Verdoving gekregen bij de tandarts? Lees dan even verder….

Verdovingen kunnen dusdanig de biochemie in je lichaam verstoren dat ik daar altijd naar kijk als ik iemand behandel tijdens een consult met de bioresonantie  therapie. Maar het kan nog een graadje erger. Wie de volgende symptomen heeft binnen enkele maanden na een verdoving bij de tandarts, reageert waarschijnlijk slecht op de werkzame stof articaine.

img_6231

De Bosscher Stichting want die citeer ik hier, vermoedt dat articaïne verantwoordelijk is voor een reeks van onvermoede bijwerkingen. Indien er zich bij u tot enkele maanden na een (b.v. tandheelkundige) ingreep één van de volgende klachten voordoet is het verstandig de site eens uitvoerig door te nemen.

Vermoeidheid en een algeheel gevoel van malaise (ziektegevoel)
Allergische reacties en voedsel intolerantie
Astmatische bronchitis
Blijvende tintelingen in vingers en tenen
Spieruitval aan armen en/of benen
Borst-, prostaat- of nierkanker
Vage klachten zonder herleidbare afwijkingen
Tremoren of spasmen
De Bosscher Stichting stelt zich ten doel het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek naar klachten op het gebied van de gezondheid welke worden toegeschreven aan het gebruik van lokale verdovingen.

 

In het bijzonder concentreert de Bosscher Stichting zich op het verdovingsmiddel articaïne hydrochloride als werkzame stof aanwezig in onder andere: Ultracaine™
Septanest™ Citocain™ Primacaine™ Septocaine™ Ubistesine™ Alphacaine™.
Citocartin™

Wie meer wil weten en vooral: meld je aan als je negatieve ervaringen hebt met verdoving bij de tandarts via bosscherstichting.org

Dan volgt hieronder een inhoudelijk artikel over de stof articaine.

Articaïne wordt in de tandheelkunde veelvuldig gebruikt voor lokale verdovingen. Het wordt doorgaans als middel van de eerste keus genomen, omdat het zo snel werkt en goede verdovende eigenschappen heeft, althans zo wordt vaak verondersteld. De tandheelkundige beroepsgroep is echter slecht op de hoogte van de bijwerkingen die in de bijsluiter vermeld staan, laat staan dat die aan de patiënt ter inzage wordt gegeven. Bovendien blijken de meeste tandartsen en kaakchirurgen niet op de hoogte te zijn van een mogelijke neurotoxische werking. Zelfs de ‘ganzheitlich’ werkende collega’s Volz en Lechner in Duitsland kennen de problemen met Articaïne niet. Paresthesiën komen bij het gebruik van Articaïne 20 x vaker voor bij een mandibulair blok dan bij het gebruik van Lidocaïne. Wetenschappelijk onderzoek toont de schadelijke werking van Articaïne op zenuwweefsel aan. Onder andere Hillerup heeft in het laboratorium aangetoond dat Articaïne een dosisafhankelijke zenuwbeschadiging geeft, waarbij zowel de diameter als de myeline-schede worden aangetast.

Articaïne
Articaïne is het enige lokaal anestheticum dat zowel een amide- als esterverbinding heeft en bovendien een thiofeenring bevat met een zwavel component. Dat heeft consequenties voor de metabolisering. Leuschner, Leblanc en Rahn hebben wetenschappelijk aangetoond dat Articaïne voor vijf tot tien procent in de lever wordt afgebroken. Dit komt niet overeen met wat vermeldt wordt in het Farmacotherapeutisch Kompas: “ Tmax = 10 –17 min. Plasma-eiwitbinding: 95%. Metabolisering: in de lever, volledig. Eliminatie: vnl. met de urine. T1/2el = ca. 25 min.”

Wat gebeurt er dan met die andere 90 tot 95%?

Articaïne wordt in eerste instantie afgebroken in het plasma door het enzym Pseudo Cholin Esterase (PCE). Ongeveer 4,5% van de bevolking heeft echter een verminderde werking van PCE door erfelijke afwijkingen. PCE wordt in de lever aangemaakt en bij leverfunctiestoornissen zal ook hierdoor eveneens de concentratie PCE verlaagd zijn. Ook cholinesterase-remmers in chemicaliën, insecticiden e.d. geven een verminderde beschikbaarheid van PCE. Hoeveel Articaïne nodig is om een verzadigingsspiegel in het bloed te krijgen is nooit onderzocht. Ook is nooit onderzocht wat het effect is op mensen met een cholinesterase deficiëntie. Mogelijkerwijs werkt Articaïne dan langer door. Bij lokale verzadiging in de mond zou dat ook het geval kunnen zijn.

Literatuuronderzoek
In 1998 heeft Marnix Westein van de Wetenschapswinkel Geneesmiddelen in Utrecht een literatuuronderzoek gedaan naar de ongewenste effecten van Articaïne. Hieruit blijkt:

Articaïne is het enige lokaal anestheticum met een thiofeenring in plaats van een benzeenring. Hoewel er een amide-groep is, vindt de afbraak plaats op de esterverbinding elders in het molecuul. Deze afbraak wordt uitgevoerd door het enzym Pseudo Cholin Esterase. Hierbij ontstaan articaïnezuur en methanol. De afbraak van articaïnezuur op de amide plaats door cytochroom P450 vindt dan niet meer plaats, omdat articaïnezuur of articaïnezuur gekoppeld aan glucuronzuur voldoende in water oplosbaar is om snel het lichaam te kunnen verlaten.

Als mensen met een cholinesterasedeficiëntie toch Articaïne wordt toegediend, is het onduidelijk wat hiervan de gevolgen zouden kunnen zijn.

Ook bestaat de mogelijkheid dat Articaïne in geval van een cholinesterasedeficientie alsnog via een alternatieve route in de lever wordt omgezet. Daarbij zou dan een nieuw nog niet bekend afbraakproduct kunnen ontstaan.

Where is the waste going?

Tom Vree, voormalig anaesthesioloog en organisch analytisch chemicus in het Radboudziekenhuis heeft in het verleden veel onderzoek gedaan voor de toenmalige firma Hoechst. In 1989 heeft hij wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de metabolisering en eliminatie van Articaïne bij vijf patiënten die geopereerd werden en via een spinaalanaesthesie Articaïne toegediend kregen.

Zijn conclusies waren:

De halfwaardetijd was een half uur
2 tot 5% werd onveranderd uitgescheiden
40 tot 70% werd uitgescheiden als articaïnezuur
4 tot 15% werd uitgescheiden als articaïnezuur glucuronide
Het percentage van de totale dosis die werd uitgescheiden varieerde van 50 tot 91%
De verschillen in uitscheiding van de metaboliet articaïnezuur zijn sterk patiëntafhankelijk
De eliminatie van Articaïne was per patiënt sterk verschillend en tussen de 10 en 50% is zoek! Of zoals Dr. Vimy destijds al tijdens een amalgaamdiscussie memoreerde: “Where is the waste going?” Is er misschien zo veel aan de structuur veranderd dat het niet meer terug te vinden is als er niet gericht naar gezocht wordt?

Mogelijke consequenties van de metabolisering
Er zijn twee mogelijkheden:

1. Hydrolyse gevolgd door glucuronidering (in feite de-glucuronidering van het sulfoxide deel van de metaboliet articaïnezuur) kan glucuronides vormen die soms instabiel zijn en uiteen kunnen vallen in electrofiele stoffen. Of dit ook gebeurt bij Articaïne is niet bekend.

2. Bij een cholinesterase deficiëntie bestaat de mogelijkheid dat er een alternatieve route wordt gebruikt voor metabolisering van de thiofeenring. Voor veel moleculen is aangetoond dat oxidatie van een thiofeengroep door cytochroom P450 tot zeer reactieve metabolieten kan leiden. Dit kan door epoxidatie van de dubbele binding, dan wel door sulfoxidatie van het zwavel atoom. Er zijn structurele overeenkomsten met stoffen waarbij dit is aangetoond en Articaïne. Bijvoorbeeld tinilic acid, een diureticum dat van de markt gehaald is vanwege de levertoxiciteit.

Bij beide bio-activeringsroutes is het wel het meest waarschijnlijk dat de giftigheid zal optreden in het orgaan waar de activatie plaats vindt: in de nieren (de-glucuronidering) en/of blaas en de lever, waar de hoogste P450 activiteit is.

Zware metalen
Zwavel bindt zich aan zware metalen, waaronder amalgaam, kwik en kobalt. Bij een nog aanwezige zware metalen belasting vanuit het amalgaam kan articaine zich daar aan binden waardoor het niet afgebroken kan worden. Het maakt daarbij niet uit of je de Articaïne hebt gekregen bij de chirurg, de gynaecoloog of de tandarts of op de EHBO voor hechtingen. Dat zou kunnen verklaren dat mensen met een zware metaal belasting sneller last van bijwerkingen krijgen zoals in de praktijk is gebleken.

Onthutsend
Op de vraag hoe bio-energetische tandartsen een Articaïne patiënt kunnen behandelen kwam een onthutsend antwoord. Er is geen protocollaire aanpak voor behandeling. Genezing vergt individuele aanpak, veel kennis en tijd, heel veel tijd. En dat heeft zelfs de (bio-energetische) tandarts niet. De ingewikkelde invloed van de factoren ‘Erbtoxinen’, zware metalen, Articaïne, PCE deficiëntie, etc. op elkaar maakt het als een nauwelijks te ontwarren kluwen. Verwijzen naar Marthe Bosscher is een haalbaar alternatief. Marthe verwijst daarna vaak door naar door haar opgeleide artsen. Zolang de afbraak van de stof Articaïne in het lichaam niet tot in detail bekend is, is het wenselijk om af te zien van het gebruik ervan. Aan de in 2010 toegevoegde contraindicatie – “Gebruik ultracain niet: als u overgevoelig bent voor bepaalde middelen voor plaatselijke verdovingen (lokale anesthetica van het amide type, zoals lidocaine en prilocaine), tenzij grondig onderzoek heeft uitgewezen dat U niet overgevoelig bent voor articaine” – kan geen enkele tandarts voldoen!

Voor nadere informatie: http://www.bosscherstichting.org

alie wouda

 

 

 

 

 

 

Alie Wouda

  1. Analisten-opleiding
  2. Voetreflex massage, sportmassage, drukpunt massage (acupressuur)
  3. Academie voor Natuurgeneeskunde te Hilversum 1987-1995
  4. Levende-Bloed-Analyse 2002 Den Haag 1 jaar
  5. Kinesiologie 2000-2002  jaar Driebergen
  6. Orthomoleculaire geneeskunde 2000-2004 4 jaar Laarne
  7. Bioresonantie Budapest 2005-2008
  8. Mindfulness
  9. Voeding in de Sport
  10. kPNI klinische-psycho-neuro-immunologie
  11. Medische basisvakken op HBO niveau (iedereen die voor 2010 een diploma heeft gehaald op het gebied van complementaire geneeskunde, moet het opnieuw doen)

 

facebook

 

Bron

Geef een reactie