevormd wordt door probiotische bacteriën.

● Anti schimmel, virus en gist werking: de door de darmflora geproduceerde kortketenige vetzuren voeden het darmepitheel, waardoor een sterke barrière ontstaat tegen ongunstige schimmels en gisten. Hierdoor wordt voorkomen dat schimmels vanuit de darm in de bloedbaan terechtkomen. Virussen kunnen vernietigd of verwijderd worden door absorbtie.

● pH verlaging: kortketenige vetzuren verlagen de pH en houden daardoor de groei van pathogene darmbewoners in toom. Bovendien vergemakkelijkt een lage pH de absorptie van mineralen zoals calcium, magnesium en zink. Probiotica verhogen hiermee de biobeschikbaarheid van mineralen.

● I m m u u n v e r s t e r k i n g : probiotische flora heeft een krachtig effect op het immuunsysteem door het versterken van zowel de cellulaire als de humorale immuunrespons [4].

● Vermindering van voedselallergieën: een niet-evenwichtige darmflora kan bijdragen aan een hyperpermeabele darmwand (verhoogde doorlaatbaarheid), vroeger ook wel het “leaky gut” syndroom genoemd. Deze doorlaatbaarheid wordt in verband gebracht met een groot aantal ziektebeelden, waaronder voedselovergevoeligheden, voedselallergieën en overbelasting van de lever.

● Cholesterolverlaging: probiotische bacteriën converteren cholesterol in een minder absorbeerbare vorm, waardoor de absorptie van cholesterol vanuit het maagdarmkanaal wordt verminderd en het serumcholesterolgehalte daalt.

● Productie van vitaminen: veel enzymen in het lichaam hebben voor hun functioneren B-vitaminen als co- enzym nodig. Bifidobacteriën kunnen sommige van deze vitaminen produceren, waaronder vitamine B1, B6, B12, foliumzuur, biotine en vitamine K, evenals verschillende aminozuren.

● Inwendige reiniging: probiotica helpen bij het herstel van de microbiële flora in de gehele darm. De dikke darm kan gezien worden als een afvalbewaarbak, waarbij een regelmatige stoelgang ophoping van toxines voorkomt. Lactobacillen en bepaalde gisten hebben een stimulerende functie op de darmperistaltiek en bevorderen hiermee een regelmatige stoelgang.

● Preventie en behandeling van diarree [7, 8, 9]: in een gezond darmkanaal heerst een milieu waarin de meeste pathogene bacteriestammen zich niet thuis voelen. De probiotische flora voorkomt door productie van zuren en antibiotisch werkende stoffen, evenals door competitie om voedsel en ruimte, dat grote aantallen pathogenen de darm gaan koloniseren. De mate waarin een darm daartoe in staat is, wordt kolonisatieresistentie genoemd. Bij een dysbiotische flora, bv. na antibioticagebruik of als gevolg van een

infectie met Clostridium difficile, bestaat de kans dat de pathogene stammen, die door hun toxische bijproducten soms de oorzaak zijn (geweest) van de diarree, de probiotische flora gaan overgroeien. Ongeacht wat de oorzaak is, gaan er bij diarree in korte tijd grote aantallen probiotische bacteriën verloren. Het is dan van groot belang de probiotische stammen snel weer aan te voeren, omdat deze de beste bestrijders zijn van deze pathogenen [10, 11].

INDICATIES
Antibioticagebruik: antibiotica kunnen een groot deel van de darmflora doden. Toediening van probiotica vult gunstige bacteriën aan. Probiotica moeten enkele uren voor of na de antibiotica ingenomen worden. Obstipatie: het gebruik van probiotica kan constipatie als gevolg van een slechte darmflora verlichten en hiermee een regelmatige stoelgang bevorderen.

(Reizigers-)diarree: diverse Lactobacillus-stammen werken preventief en therapeutisch bij diarree. Zowel de duur als de intensiteit van diarree-aanvallen kan worden teruggedrongen [9]. Chronische darmontstekingen zoals de ziekte van Crohn en Colitis Ulcerosa. Beiden ziektebeelden gaan gepaard met ontstekingen. Één van de eigenschappen van probiotica is dat ze ontstekingen kunnen verminderen door de weerstand (via het immuunsysteem) te verhogen.

IBS (Inflammatory Bowel Syndrome) ook wel PDS (Prikkelbare Darm Syndroom) genoemd [12]. Hypercholesterolemie: probiotische bacteriën zorgen voor een verhoogde uitscheiding van galzuren, het lichaamscholesterol wordt in hogere mate omgezet in galzuren. Immuunzwakte: de darm is het grootste immuunorgaan van het lichaam. Verbetering van de darmflora in de dunne darm heeft een zeer positief effect op de conditie van het afweersysteem[4].

Infecties van de urinewegen (cystitis), vagina of darmen: bij vaginale infecties (Chlamydia, Trichomonas en Candida) kunnen regelmatige vaginale douches met een probiotica oplossing helpen [13]. Lactobacillus acidophilus kan de duur en incidentie van Candida-infecties (zoals Candida albicans) in de vagina en colon verminderen. Darmparasieten: probiotica, evenals bepaalde gunstige gisten, hechten zich aan de darmwand zodat er geen plaats meer is voor andere organismen. Candidiasis: probiotica kan de kolonisatie en groei van Candida soorten, zoals Candida albicans, remmen. Ook het immuunsysteem kan door toediening van probiotica beter reageren op contact met Candida. Dit geldt voor alle leeftijden, zowel voor te vroeg geborenen als ouderen [14, 15]. Huidaandoeningen als acné, psoriasis en eczeem: de ontstekingsremmende werking van probiotica beperkt zicht niet enkel tot de darm. Uit een studie met jonge kinderen met atopisch eczeem bleek toediening van lactobacillus- en bifidobacteriën na 2 maanden significant de huidaaandoening te verbeteren vergeleken met de placebo groep [16]. Uit een review bleek vooral de Lactobacillus rhamnosus stam effectief te zijn bij (atopisch) eczeem [17]. In een algemene review over probiotica in relatie met de huid wordt de relatie tussen intestinale microflora, het immuunsysteem en de huid gepresenteerd. Uit de diverse onderzoeken opgenomen in de review blijkt probiotica gunstige effecten te hebben bij huidaandoeningen [18]. Allergie: zo’n 80% van de afweer vindt zijn oorsprong in de darm. Een goed afweersysteem voorkomt allergische reacties. bij kinderen met eczeem (atopische dermatitis) veroorzaakt door koemelkallergie kunnen Lactobacillen de symptomen verminderen. De probiotische bacteriën verbeteren de integriteit van de darmwand en gaan ontstekingen aldaar tegen [16]. Voedselallergieën: probiotica kunnen ingezet worden bij het voorkomen en behandelen van voedselallergieën [19]. Bij een voedselallergie verloopt de reactie op de allergenen via het immuunsysteem. Probiotica verhogen de immuniteit van de darm, verbeteren de functie van cytokinen en de darmpermeabiliteit neemt af. Lactose intolerantie: probiotische stammen produceren lactase waardoor lactose afgebroken kan worden. Jicht: probiotica hebben een verlagend effect op urinezuur. Artritis en andere reumatische aandoeningen: omdat probiotica het immuunsysteem opkrikken kan het lichaam ontstekingen beter opruimen. Tandvleesontstekingen: bij tandvleesontstekingen kan de mond regelmatig gespoeld worden met een oplossing van probiotica. Ontstekingen aan het tandvlees gaan vaak samen met bloedend tandvlees tijdens het poetsen. Ook plakvorming komt minder voor als gespoeld wordt met probiotica [20]. Ulcera in maag of duodenum. Vaak blijkt een infectie met de Helicobactor pylori verantwoordelijk te zijn voor het ontstaan van een maagzweer. probiotica helpen bij het bestrijden van deze bacterie [21, 22]. Uit een analyse van 9 humane studies bleken 7 studies een positief effect te laten zien van probiotica bij gastritis (maagontsteking), veroorzaakt de de H. pylori. De hoeveelheid H. pylori kon effectief besteden worden met probiotica. Tevens bleek probiotica een goede ondersteuning te zijn van de behandeling van H. Pylori met antibiotica. Ook werden de bijwerkingen van de antibiotica gereduceerd door de probiotica [23]. Flatulentie: probiotica helpen bij de voedselvertering en dragen bij aan het verteringsproces, doordat ze enzymen (zoals lactase) produceren. Tevens helpen ze bij het verlagen van de pH. Door de verbeterde vertering wordt gisting en de hiermee samengaande gasvorming vermindert of voorkomen. Hepatische encefalopathie (HE): bij dit syndroom spelen diverse factoren een rol, waaronder uit de darm afkomstige toxinen zoals ammoniak en andere stikstof bevattende stoffen [24].

Informatie tot nu interessant en wilt u meer weten? voeg me toe als vriend, dan kunnen we erover discussiëren https://www.facebook.com/natuurpraktijkaurora

CONTRA-INDICATIES Van probiotica zijn geen contra-indicaties bekend, ook niet in hoge doseringen.

BIJWERKINGEN Patiënten die pro- en prebiotica gebruiken, kunnen aanvankelijk een verhoogde gasvorming of krampen bemerken.

Dit is een teken dat de gunstige bacteriën aan het fermenteren zijn en het darmmilieu aan het verzuren is. Na verloop van tijd (meestal een week) past het lichaam zich aan en verminderen of verdwijnen deze neveneffecten. In een dergelijk geval kan het zinvol zijn de aanvangsdosis gedurende de eerste twee weken te verminderen tot de helft van de aanbevolen dosering.

INTERACTIES Probiotica verminderen de bijwerkingen van antibiotica en kunnen diarree veroorzaakt door antibiotica verminderen of voorkomen [25-28]. Interacties met reguliere of natuurgeneesmiddelen zijn mogelijk. Raadpleeg hiervoor een deskundige.

DOSERING Om effectief te kunnen zijn dient een probioticum per dosis toch minstens enkele miljarden bacteriekiemen te bevatten. Dit omdat er altijd een deel van de bacteriën sneuvelt voordat ze in de darm terechtkomen.

Over het beste moment van inname van probiotica bestaan verschillende opvattingen. In principe overleven de meeste bacteriën als ze weinig maagzuur, verteringsenzymen en gal tegenkomen én wanneer ze niet te lang in het maagmilieu moeten verblijven. Het transport door de maag vindt relatief het snelst plaats wanneer de maag leeg is. Van een glas water vermengd met een probioticum dat op lege maag is ingenomen, wordt iedere 10 minuten de helft van de maaginhoud in het darmkanaal geleegd. Na een half uur is dan 87,5% van de ingenomen bacteriestammen al in de darm aanwezig. Maar ook de zuurgraad (pH) van de maagvloeistof bepaalt in sterke mate de overleving van de bacteriestammen in de maag. De pH van de maag is het hoogst ’s ochtends voor het ontbijt, ’s avonds voor het slapen gaan en tijdens de maaltijden (pH >4). Tussen de maaltijden door kan de pH dalen tot beneden de 3.

Inname van probiotica is qua zuurgraad het gunstigst op een lege maag ’s ochtends voor het ontbijt, ’s avonds voor het slapen gaan of bij de maaltijden. Bij de maaltijd is echter de maagpassage een stuk trager en zijn er ook meer gal en verteringsenzymen aanwezig, vooral wanneer de maaltijd veel vet en/of eiwit bevat.

Het is aan te raden probiotica verspreid over de dag in te nemen, vooral in het begin in verband met mogelijke bijwerkingen als gasvorming en kramp. Ieder probioticum heeft zijn eigen specifiek karakter. Afhankelijk van de bacteriestammen in de probiotia is het aan te raden om de probiotica regelmatig te gebruiken om uitspoeling te voorkomen.

Voedingsvezels hebben eveneens een gunstig effect op de darmflora en met name op de Bifidobacteriën in de dikke darm. Het gebruik van een vezelrijke voeding werkt daarom ondersteunend bij het gebruik van probiotica. Probiotica zelf werken synergistisch bij alle orthomoleculaire therapieën, omdat een goede darmflora de absorptie van de orthomoleculaire nutriënten duidelijk verbetert. Omgekeerd kunnen therapeutische hoeveelheden zink de koloniseerbaarheid verbeteren.

bron: naturafoundation
REFERENTIES 1. Gorbach SL. Probiotics and gastrointestinal health. Am J Gastroenterol 2000 Jan;95(1 Suppl):S2-4 2001; 95: S2-4. 2. Guarner F, et al. Gut flora in health and disease. Lancet 2003 Feb 8;361(9356):512-9. 3. Isolauri E, et al. Probiotics: a role in the treatment of intestinal infection and inflammation? Gut 2002 May;50

Suppl 3:III54-9. 4. Alberda C, et al. Effects of probiotic therapy in critically ill patients: a randomized, double-blind, placebo-

controlled trial. Am J Clin Nutr. 2007 Mar;85(3):816-23. 5. Burns AJ, et al. Anti-carcinogenicity of probiotics and prebiotics. Curr Issues Intest Microbiol 2000 Mar;1(1):13-24

Curr Opin Clin Nutr Metab Care 2001 Nov;4(6):571-9. 6. Naito S, et al. Prevention of recurrence with epirubicin and lactobacillus casei after transurethral resection of

bladder cancer. J Urol. 2008 Feb;179(2):485-90. 7. Cremonini F, et al. Meta-analysis: the effect of probiotic administration on antibiotic-associated diarrhoea.

Aliment Pharmacol Ther 2002 Aug;16(8):1461-7. 8. D’Souza AL, et al. Probiotics in prevention of antibiotic associated diarrhoea: meta-analysis. BMJ 2002 Jun 8;324

(7350):1361. 9. Huang JS, et al. Efficacy of probiotic use in acute diarrhea in children: a meta-analysis. Dig Dis Sci 2002 Nov;47

(11):2625-34. 10. Saavedra J. Probiotics and infectious diarrhea. Am J Gastroenterol 2000 Jan;95(1 Suppl):S16-8 2001; 95: S16-S8. 11. Hickson M, et al. Use of probiotic Lactobacillus preparation to prevent diarrhoea associated with antibiotics:

randomised double blind placebo controlled trial. BMJ. 2007 Jul 14;335(7610):80. Epub 2007 Jun 29. 12. Mitsuyama K, et al. Gut microflora: a new target for therapeutic approaches in inflammatory bowel disease.

Expert Opin Ther Targets. 2008 Mar;12(3):301-12. 13. Mijac VD, et al. Hydrogen peroxide producing lactobacilli in women with vaginal infections. Eur J Obstet

Gynecol Reprod Biol. 2006 Nov;129(1):69-76. Epub 2006 Jul 11. 14. K. Hatakka, et al. Probiotics Reduce the Prevalence of Oral Candida in the Elderly-a Randomized Controlled

Trial. J. Dent. Res., Feb 2007; 86: 125 – 130. 15. P Manzoni, et al. Oral supplementation with Lactobacillus casei subspecies rhamnosus prevents enteric

colonization by Candida species in preterm neonates: a randomized study. Clin Infect Dis, June 15, 2006; 42

(12): 1735-42. 16. Isolauri E, et al. Probiotics in the management of atopic eczema. Clin Exp Allergy 2000 Nov;30(11):1604-10 2001;

30: 1604-110. 17. Betsi GI, et al. Probiotics for the treatment or prevention of atopic dermatitis: a review of the evidence from

randomized controlled trials. Am J Clin Dermatol. 2008;9(2):93-103. 18. Caramia G, et al. Probiotics and the skin. Clin Dermatol. 2008 Jan-Feb;26(1):4-11. 19. Jong, L.S. de. Probiotica: een nieuw medicijn tegen voedselallergie? Voedingsmiddelentechnologie [0042-

7934]:2002 Vol:35 Nr:25 Pg:36 -37. 20. Krasse P, et al. Decreased gum bleeding and reduced gingivitis by the probiotic Lactobacillus reuteri. Swed

Dent J. 2006;30(2):55-60. 21. Sheu BS, et al. Pretreatment with Lactobacillus- and Bifidobacterium-containing yogurt can improve the

efficacy of quadruple therapy in eradicating residual Helicobacter pylori infection after failed triple therapy.

Am J Clin Nutr. 2006 Apr;83(4):864-9. 22. Park SK, et al. The effect of probiotics on Helicobacter pylori eradication. Hepatogastroenterology. 2007 Oct-

Nov;54(79):2032-6. 23. Drahoslava Lesbros-Pantoflickova, et al. Helicobacter pylori and Probiotics. J. Nutr. 2007. 137(3 Suppl 2): p.812S-

8S. 24. Malaguarnera M, et al. Bifidobacterium longum with fructo-oligosaccharide (FOS) treatment in minimal

hepatic encephalopathy: a randomized, double-blind, placebo-controlled study. Dig Dis Sci. 2007 Nov;52

(11):3259-65. Epub 2007 Mar 28. 25. D’Souza AL, et al. Probiotics in prevention of antibiotic associated diarrhoea: meta-analysis. BMJ. 2002;324

(7350):1361. 26. Katz JA. Probiotics for the prevention of antibiotic-associated diarrhea and Clostridium difficile diarrhea. J Clin

Gastroenterol 2006;40(3):249-55. 27. McFarland LV. Diarrhoea associated with antibiotic use. BMJ. 2007 Jul 14;335(7610):54-5. 28. Hickson M, et al. Use of probiotic Lactobacillus preparation to prevent diarrhoea associated with antibiotics:

randomised double blind placebo controlled trial. BMJ. 2007 Jul 14;335(7610):80. Epub 2007 Jun 29.

cropped-alie2.jpg

Alie Wouda

Wilt u een afspraak maken? Dat kan online

Krillolie Orthomoleculaire therapie

Inleiding

Krillolie wordt geproduceerd uit krill. Dit is het zoöplankton dat bestaat uit kleine garnaalachtige schaaldiertjes (Euphasia Superba) die een gemiddelde lengte hebben van 16 mm. Ze leven in grote aantallen in de koude poolwateren. Afbeelding

Doordat krill laag in de voedselketen staat en geoogst wordt in de zuivere oceaan rondom Antarctica is de olie van nature arm aan zware metalen, PCB’s en andere contaminanten. Krillolie wordt het best gewonnen zonder dat de olie blootgesteld wordt aan hoge temperaturen. Hierdoor blijven de belangrijke fosfolipiden in de olie volledig intact; er treedt geen vetzuurperoxidatie op. Krillolie bevat de meervoudig onverzadigde vetzuren EPA en DHA in een zeer hoogwaardige kwaliteit. De hoge antioxidatieve eigenschappen van deze olie dragen bij aan stabiliteit van krillolie.

Krillolie is een uniek voedingssupplement doordat drie belangrijke nutriëntengroepen zijn verenigd:

  • omega-3-vetzuren (EPA , DHA en alfalinoleenzuur)
  • fosfolipiden antioxidanten,
  • met name astaxanthine

Omega-3-vetzuren Krillolie bevat ongeveer 15 keer meer omega-3-vetzuren dan omega-6-vetzuren en bestaat voor minimaal 30% uit omega-3- vetzuren. Belangrijk verschil met visolie is dat deze vetzuren in krillolie in de fosfolipidenvorm voorkomen. Visolie kenmerkt zich namelijk door EPA en DHA in de vorm van triglyceriden. Fosfolipiden beschermen alle celstructuren en zijn het medium waarin receptoren, transporteiwitten, ionkanalen en andere belangrijke celproteïnes functioneren. Belangrijke groepen fosfolipiden zijn fosfatidylcholine, fosfatidylserine, fosfatidylinositol en fosfatidylethanolamine. Al deze groepen zijn vertegenwoordigd in krillolie en gebonden aan EPA en DHA. Dit in tegenstelling tot plantaardige fosfolipiden, die uitsluitend gebonden zijn aan de vetzuren linolzuur en alfalinoleenzuur.

De fosfolipiden vorm in krill komt overeen met onze lichaamseigen vorm. Dit is zeer belangrijk voor de bouw, functie en bescherming van onze celmembranen in het algemeen en onze zenuw- en hersencellen in het bijzonder. De hersenen zijn namelijk het meest fosfolipidenrijke weefsel van het lichaam en bevatten veel fosfatidylcholine, fosfatidylserine en DHA.
Krillolie bevat ook (circa 10%) sfingomyeline, de belangrijkste component van de myelineschede rondom zenuwen.

In fosfolipiden zijn essentiële vetzuren, choline en een fosfaatgroep gebonden aan een glycerolmolecule. In deze vorm heeft het molecule een hydrofiele kop en een hydrofobe staart (bestaande uit twee vetzuurmoleculen). De kop heeft een voorliefde voor een waterig milieu en de staart voor een vettig milieu. In het lichaam gaan fosfolipiden daarom met hun staarten naar elkaar toe zitten, en vormen zo een dubbele laag; de celmembraan. Alle celmembranen van alle cellen in het lichaam, maar ook die van diverse organellen in de cel, zoals het mitochondrium, liposomen en het endoplasmatisch reticulum bestaan allemaal voor het overgrote deel uit fosfolipiden.

Antioxidatieve eigenschappen Krillolie bezit krachtige antioxidatieve eigenschappen, mede door de grote biologische beschikbaarheid van de aan fosfolipiden gebonden antioxidanten. De belangrijke antioxidanten zijn vitamine E, bètacaroteen en carotenoïden als canthaxanthine en astaxanthine. Beide laatste stoffen zijn beter (ongeveer 50% effectiever) dan bètacaroteen, luteïne en lycopeen in het voorkomen van vetzuurperoxidatie. Astaxanthine is het belangrijkste rode pigment in zeedieren. Het geeft onder andere zalm en garnalen hun roze kleur. Astaxanthine beschermt de vetzuren in de celmembraan tegen het singlet-zuurstofradicaal en remt tevens de productie van diverse proïnflammatoire substanties zoals iNOS (induceerbaarbaar stikstofoxidesynthase), PgE2 en TNF-alfa. Astaxanthine kan de bloed- hersenbarrière passeren en is daarom mogelijk ook een belangrijk antioxidant in hersenweefsel. Naast deze carotenoïden bevat krillolie een kleine hoeveelheid vitamine A van maximaal 70 microgram per gram krillolie en een nieuw ontdekt flavonoïde met een molecuulstructuur die lijkt op die van luteoline.

Inname en biologische beschikbaarheid Door hun speciale structuur (vetoplosbare kant en wateroplosbare kant) vormen fosfolipiden in oplossing

gemakkelijk emulsies. Daardoor is de absorptie van de krillolievetzuren in het darmkanaal makkelijk. Na inname van krillolie vindt men in de lymfe een aanzienlijk hogere EPA- en DHA-waarde in vergelijking met een vergelijkbare hoeveelheid visolie. Vanwege de fosfolipidenstructuur worden deze vetzuren ook gemakkelijker ingebouwd in de celmembraan en de membranen van andere celonderdelen. Een bijkomend voordeel is dat krillolie in het algemeen na inname niet opboert en geen vervelende nasmaak geeft.

INDICATIES In principe kan krillolie worden ingezet bij alle indicaties waar visolie wordt ingezet. Krillolie is veelbelovend en blijkt tot dusver een therapeutische meerwaarde te hebben in vergelijking met visolie. Krillolie kan worden ingezet bij PMS (premenstrueel syndroom) en alle chronische inflammatoire aandoeningen kenmerkend voor beschavingsziekten zoals het metabole syndroom, diabetes-type-2, hart- en vaatziekten, osteoartritis en reuma. Gezien het hoge gehalte aan belangrijke fosfolipiden zou krillolie bijzonder geschikt kunnen zijn wanneer de behandeling zich richt op neurologische en mentale functies.

Er zijn reeds een aantal studies gedaan waar specifiek krillolie is onderzocht.

● Een randomised clinical trial onder 70 vrouwen verminderde in drie maanden tijd alle emotionele symptomen

van PMS, zoals onrust, stress, geïrriteerdheid en depressie. De eerste maand kreeg de krillolie-groep dagelijks 2 gram krillolie. De volgende twee maanden werd de dosering gedurende 10 aansluitende dagen per maand ingenomen; 8 dagen vóór en 2 dagen tijdens de menstruatie. Dagelijks 2 gram standaard visolie bleek niet effectief [5].

● Een 12-weken-durende randomised clinical trial liet zien dat een dosering van 1 gram krillolie per dag resulteerde in een daling van het totaal cholesterol (13%), LDL-cholesterol (32%) en triglycerides (11%). Het HDL- cholesterol steeg met 44%. Inname van 500 mg per dag in de periode daarna bleek in staat deze parameters binnen gezonde grenzen te houden. Het effect van de krillolie overtrof ruim dat van visolie [6].

● Krillolie (300 mg per dag) bleek in een 30 dagen durende randomised clinical trial onder 90 patiënten met een cardiovasculaire aandoening en/of reuma en/of osteoartritis de CRP-waarde al na 14 dagen met 29,7% te laten dalen terwijl deze in de placebogroep met 30% steeg. De conclusie luidde dat 300 mg krillolie al na 7 dagen significant ontstekingen remt en pijn reduceert met 28,9%, stijfheid met 20,3% en functiebeperking met 22,8% [7].

● In-vivo en in-vitro onderzoek wijst op het potentieel gunstige effect van krillolie op het beheersen van serumlipiden bij diverse aandoeningen, maar ook op het proliferatieremmende effect in een kweek van darmkankercellen [8].

● Krillolie (2 gram per dag) verhoogt bij mannen en vrouwen met overgewicht en obesitas significant de plasmaconcentraties van EPA en DHA zonder ongemakken, bijwerkingen of negatieve effecten op stofwisselingsparameters [9].

● Bij muizen op een vetrijk dieet verminderde krilloliesuppletie significant de hepatomegalie (levergrootte) en hepatosteatosis (leververvetting) als gevolg van een dosisafhankelijke reductie van levertriglyceriden en cholesterol. Serumcholesterol en het bloedglucose daalde aanzienlijk terwijl het anti-inflammatoire adiponectine steeg. Krillolie kan van therapeutische waarde zijn voor patiënten met het metabool syndroom en/of een niet-alcoholische leververvetting [10].

● Bij muizen bleek een positieve associatie tussen verhoogde endocannabinoïden-concentraties en het metabool syndroom. Stijging van endocannabinoïden gaat samen met een stijging van arachidonzuur in membraanfosfolipiden. Krilloliesuppletie leidde evenals visoliesuppletie tot een verlaging van levertriglyceriden en een lagere respons van peritoneale macrofagen op een inflammatoire stimulus. Krillolie had bijkomend ook een daling van harttriglyceriden tot gevolg. Deze effecten gingen samen met lagere endocannabinoïden-concentraties in het viscerale vet, de lever en het hart. Dit is geassocieerd met een lagere dichtheid van arachidonzuur in de celmembraanfosfolipiden [11].

Meer weten neem dan contact met me op

CONTRA-INDICATIES Krillolie wordt afgeraden indien er sprake is van een allergie voor schaaldieren. BIJWERKINGEN Er zijn geen bijwerkingen bekend
INTERACTIES Interacties kunnen optreden met bloedverdunnende medicatie
DOSERING Dagelijks 500 tot 1000 mg tijdens of vlak na de maaltijd innemen.

REFERENTIES 1. Scientific Opinion of the Panel on Dietetic Products Nutrition and Allergies on a request from the European
Commission on the safety of ‘Lipid extract from Euphasia superba’ as food ingredient. The EFSA Journal (2009)938, 1-16 2. Logan AC. Neurobehavioral Aspects of Omega-3 Fatty Acids: Possible Mechanisms and Therapeutic Value in
Major Depression. Alternative Medicine Review. 2003;(8)4:410-25 3. Kidd PM. Omega-3 DHA and EPA for Cognition, Behavior, and Mood: Clinical Findings and Structural-
Functional Synergies with Cell Membrane Phospholipids. Alternative Medicine Review. 2007;(12)3:207-227 4. Kidd PM. Integrated Brain Restoration after Ischemic Stroke – Medical Management, Risk Factors, Nutrients, and other Interventions for Managing Inflammation and Enhancing Brain Plasticity. Alternative Medicine Review. 2009;(14)1:14-35 5. Sampalis F, Bunea R, Pelland MF, et al. Evaluation of the Effects of Neptune Krill OilTM on the Management of
Premenstrual Syndrome and Dysmenorrhea. Alternative Medicine Review. 2003;(8)2:173-79 6. Bunea R, El Farrah K, Deutsch L. Evaluation of the Effects of Neptune Krill Oil on the Clinical Course of
Hyperlipidemia. Altern Med Rev. 2004 Dec;9(4):420-8 7. Deutsch L. Evaluation of the effectsof Neptune Krill Oil on Chronic Inflammation and Arthritic symptoms. J of
the American College of Nutrition, 2007;(26)1:39-48 8. Jia-Jin Zhu, Jia-Hui Shi, Wen-Bin Qian, et al.Effects of Krill Oil on serum lipids of hyperlipidemic rats and human
SW480 cells. Lipids in Health and Disease 2008;7:30 9. Maki KC, Reeves MS, Farmer M, et al. Krill oil supplementation increases plasma concentrations of eicosapentaenoic and docosahexaenoic acids in overweight and obese men and women. Nutr Res. 2009
Sep;29(9):609-15 10. Tandy S, Chung RW, Wat E, et al. Dietary krill oil supplementation reduces hepatic steatosis, glycemia, and hypercholesterolemia in high-fat-fed-mice. J Agric Food Chem. 2009 Oct 14;57(19):9339-45 11. Batetta B, Griinari M, Carta G, et al. Endocabinoids may mediate the abilty of (n-3) fatty acids to reduce ectopic fat and inflammatory mediators in obese Zucker rats. J Nutr. 2009 Aug;139(8):1495-501.

Lever

Leverprobematiek

Afbeelding

Leverproblematiek
Informatie interessant en wilt u meer weten? voeg me toe als vriend, dan kunnen we erover discussiëren
https://www.facebook.com/natuurpraktijkaurora
Functies van de lever

1)     De Lever voorziet het organisme van die voedingsstoffen die het nodig heeft om optimaal te kunnen functioneren en qua stofwisseling is het ons centrale orgaan.

2)     De lever bindt de toxinen die het organisme niet meer kan gebruiken en houdt op deze wijze de bloedbaan schoon.

3)     De lever zorgt voor de opslag van de vitaminen en met name de konakion welke een grote rol speelt bij de bloedstolling.

4)     De lever heeft in samenwerking met de pancreas een hormonale functie.

5)     De lever speelt een belangrijke rol bij de vetstofwisseling, de eiwitstofwisseling en de koolhydraatstofwisseling.

6)     De lever deelt die stoffen uit die het organisme nodig heeft.

7)     De lever is een van onze grootste gevoelsorganen doe onze stemming registreert en daarop reageert.

Per uur stroomt er 25 liter bloed door de lever omdat het een zeer arbeidsintensief orgaan is, namelijk 39 graden Celsius.

De levertemperatuur is tevens hoger omdat Jupiter de planeet is die de lever van kosmisch energie voorziet.

De lever werkt 24 uur per dag, overdag ligt de nadruk sterk op de fysiologische functies en s ‘nachts op de psychische functies van de lever (het registreren van gevoelens). Bij dysfunctie van de lever dromen mensen vaak verwarrend en onrustig.

Bij klachten in de tractus digestivus moet er altijd aandacht besteed worden aan de lever omdat hier vaak de grondoorzaak ligt van de ontstane problemen. Met name geldt dit wanneer de anamnese en de iriscopie daartoe aan leiding geven. Bij elke therapie moet je eerst zorgen dat de lever goed functioneert, want daar waar veel afvalstoffen zitten kan in het organisme sneller een ontsteking ontstaan.

Wanneer de lever en pancreas gestimuleerd zijn moet je kijken welke verschijnselen er zijn overgebleven en die moeten dan vervolgens behandeld worden. Over het algemeen geldt dat het organisme bij een optimale leverfunctie veel baat vindt.

Hepatopathie

Een van de meest voorkomende kwalen zijn de hepathopathieen. Dat wil zeggen dat een of meerdere leverfuncties niet goed meer zijn waardoor er zich extra afvalstoffen (toxinen) overal in het lichaam ophopen. Hepathopathie valt klinisch moeilijk vast te stellen omdat de lever een reservecapaciteit bezit van tenminste 60 % en onder alle omstandigheden het bloedbeeld in orde probeert te houden, desnoods ten koste van zichzelf.

Een niet goed werkende lever kan zich uiten door:

  • slapeloosheid met onrustige, verwarrende dromen
  • constipatie of diarree of afwisselend constipatie en diarree.
  • Heel veel of heel weinig eten
  • Extreme moeheid, hoofdpijn en haaruitval
  • Brandende ogen, oogontstekingen en gezichtsvermindering\gewrichtspijnen
  • Eczeem en andere huidaandoeningen
  • Depressiviteit
  • Hypertensie ten gevolge van stuwing in het vena porta gebied
  • Gevoel van opgezette buik.
  • Menstruatieklachten, onder andere een moeilijk doorkomende menstruatie en dergelijke.

Indien een hepatopathie niet behandeld wordt of niet goed behandeld wordt treedt er een verslechtering op die zich kan uiten in echte pathologie zoals:

  • gele sclera
  • donkere urine
  • stopverfontlasting
  • een jeukende huid (hier ook denken aan uremie, diabetes, leukemie en Hodgekin)

Een slecht werkende lever kan behalve met een dieet  en kruiden begeleid worden met warmte van buitenaf zoals:

  • een leverpakking met modder of klei
  • warme doeken
  • warme kruiken
  • moxatherapie en dergelijke.

Mensen met aanleg voor lever- en galproblematiek hebben vaak als kind icterus en/of pfeiffer gehad.

Tevens moeten wij ons realisren dat de lever in onze huidige maatschappij onder een enorme druk staat. Bij zeker de helft van de mensen kan een verminderde lever functie worden aangetroffen door:

  • ons sterk vervuilde milieu
  • de vele toevoegingen en bewerkingen van ons voedsel
  • verkeerde eet- en leefgewoonten
  • het overmatig gebruik van genotstoffen zoals alcohol, tabak, koffie en dergelijke

Therapie; kijk op mijn pagina’s

Slechte darmen: de moeder van alle ziektes

0001fySlechte darmen: de moeder van alle ziektes
Belangrijke aspecten maag-darm problematiek nader bekeken
Voeding en vertering zijn onlosmakelijk verbonden met een goede gezondheid. Niet voor niets wordt gezegd dat we zijn wat we eten. Maar zelfs de meest gezonde voeding is pas doelmatig als die door ons lichaam goed kan worden opgenomen en verteerd. Een structureel slecht verteringsproces in maag en darmen kan leiden tot chronische klachten elders in het lichaam.
In India zegt men dan ook: ‘slechte darmen: de moeder van alle ziektes’.

Vage benaming maag-darmklachten geeft complexicteit aan
Klachten voortkomend uit het maag-darmkanaal zijn vaak moeilijk te omschrijven. Dat vinden we terug in de benaming. We praten over: spastische, lekkende of prikkelbare darmen. Benamingen die op zich weinig duidelijkheid scheppen.

Op de vraag wat een spastische of lekkende darm dan precies is, zal een eensluidend antwoord uitblijven. Het geeft aan dat er onduidelijkheid bestaat over de diversiteit aan oorzaken van de klachten. In deze publicatie zullen we ingaan op enkele belang-rijke aspecten van de maag-darmproblematiek:

  1. Verstoord evenwicht van de micro-organismen
  2. De zuurgraad in ons maag-darmkanaal
  3. Weerstand, anti-lichamen en de rol van ons maag- darmstelsel
  4. Darmen als onafhankelijk zenuwstelsel: ‘the second brain’

0001rxVerstoord evenwicht micro-organismen
We spreken over een microbiële onbalans of dysbiose wanneer het evenwicht van de micro-organismen verstoord is. In deze publicatie betreft het de onbalans in het maag-darmtraject, de mond en de vagina.
In een situatie van microbiële onbalans kunnen bepaalde micro-ben ziektes veroorzaken doordat ze onze ingenomen voedingsstoffen ongunstig beïnvloeden en immuunreacties in het lichaam veroorzaken.
In onze darmen bevinden zich meer dan 500 verschillende soorten microben. Gezamenlijk ontwikkelen deze meer metabolische activiteit dan enig ander orgaan in ons lichaam.

Microben
De belangrijkste microben die bij een verstoord evenwicht ongewenst de overhand kunnen krijgen zijn:

  1. parasieten
  2. gisten en schimmels (vooral cadida albicans)
  3. Virussen
  4. bacteriën

Bacteriën kunnen verder worden onderverdeeld in:

Aërobe bacteriën in het lichaam
Kunnen overheersen bij een overmaat aan antibiotica en bij acute virale of bacteriële infecties waardoor verschil lende goedaardige soorten worden gedood.

Anaërobe bacteriën in het lichaam
De aanwezigheid van deze bacteriën in het lichaam is moeilijk vast te stellen.

Bacteriën in voedsel en water
Zoals Salmonella, Shigella of E.coli die voedselvergiftiging kunnen veroorzaken.

De meest voorkomende bacteriën zijn: Campylobacter jejuni, Clostridium difficile en perfiringens, Bacteroides fragilis, Klebsiel-la, Proteus, Salmonella, Shigella, Cryptosporidiën.

Parasieten
Parasieten verdienen in het kader van de maag-darmproblematiek extra aandacht. Wereldwijd zijn meer dan 1 miljard mensen geïnfecteerd met parasieten. Mensen, dieren, voedsel en transportmiddelen zoals schepen zijn potentiële transporteurs van deze microben. Ziektes waaraan parasieten ten grondslag liggen nemen toe. Die toename heeft verschillende redenen:

* Sterke toename van internationaal reizen
* Immigratie
* Voedsel wordt tegenwoordig over de hele wereld gemaakt en getransporteerd
* Voedselbereiding in restaurants en de sterke toename van het “uit eten gaan”
* Toename wereldbevolking

Typische symptomen van een acute parasietinfectie in het beginstadium kunnen zijn, diarree, obstipatie, buikpijn, krampen, misselijkheid, eetlustverlies en een situatie waarin diaree en obstipatie elkaar afwisselen.

Meest voorkomende parasieten en hun klachten zijn:

Blastocystis, hominis
Vermoeidheid, zenuwaandoeningen, huidproblemen, misse- lijkheid, pijn, allergieën en Spierproblemen
Entamoeba, hystolitica (amoebas)
Vermoeidheid, misselijkheid, allergieën, pijn, gewichtsver lies, slapeloosheid
* Entamoeba coli
Vermoeidheid, allergieën, hoofdpijn, misselijkheid, depressie, concentratie-stoornissen, geïrriteerdheid, gewrichts- en rug klachten, huidproblemen
* Entamoeba hartmannii
Klachten in het zenuwstelsel, luchtwegproblemen, allergieën, pijn, misselijkheid, huidproblemen
* Cyclospora
Vermoeidheid, jeuk, misselijkheid, anemie, hoofdpijn, spierpijn, depressie

Andere vaak voorkomende parasieten zijn:
Giardia lamblia, Cryptosporidia, Microsporidia, Dientamoeba fragilis.

Belangrijke vormen van microbiële onbalans
Veel essentiële functies van een gezonde darmflora zijn door de wetenschap inmiddels vastgelegd.

Een gezonde darmflora is o.a. afhankelijk van:

  • De beschikbaarheid van voldoende voedingsvezels
  • Gezond slijm
  • Een juiste zuurgraad
  • Goede doorbloeding

Gepubliceerd onderzoek geeft aan dat een verstoord evenwicht van de micro-organismen in maag en darmen de oorzaak is van, of bijdraagt aan: vitamine B12 tekort, prikkelbaar darmsyndroom, darmontstekingen, psoriasis, eczeem, acné en bepaalde auto-immuunreacties.

Belangrijke oorzaken van een verstoord microbieel evenwicht zijn:

  • Slechte voeding en nutriënten status
  • Stress
  • Het gebruik van antibiotica en bepaalde medicijnen
  • Verminderde darmperistaltiek
  • Maag-darm infectie
  • Xenobiotica (gifstoffen bv. door milieuvervuiling)
  • Verstoorde hormoonproductie (cortisol, insuline en schildklierhor monen)
  • Insuline resistentie
  • Hypochloorhydrie (weinig maagzuur)

Enkele belangrijke vormen van microbiële onbalans worden hier nader beschreven.
Dysbiose door rotting
Dysbiose door rotting is een veel voorkomende vorm van microbiële onbalans. De belangrijkste oorzaak is het westerse voedingspatroon gekenmerkt door: veel vet, eiwit en vlees, weinig oplosbare vezels. Een dergelijk voedingspatroon veroorzaakt een verhoogde concentratie bacteroides. De stofwisseling verandert hierdoor zodanig dat het ingenomen voedsel in de darmen gaat rotten. De verhoogde concentratie bacteroides leidt tot een hogere activiteit van de enzymen beta-glucuronidase en urease. Deze enzymen kunnen galzuren omzetten naar toxines. Ook gaan ze de ontgifting van oestrogenen tegen, waardoor een verhoogd oestrogeengehalte in het lichaam kan ontstaan. Bovendien kunnen deze enzymen de zuurgraad (pH) in de ontlasting verhogen door een grotere ammonia productie.

Dysbiose door fermentatie
Dysbiose door fermentatie is een vorm van koolhydraat-intolerantie door een onbalans van microben, in het bijzonder van gisten en bacteriën die de koolhydraten in de dunne darm fermenteren. Dit kan leiden tot obstipatie, diarree, buikklachten, winderigheid en algehele malaise. Vooral mensen die zich niet prettig voelen na het eten of drinken van fruit, bier, wijn of bepaalde graanproducten kunnen te maken hebben met deze vorm van microbiële onbalans. Ook een teveel aan Candida albicans valt vaak in deze categorie.

Dysbiose door tekorten
Een dysbiose door tekorten ontstaat wanneer een persoon te weinig goedaardige darmbacteriën heeft zoals Lactobacillus en Bifidobacteria. Dit tekort kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden door antibioticagebruik of te weinig vezels in de voeding. Mensen die deze vorm van microbiële onbalans hebben kunnen voedingsintoleranties krijgen en ook allergieën en infecties.

Dysbiose door overgevoeligheid

Bij een dysbiose door overgevoeligheid reageert het immuunsysteem zeer gevoelig op substanties in voeding en substanties geproduceerd door microben (endotoxinen). Mensen die last hebben van deze vorm van microbiële onbalans zijn multi-allergisch en hun symptomen zijn vaak systemisch; dus niet alleen in de darmen. Er is een grote kans dat mensen met auto-immuunziekten en mensen met een hoog IgA niveau te maken hebben met deze vorm van dysbiose.

De zuurgraad in ons maag-darm-kanaal
Bij een microbiële onbalans ontstaan door fermentatie, rotting en een hoge eiwitconsumptie diverse zure bijproducten. Omdat het lichaam zal proberen het zuur-base evenwicht te behouden raken hierdoor de alkali-reserves (basen) van onder andere de lever en alvleesklier uitgeput.
De zuren kunnen zich vanuit de darm een weg naar boven banen en zure oprispingen veroorzaken, die vaak ten onrechte worden aangezien voor een te grote maagzuurproductie. Deze zuren hebben geen verterend vermogen en werken zo de vertering van ons voedsel door maagzuur en de verteringsenzymen sterk tegen.
De darmen zijn veel gevoeliger voor het effect van de zuren dan de maag. In tegenstelling tot het dikke slijmvlies van de maagwand, dat is ingesteld op sterke zuren (maagzuur) is het dunne slijmvlies van de darmen dat absoluut niet.

Weerstand, antilichamen en ons maag-darmstelsel
In ons lichaam is het maag-darmkanaal het centrum van ons afweersysteem. Het bevat meer dan 80% van de cellen die antilichamen produceren.
De immuniteit die hier wordt opgebouwd is wezenlijk anders dan de opbouw elders in het lichaam.

Het maag-darm afweersysteem bestaat o.a. uit:
* Maagzuur- en verteringsenzymen
De eerste-lijnsdefensie tegen bacteriën en pathogenen.
* Het lymfeweefsel GALT
Het slijmvliesachtige oppervlak van de darmen is maar één cel dik. Daaronder bevindt zich het GALT (Gut Associated Lymphatic Tissue). Dit lymfeweefsel geeft antilichamen af.
* Anti-lichamen

Antilichamen openen de aanval op specifieke binnendringers (antigenen) zoals bacteriën, parasieten en voeding waarop allergisch wordt gereageerd. Tot de antilichamen behoren IgA, IgE, IgG, IgM, B cellen en het belangrijke SIgA.
Deze laatste antilichamen bespreken we nader.
SigA eerste-lijns defensie
SIgA (Secretory Immunoglobuline A) zijn antistoffen die de eerste-lijnsdefensie in de darmen vormen.
Ze worden geproduceerd in speciaal hiervoor aanwezige cellen, Peyer’s plaque genaamd.
Deze cellen geven het SIgA af in de slijmvliesbarrière van darm.
SIgA is een belangrijk onderdeel van het afweersysteem in speeksel en in de slijmvliesmembranen van neus en longen. In gezonde darm-slijmvliezen is SIgA volop aanwezig. Het heeft daar als doel potentiële vijanden als bacteriën, schimmels en parasieten onschadelijk te maken. Dat geldt ook voor grote voedselstukken die ontstekingen kunnen veroorzaken. Door ontstekingsprocessen in de darm te voorkomen blijft de integriteit van de darmwand intact. Sommige mensen worden geboren met een lagere aanmaak van SIgA. Dit is meestal het geval bij mensen met allergieën en bij kinderen van ouders met allergieën. Zulke kinderen zijn meestal gevoeliger voor gluten, tarwe en voedselallergieën. Naast erfelijk bepaalde factoren zijn er ook andere elementen die invloed hebben op de hoeveelheid SIgA in ons lichaam.

We noemen er enkele:
Het hormoonniveau
Onze leeftijd: het SIgA niveau neemt met het ouder worden af
Vitamine A, zink, L-glutamine, probiotica en colostrum hebben de mogelijkheid om de productie van SIgA te verhogen
Stress
Voeding
Microflora van de darmen en de integriteit van de darmwand
Infecties
Borstvoeding

Andere soorten antilichamen zoals IgE, IgG en IgM zijn gespecialiseerd op specifieke indringers. Denk dan bijvoorbeeld aan voeding die allergie oproept of bepaalde soorten griepvirussen.
Een geheel andere manier van werken hebben lysozomen. Deze ondersteunen het afweersysteem in darmen, speeksel en tranen door de pathogenen ‘op te eten’.

Darmen als onafhankelijk zenuwstelsel: “the second brain”
De darmen hebben een complex onafhankelijk zenuwstelsel, ENS -Enteric Nervous System- genoemd. Deze ‘tweede hersenen’ hebben een twee-weg communicatiesysteem met de hersenen. Dit verklaart de dramatische veranderingen die in het maag-darmkanaal plaatsvinden tijdens emotionele stress.
Zenuwprikkels -boodschappen-gaan vice versa van de hersenen naar de maag-darm over een weg die ‘vagus nerve’ wordt genoemd. Via dit ‘boodschappencircuit’ wordt de hersenen een signaal gegeven als er problemen zijn in het maag-darmtraject.
Om te kunnen communiceren gebruikt het ENS dezelfde neurotransmitters als de hersenen. In totaal zijn dit er ongeveer dertig, met serotonine als één van de voornaamste. Serotonine heeft ook een belangrijke rol bij de peristaltiek van de darmen evenals de zuurgraad aldaar.

In samenhang met de neurotransmitters kan ook obstipatie bezien worden. Slechts 25-35% van de mensen reageert bij obstipatie positief op een verandering van de voeding (bv. meer vezels). In de gevallen dat dit niet zo is moeten we de oorzaak dus elders zoeken. Het is dan goed om ons te realiseren dat ook een trage schildklierwerking of een beperkte darmperistaltiek tot obstipatie kunnen leiden.

Het is bekend dat serotonine een belangrijke rol speelt bij de peristaltiek. Beïnvloeding van de peristaltiek via ‘de tweede hersenen’ kan daarom in diverse situaties daarom succesvol zijn. Middelen die een positieve werking hebben op serotonine zijn anti-depressiva in een natuurlijke vorm.

Lekkende darm syndroom
Met het ‘lekkende darm syndroom’ wordt bedoeld: de conditie in de darmen waarbij de opname en het transport van voeding en voedingsstoffen verstoord is. Een belangrijke rol bij het lekkende darmsyndroom hebben de ‘villi’.

De villus is een vingerachtige structuur aan de oppervlakte van de dunne-darmwand (mucosa). Deze structuur vergroot de oppervlakte van de darm enorm en daarmee de opnamecapaciteit. De villus bestaat uit villi, microvilli en crypts.

Functies van de villi
* Villi zijn de werkpaarden van de darmen als het gaat om de opname van voeding in de bloedstroom
* Villi vermeerderen de oppervlakte van de dunne darm voor de absorptie van voeding
* Villi geven enzymen en bicarbonaat af ter vertering van voeding voordat deze kan worden opgenomen in de bloedbaan
* Villi absorberen het verteerde voedsel en transporteren dit naar de bloedstroom om zo verder in het lichaam gedistribueerd te worden
* Villi zijn een barrière waardoor bacteriën, parasieten en toxines worden geblokkeerd

Er zijn miljoenen microscopisch kleine villi in elke sectie van de dunne darm. Deze kunnen beschadigd raken zonder duidelijke symptomen. Villi zijn ontwikkeld om aangebrachte schade te compenseren. Wanneer echter grote secties villi zélf aangetast raken door ontstekingen, infecties of toxines dan heeft dit gevolgen voor de absorptie en het transport van voeding en voedingsstoffen. Dat geldt ook voor de enzym-afgifte en de defensieve mogelijkheden van villi. Zo kan o.a. het “lekkende darm syndroom ontstaan“.

Hoe ontstaat het lekkende darm syndroom
Voor het ontstaan van het lekkende darm syndroom zijn diverse redenen aan te wijzen. We bespreken enkele belangrijke oorzaken:

Voedingsallergie
Een voedingsallergie kan reactie in het darmweefsel veroorzaken die leidt tot verhoogde doorlaatbaarheid (permeabiliteit). Een lekkende darm laat dan de passage toe van abnormaal grote moleculen. Deze worden door het afweersysteem als vijandig (antigen) gezien zodat het deze aanvalt. Dit stimuleert het afweersysteem weer om méér antilichaamcomplexen te vormen wat tot een verslechtering van het darmweefsel leidt, de lekkende darm zal verergeren en zal meer allergische reacties veroorzaken. Als dit proces niet gestopt wordt kunnen de functies van lever, afweersysteem en darmen verslechteren.
Er is in het bijzonder een toename te zien van glutenintolerantie en -gevoeligheid en van de glutengerelateerde auto-immuunziekte Coeliakie.

Bacteriële onbalans
Wanneer een gezonde darmflora uit balans is geraakt door een overschot aan Candida albicans, gisten of parasieten spreken we van een bacteriële onbalans. Deze dysbiose kan leiden tot het lekkende darmsyndroom.

Ontstekingen
De immuunreacties (anti-lichaam respons) in de darmwand die normaal bedoeld zijn als protectie, kunnen ook juist ontstekingen creëren waardoor de lekkende darm verergert.

Malabsorptie voedingsstoffen
Wanneer aan de darmen door welke oorzaak dan ook voedingsstoffen worden onthouden kan binnen enkele dagen hyperpermeabiliteit ontstaan.

Genetische bepaling
Er blijken genetische patronen van hyperpermeabiliteit te bestaan. Zo zien we dat mensen met de ziekte van Crohn vaak al een verhoogde darmpermeabiliteit hebben. Maar ook familieleden van deze patiënten hebben vaak een verhoogde darmpermeabiliteit, ook al hebben ze zélf de ziekte van Crohn niet.

Chronische stress
Chronische stress vermindert de mogelijkheid van het afweersysteem om adequaat te reageren en gaat in het bijzonder het genezingspro-ces in de darmen tegen.
Ook de darmflora wordt door stress negatief beïnvloed.

Medicijngebruik
In het bijzonder antibiotica, farmaceutische hormonen (de pil, prednison e.d.) en N.S.A.I.D.’s (pijnstillers) kunnen een negatieve invloed hebben op de darmen.

Overige oorzaken
Overmatig alcoholgebruik, milieufactoren en slechte voeding. Toxische substanties in ongezonde darmen (zie dysbiose door rotting)

Toxische substanties in ongezonde darmen (zie dysbiose door rotting)
* Ammonia
Een bijproduct van ureum en eiwit decompositie, door bepaalde soorten microben in de darm. Ammonia wordt normaal omgezet naar ureum, als dit niet gebeurt kan het leiden tot neurologische symptomen en betrokkenheid bij foute transformatie van cellen.
* Histamine
Gevormd bij ontbinding van tryptofaan. Kan hoofdpijn, depressie, lage bloeddruk en misselijkheid geven.
* Indolen (Indican)
Gevormd door ontbinding van tryptofaan. Aantal indolen wordt vergroot door hoge vleesconsumptie.
* Mercaptan
Bijproduct van de ontbinding van cysteïne. Kan lage bloeddruk veroorzaken. Leidt tot stinkende winderigheid.
* Phenol
Bijproduct van de ontbinding van tyrosine in de dikke darm.
Kan necrose (weefseldood) van de darmmucosa en levercellen veroorzaken.
* Skatole
Bijproduct van de ontbinding van tryptofaan, gerelateerd aan anemie en malabsorptie syndroom. Skatole werkt acetylcholine en kalium tegen. Teveel skatole kan leiden tot slechte adem en stinkende ontlasting.
* Waterstofsulfiet gas
Bijproduct van eiwitontbinding.
Kan de wand van de darmen irriteren en kan even giftig zijn als cyanide. Het kan zwakheid, snelle polsslag en misselijkheid veroorzaken.
* Tyramine
Bijproduct van de ontbinding van tyrosine. Structureel verwant aan adrenaline. Kan tot hoge bloeddruk en problemen met het zenuwstelsel leiden wanneer het in het bloed circuleert.

Literatuur referenties

  • Optimal digestive health – T.W. Nichols MD, N.Faass MSW, MPH ISBN: 1-59477-036-0
  • The four pillars of healing – L. Galland M.D. ISBN: 0-679-44888-8
  • Darmklachten -drs. S.v.As ISBN: 907767103x/nur 860
  • Digestive Wellness – E. Lipski Ph.D, CCN ISBN 0-07-144196-4
  • w.w.w.euroamericanhealth.com
  • Acidophilus and colon health-D.Webster ISBN 1-57566-460-7
  • Celiac disease, a hidden epidemic – P.H.R. Green MD, R. Jones. ISBN -10:0-06-076693-X

Wilt u kijken hoe het met uw darmflora is? Met de bioresonatie en bloed-onderzoek kan ik dit testen

logokaal-facebook3.jpgAlie Wouda vd Tuin
Vreedepeelweg 4
5986 NW Beringe

Om welke EU-wetgeving gaat het

 

Op websites zoals die van ’t Kruidenvrouwtje staat dat ze vanaf december 2012 van de Europese Unie niet meer op hun website mogen zetten dat bepaalde planten of kruiden goed zijn voor klachten als op dezelfde website een verwijzing staat naar een plaats waar deze planten of kruiden verkocht worden. Dat is onjuist, zo blijkt uit navraag van de GroenLinks-Europarlementariërs bij de Europese Commissie. Omdat we veel vragen krijgen over dit onderwerp, beantwoorden we hieronder de meest gestelde.

Om welke EU-wetgeving gaat het?

In 2006 is de verordening 1924/2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen aangenomen. In deze wetgeving staat dat de gezondheidsclaims op voedingsproducten wetenschappelijk onderbouwd moeten zijn. De Europese autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) voert de wetenschappelijke beoordeling van de gezondheidsclaims uit en baseert zich op resultaten van klinische trials. Vorig jaar werden 222 gezondheidsclaims goedgekeurd, deze claims mogen door elk bedrijf en elk individu gebruikt worden. Om misleiding van consumenten te voorkomen mogen vanaf 14 december 2012 alle niet goedgekeurde gezondheidsclaims niet meer gebruikt worden in de Europese Unie. Het gaat hier dus om levensmiddelen, niet om medicijnen, daarvoor gelden andere regels.

Hoe zit het met de gezondheidsclaims van planten en kruiden?

De gezondheidsclaims van planten en kruiden zijn heel moeilijk aan te tonen met behulp van klinische trials. De wetgeving voor Traditionele Kruidengeneesmiddelen staat daarom ‘traditioneel gebruik’ toe als wetenschappelijke onderbouwing voor de medicinale werking van kruidengeneesmiddelen. De beoordeling op basis van traditioneel gebruik is echter niet mogelijk voor voedingsmiddelen. Daarom heeft de Europese Commissie in het jaar 2010 besloten om de claims voor planten en kruiden in de wacht te zetten. Dat betekent dat EFSA de gezondheidsclaims voor deze producten tijdelijk niet beoordeelt. Totdat er een definitief besluit is genomen door de Europese Commissie, mogen gezondheidsclaims van planten en kruiden nog steeds gebruikt worden.

Lopen websites als ’t Kruidenvrouwtje gevaar een boete op te lopen?

Nee. Websites schrijven over gezondheidsclaims van planten en kruiden overtreden momenteel niet de Europese wetgeving voor gezondheidclaims van levensmiddelen (1924/2006). De claims die ‘on hold’ zijn gezet mogen in afwachting van een definitief besluit nog steeds gebruikt worden om voedingsmiddelen aan te prijzen.

Zal de situatie in de toekomst veranderen?

Ja. In de komende maanden zal de Europese Commissie een definitief besluit nemen wat te doen met de gezondheidsclaims van planten en kruiden in voedingsmiddelen.

  1. De Commissie kan besluiten dat EFSA door moet gaan met de beoordeling van deze gezondheidsclaims (op basis van klinische trials). Dat betekent waarschijnlijk dat veel van de gezondheidsclaims van planten en kruiden afgewezen worden.
  2. De Commissie kan ook besluiten dat planten en kruiden een geval apart zijn en dat ‘traditioneel gebruik’ voldoende bewijs is voor de claims van planten en kruiden. In dat geval zal de Commissie een consultatie met de belanghebbenden starten om de huidige wetgeving (1924/2006) te herzien.

GroenLinks is voorstander van deze laatste optie.

Meer informatie

Bekijk de website van de Europese Commissie over Health & Nutrition Claims, daar staat ook het register met toegestane en afgewezen gezondheidsclaims.