Vaccin tegen virussen

Lessen uit het verleden

Het ontwikkelen van een vaccin tegen virussen is een proces van lange duur. Voor verschillende virussen heeft men na tientallen jaren zoeken nog steeds geen geschikt vaccin. Dat is ook het geval bij coronavirussen. Sinds de uitbraken van SARS en MERS – de eerste ondertussen bijna twintig jaar geleden – heeft men enorm veel onderzoek gedaan om een vaccin tegen deze coronavirussen te vinden, maar dat is tot nog toe niet gelukt. Een van redenen daarvoor is dat de onderzochte vaccins niet veilig waren en de ziekte waartegen ze moesten beschermen juist erger konden maken. Verschillende onderzoekers en deskundigen op het vlak van vaccinatie en infectieziekten waarschuwen voor het sneltempo waarmee men nu een vaccin tegen COVID-19 wil klaarstomen. Ze wijzen op de lessen uit het verleden, die aantonen dat de veiligheid niet gegarandeerd kan worden op zo’n korte termijn. De hele wereldbevolking blootstellen aan een vaccin waarvan men niet weet wat de mogelijke gevolgen op lange termijn zijn, is onverantwoord.

Langdurig proces

Het ontwikkelen van een vaccin tegen virussen is in het gunstigste geval een proces van jaren. Het eerste vaccin tegen het Ebolavirus werd door de FDA (Food and Drug Administration) pas 43 jaar na de ontdekking van het virus goedgekeurd. Ondanks enorme investeringen en inspanningen is er nog maar weinig vooruitgang geboekt in het vinden van een vaccin tegen het humaan immunodeficiëntie virus (HIV) of het veelvoorkomende luchtwegvirus respiratoir syncytieel virus (RSV). Er is ook nooit een geschikt vaccin gevonden tegen de twee coronavirussen die in 2002 SARS en in 2012 MERS veroorzaakten. Als er wel een geschikt vaccin gevonden wordt tegen een virus, dan duurt het gemiddeld tien jaar voor het goedgekeurd en beschikbaar is. Maar nu verwacht men – of eist men zelfs – dat het vaccin tegen SARS-CoV-2 in een sneltempo klaar zal zijn (Mullard A, 2020). Men spreekt zelfs van ‘operation warp speed’.

Hoewel de meeste experts op het gebied van infecties en vaccins het erover eens zijn dat zelfs 18 maanden een heel agressief schema is voor het klaarstomen van een vaccin, wil men ten laatste in het voorjaar van 2021 honderden miljoenen doses beschikbaar hebben om heel de wereld te voorzien.

In België en Nederland zijn alvast miljoenen doses besteld van het zogenaamde Oxfordvaccin van AstraZeneca, op een moment dat de werking noch de veiligheid ervan aangetoond was. Ook de vaccins van Janssen Pharmaceutica en Pfizer worden door de Belgische overheid gereserveerd. Dat is de stand van zaken op het moment van schrijven (november 2020), mogelijk is dit ondertussen gewijzigd.

De vaccins van AstraZeneca en Janssen Pharmaceutica zijn virale dragervaccins, dat van Pfizer is een mRNA-vaccin (zie verder).

Verschillende kandidaatvaccins

Om immuniteit tegen een bepaald virus op te wekken, wordt het volledige virus of een deel ervan (bepaalde eiwitten) in het lichaam geïnjecteerd. Een volledig virus wordt afgezwakt of geïnactiveerd zodat het minder schadelijk wordt of zich niet meer kan vermenigvuldigen, zodat het in principe geen infectieziekte kan veroorzaken.

De laatste decennia heeft men nieuwe technologieën ontwikkelt voor nieuwe vormen van vaccinatie. Vooral vaccins met een dragervirus en ingekapselde stukjes genetisch materiaal (DNA en RNA) worden beschouwd als een sterke vooruitgang in de zoektocht naar betere vaccins tegen virussen en een manier om in de toekomst veel sneller vaccins klaar te krijgen in noodsituaties.

Er zijn verschillende soorten vaccins in ontwikkeling tegen COVID-19, die elk hun voordelen en nadelen hebben (zie kader). De vaccins waar de meeste hoop op gevestigd is, de mRNA-vaccins en DNA-vaccins, zijn nooit eerder goedgekeurd voor gebruik bij mensen (Mullard A, 2020; Kaur SP, 2020; Jeyanathan M, 2020).

De bedoeling van vaccinatie is dat het immuunsysteem een geheugen ontwikkelt voor het virus of voor bepaalde onderdelen ervan en bij een volgende blootstelling sneller en efficiënter reageert. Dat is heel mooi in theorie, maar in de praktijk draait het vaak anders uit

 

Genetisch gemanipuleerd verkoudheidsvirus

Het Oxfordvaccin van AstraZeneca, dat door België en Nederland werd aangekocht, is een genetisch aangepaste versie van een adenovirus van chimpansees. Het adenovirus is een virus dat bij de mens verkoudheid veroorzaakt. Het is een ideaal dragervirus omdat het alle soorten cellen kan infecteren, zodat het via verschillende wegen een immuunreactie kan opwekken. Het adenovirus is echter een veelvoorkomend virus en de meeste mensen hebben er al immuniteit tegen ontwikkeld. Om ervoor te zorgen dat het een stevige immuunreactie veroorzaakt, gebruikt men een chimpanseevirus, waar mensen (normaal) nog niet mee in aanraking geweest zijn.

Omdat het virus wel cellen moet infecteren, maar geen ziekte mag veroorzaken, wordt het genetisch gewijzigd zodat het zich niet meer kan vermenigvuldigen. Dit afgezwakte virus is door recombinatie samengevoegd met genetisch materiaal van het spike-eiwit van het SARS-CoV-2.

De bedoeling is dat het immuunsysteem een immuunreactie op gang brengt tegen het adenovirus dat in het lichaam geïnjecteerd wordt. Immuuncellen kunnen het virus opnemen en verteren en de erin aanwezige antigenen aan andere immuuncellen presenteren, zodat er meer T-cellen en B-cellen geactiveerd worden. Omdat het virus spike-eiwitten van het SARS-CoV-2 bevat, zullen de geactiveerde T-cellen en B-cellen het virus later herkennen en kunnen er ook antilichamen tegen deze eiwitten aangemaakt worden. Als later het échte virus het lichaam binnenkomt, zal het dus in theorie snel herkend en verwijderd worden.

In China werd in 2017 een adenovirus dragervaccin tegen ebola goedgekeurd, maar alleen voor noodgevallen en om een stock aan te leggen. Er is niet aangetoond dat het vaccin ebola voorkomt, alleen dat het tijdelijk de aanmaak van antilichamen verhoogt (Zhu FC, 2017).

Vreemd genetisch materiaal in de cellen

Het dragervirus kan na injectie in verschillende soorten cellen binnendringen en de cellen infecteren, maar omdat het zich niet kan vermenigvuldigen kan het volgens de gangbare redenering geen ziekte veroorzaken.

De geïnfecteerde cellen moeten wel door het immuunsysteem vernietigd worden. Bij een verstoord immuunsysteem kan dat ofwel niet goed genoeg gebeuren of juist gepaard gaan met een overdreven ontstekingsreactie.

Wanneer de cellen niet efficiënt vernietigd worden, kunnen gemuteerde cellen ontstaan. Het dragervirus deponeert namelijk stukjes genetisch materiaal van het SARS-CoV-2 in de cel. Dit genetisch materiaal kan ingebouwd worden in het genetisch materiaal van de cel. Dat kan aanleiding geven tot genetische mutaties en de ontwikkeling van kankercellen (Kaur SP, 2020).

DNA- en RNA-vaccins

Bij DNA- en RNA-vaccins wordt genetisch materiaal van het SARS-CoV-2 geïnjecteerd, zodat het door de cellen opgenomen kan worden. Bij DNA-vaccins is dat DNA van stukjes eiwitten van het virus. Het DNA moet na injectie doorheen de celmembraan en in de celkern geraken, wat niet zo eenvoudig is. Er is speciale apparatuur voor nodig dat elektrische shocks via de huid toedient op het moment van vaccinatie. Dat maakt het een duur vaccin, dat niet geschikt is voor wereldwijd gebruik.

Bij RNA-vaccins wordt een stukje mRNA van het virus verpakt in een lipide nanopartikel (een capsule van vetzuren) dat na injectie kan versmelten met de celmembraan en gemakkelijk in cellen opgenomen wordt. Men kan nanopartikels aanpassen zodat ze vooral door een bepaald soort cellen worden opgenomen, bijvoorbeeld door immuuncellen.

In de cel geeft de genetische code van het stukje virus instructies voor de aanmaak van virale eiwitten. De cel wordt dus een viruseiwit-aanmakende machine. Het maakt geen volledige virussen aan, maar slechts stukjes virus, die op zich geen enkele functie hebben, maar wel een immuunreactie opwekken.

Bij DNA-vaccins kan het DNA ingebouwd worden in het genetisch materiaal van de cel, waardoor de cel andere genetische eigenschappen krijgt, met als mogelijk gevolg gemuteerde cellen of kankercellen. Bij RNA-vaccins is dat gevaar minder, omdat RNA niet naar de celkern gaat, maar het RNA kan in theorie wel combineren met het genetisch materiaal van andere virussen die een cel binnenkomen of al in de cel zitten. Het RNA kan ook eiwitten van retrovirussen gebruiken om omgezet te worden in DNA en kan op die manier wel in de celkern geraken en ingebouwd worden in het genetisch materiaal van de cel (Liu MA, 2019).

Vorming van nieuwe virussen

Afgezwakte of inactieve virussen kunnen in de gastheer opnieuw geactiveerd worden. Levende afgezwakte virussen, geïnactiveerde virussen en genetisch gewijzigde dragervirussen uit vaccins kunnen door recombinatie met andere virussen (wilde circulerende virussen of virussen uit andere vaccins) nieuwe virussen vormen die mogelijk schadelijker zijn.

Gevaccineerde dieren (en mensen) vormen een reservoir van onnatuurlijke, potentieel schadelijke virussen. Dat kan een nog groter probleem worden als men ook mensen op grote schaal gaat vaccineren met genetisch gewijzigde dragervirussen (Condit RC, 2016).

Lessen uit het verleden

Er is een reden waarom er nog altijd geen vaccin is tegen coronavirussen. In het verleden is er even ijverig gezocht naar een vaccin tegen SARS-CoV en MERS-CoV, maar die vaccins waren niet veilig, omdat ze de ziekte waartegen ze moesten beschermen bij gevaccineerde proefdieren juist konden verergeren. Na infectie met het virus waartegen de proefdieren gevaccineerd waren, reageerde het immuunsysteem met een overdreven ontstekingsreactie, met als gevolg zware longschade en acute ademnood. De vaccins konden dus veroorzaken wat ze moesten voorkomen (Lambert PH, 2020; Su S, 2020).

Dat gebeurde ook al eerder, met het eerste vaccin tegen het respiratoir syncytieel virus in de jaren 1960. In de klinische studie werd het vaccin goed verdragen en wekte het geen overdreven immuunrespons op. Maar later, toen gevaccineerde baby’s op een natuurlijke manier blootgesteld werden aan het virus, moesten zestien van de twintig baby’s in het ziekenhuis opgenomen worden. Twee baby’s stierven. Bij de niet-gevaccineerde baby’s werd slechts één baby in het ziekenhuis opgenomen (Kim HW, 1969). Pas in 2019 werd een vaccin tegen RSV door de FDA goedgekeurd voor nieuwe klinische testen.

De zoektocht naar een vaccin tegen het denguevirus kent hetzelfde verloop. Pas 77 jaar na de eerste testen bij mensen werd een vaccin opnieuw bij mensen getest en pas na bijna honderd jaar werd het eerste vaccin goedgekeurd. Het vaccin mag echter niet toegediend worden aan mensen die nog nooit geïnfecteerd zijn met het denguevirus, omdat zij veel meer kans hebben op een heel ernstige (dodelijke) infectie, in vergelijking met niet-gevaccineerde personen. Dit ongewenste effect kwam pas drie jaar na vaccinatie met de eerste dosis aan het licht. Het vaccin biedt ook alleen maar bescherming tegen ernstige infectie bij mensen die al denguekoorts gehad hebben (Sridhar S, 2018). Dat betekent dus dat natuurlijke infectie beter beschermt tegen een volgende infectie dan het vaccin.

Werking & veiligheid kunnen niet worden gegarandeerd

Volgens verschillende onderzoekers is het geen goed idee om snel een vaccin goed te keuren als men niet kan garanderen dat het bij niemand een verergerd ziektebeeld veroorzaakt. Dit ongewenste effect van vaccinatie treedt pas op wanneer men op een natuurlijke manier in contact komt met het virus, vooral op een moment dat het aantal antilichamen in het bloed al sterk afgenomen is. Het kan dus een hele tijd duren voor dit aan het licht komt.

Het SARS-CoV-2 is sowieso al een virus dat bij mensen met een verstoord immuunsysteem een heel ernstige immuunreactie opwekt. Bij deze risicopatiënten is de kans ook groot dat ze na vaccinatie heftiger reageren op natuurlijke infectie met het virus, maar dat komt niet aan het licht tijdens de korte testperiode (Lambert PH, 2020; Su S, 2020; Khuroo MS, 2020).

Voor een vaccin tegen een virus met een hoge besmettingsgraad en een laag sterftecijfer, zoals het SARS-CoV-2, moet de lat voor veiligheid veel hoger liggen dan voor een vaccin tegen een virus met een lage besmettingsgraad maar een hoog sterftecijfer (zoals het ebolavirus), omdat er ook heel veel gezonde mensen gevaccineerd zullen worden.

Het COVID-19 vaccin moet volgens de WHO beschikbaar zijn voor heel de wereldbevolking. Als het vaccin bij 1% van de gevaccineerden ongewenste (ernstige) bijwerkingen heeft, dan worden daar ongeveer 78 miljoen mensen door getroffen als heel de wereldbevolking gevaccineerd wordt. Dat legt de lat voor de veiligheidsgarantie nog een stuk hoger (Su S, 2020).

Die veiligheid kan op dit moment niet gegarandeerd worden. Er wordt gesproken over baanbrekend onderzoek en goede resultaten, maar dat wordt niet gecontroleerd zoals dat normaal gedaan wordt. Er is nog nooit eerder zo snel getest op mensen, zonder langdurig voorafgaand onderzoek naar de veiligheid. De druk om in een recordtempo een vaccin klaar te hebben, kan heel ernstige gevolgen hebben voor iedereen die gevaccineerd wordt (Khuroo MS, 2020).

Het belang van de neusslijmvliezen

Luchtwegvirussen komen normaal binnen via de neus of de mond, dus het eerste contact met het virus vindt plaats in de neuskeelmondholte. De aanwezigheid van een virus zoals het coronavirus in de neusslijmvliezen bereidt de longen al voor op een eventuele virale infectie. Immuuncellen in de neusslijmvliezen (monocyten, macrofagen) nemen stukjes van het virus (antigenen) op en nemen ze via de lymfevaten mee naar de longen, waar ze de immuuncellen voorbereiden op de mogelijke komst van het virus. Ook natural killer cellen worden op die manier geactiveerd om virussen sneller te kunnen vernietigen. Dit versterkt zowel het aangeboren als het verworven immuunsysteem in de longen. Het beschermt de longen tegen infectie met verschillende luchtwegvirussen zoals coronavirussen en griepvirussen en voorkomt longontsteking (Hua X, 2018).

Wanneer een virus via injectie in het lichaam terechtkomt, wordt dit belangrijk onderdeel van het immuunsysteem overgeslagen.

Groepsimmuniteit

Groepsimmuniteit betekent dat 60 tot 70% van de bevolking besmet geweest is met het virus – met of zonder symptomen – en bij een volgende blootstelling minder kans heeft om ziek te worden. In de immunologie meent men dat een bepaalde mate van groepsimmuniteit nodig is om een infectieziekte onder controle te krijgen.

Dat gebeurt normaal vanzelf. Wanneer een nieuw virus opduikt wordt de bevolking stapsgewijs besmet. In de natuur zijn een paar besmettingsgolven nodig om de zogenaamde groepsimmuniteit te bereiken. Omdat die golven meestal gepaard gaan met ernstige zieken en omdat verzwakte mensen aan de infectie kunnen sterven, wil men het natuurlijke verloop tegenhouden en door middel van vaccinatie een kunstmatige groepsimmuniteit bereiken.

Paradoxaal genoeg kunnen de drastische maatregelen die genomen worden tijdens de eerste golf – om de verspreiding van het virus tegen te houden – een averechts effect hebben tijdens de tweede golf, omdat het grootste deel van de bevolking geen immuniteit heeft ontwikkeld, waardoor de tweede golf van infecties juist veel erger kan worden, zeker in het najaar en de winter wanneer er meerdere luchtwegvirussen actief zijn.

Een tweede golf is een intrinsiek kenmerk van veel virale luchtweginfecties en niet zozeer het gevolg van het versoepelen van de maatregelen (Hussein O, 2020). Bijkomende infectie met andere luchtweginfecties zijn een belangrijke trigger van een tweede of een derde golf van een pandemie (Merler S, 2008).

Toch heeft een groot deel van de wereldbevolking vermoedelijk al immuniteit tegen SARS-CoV-2 door eerdere blootstelling aan andere coronavirussen. Deze immuniteit wordt niet opgewekt door antilichamen, want de antilichamen die aangemaakt worden tegen de coronavirussen 229E, NL63, OC43, en/of HKU1 reageren niet op het SARS-CoV-2. De herkenning gebeurt eerder door het ‘geheugen’ van T-cellen (Dijkstra JM, 2020).

Het meten van antilichamen in het bloed heeft dus weinig zin om groepsimmuniteit te bepalen.

Er is een groot verschil tussen de immuunreactie die opgewekt wordt door een echte besmetting en infectie en de immuunreactie die opgewekt wordt door een vaccin.

T-cellen zijn belangrijker dan antilichamen

Antilichamen nemen na een infectie geleidelijk af of verdwijnen helemaal, maar dat betekent niet dat men geen immuniteit heeft tegen het virus. Bij een goed werkend immuunsysteem ontwikkelen T-cellen en B-cellen tijdens een infectie een geheugen, zodat ze de volgende keer sneller in actie kunnen treden. Als T-cellen zelf in staat zijn om een virus efficiënt te verwijderen of onder controle te houden, dan hoeven B-cellen ook de volgende keer geen antilichamen aan te maken. Als het nodig is, kunnen de B-cellen wel antilichamen aanmaken, en in dat geval veel sneller dan bij een eerste contact.

De immuunrespons tegen de ‘gewone’ coronavirussen die verkoudheid veroorzaken is van korte duur. De tijdens een infectie aangemaakte antilichamen nemen heel snel af en zijn na een jaar bijna volledig ‘verdwenen’. Net als bij andere verkoudheidsvirussen, wordt men regelmatig opnieuw geïnfecteerd door deze coronavirussen.

De antilichamen die aangemaakt worden tegen SARS-CoV en MERS-CoV blijven veel langer verhoogd, op voorwaarde dat men een ernstige infectie doorgemaakt heeft. Bij mensen met een mild ziektebeeld zijn ze na een jaar niet meer detecteerbaar (vergelijkbaar met de gewone verkoudheids-coronavirussen). De T-geheugencellen tegen SARS-CoV en MERS-CoV blijven echter wel heel lang aanwezig (Sariol A, 2020).

Bij mensen met SARS, die geïnfecteerd waren met het eerste SARS-CoV virus, waren zes jaar na het herstel nog specifieke T-geheugencellen tegen het virus aanwezig, terwijl er geen B-geheugencellen of antilichamen tegen het virus meer gevonden werden (Tang F, 2011).

Bij het huidige SARS-CoV-2 virus nemen de antilichamen enkele weken na de infectie al af, vergelijkbaar met de andere verkoudheids-coronavirussen. Mensen met milde of geen symptomen maken veel minder antilichamen aan en de antilichamen nemen bij hen ook veel sneller af (Long QX, 2020).

Wanneer de aangeboren immuniteit in de slijmvliezen goed werkt, hoeven geen antilichamen aangemaakt te worden. Mensen met milde symptomen hebben na een COVID-19 infectie een veel hoger aantal T-geheugencellen in de luchtwegslijmvliezen dan mensen met ernstige symptomen. Deze T-geheugencellen kunnen niet geactiveerd worden door vaccinatie, alleen door een virus dat via de luchtwegen binnenkomt. Besmetting of infectie met andere coronavirussen vormt dus een goede bescherming tegen ‘nieuwe’ coronavirussen (Zhao J, 2016). Bij 40 tot 60% van de mensen die (voor zover men weet) niet besmet geweest zijn met het SARS-CoV-2 virus zijn T-geheugencellen aanwezig die het virus herkennen. Deze T-geheugencellen zijn aangemaakt tijdens besmetting of infectie met andere coronavirussen (Grifoni A, 2020).

Dat wordt ook gezien bij griepinfecties, waar T-geheugencellen die aangemaakt zijn tijdens infectie met een influenzavirus (de seizoensgriep die ieder jaar terugkeert) beschermt tegen plots opduikende nieuwe griepvirussen die een pandemie veroorzaken, zoals H3N2 of H1N1 (Wilkinson TM, 2012). Dat kan niet nagebootst worden door vaccinatie.

De bestaande immuniteit tegen het nieuwe SARS-CoV-2 virus bij een groot deel van de bevolking heeft wel gevolgen voor de klinische studies met de verschillende kandidaatvaccins. Het kan een vertekend beeld geven van de bescherming van vaccinatie (Jeyanathan M, 2020).

Luchtwegvirussen zijn alomtegenwoordig

Luchtwegvirussen zijn alomtegenwoordig en zullen dat altijd blijven. Ze zijn het grootste deel van de tijd aanwezig zonder ziekte te veroorzaken. Ze worden actiever door bepaalde externe omstandigheden (koude, hitte, droge of vochtige lucht, gebrek aan zonlicht, …) en worden schadelijker onder invloed van interne factoren (beschadigde longen, stress, verzwakte weerstand, onderliggende ziektebeelden, gebrek aan voedingsstoffen, …).

Verkoudheidsvirussen en griepvirussen kennen elk jaar infectiepieken, waarbij sommige mensen ernstig ziek worden en overlijden, maar de grote meerderheid niet ziek wordt of slechts milde symptomen heeft. Men probeert het aantal ernstige en dodelijke gevallen van griep elk jaar in te perken door het jaarlijks griepvaccin, maar dat is tot nog toe nog niet gelukt. Men sterft niet aan griep omdat het influenzavirus zo schadelijk is (want dan zou iedereen ernstig ziek worden of overlijden) maar omdat het immuunsysteem verstoord is. Geen enkel vaccin is in staat om een verstoord immuunsysteem te herstellen. Elk vaccin verstoort het immuunsysteem nog meer.

Wanneer het immuunsysteem goed werkt, is vaccinatie niet nodig.
Wanneer het immuunsysteem niet goed werkt, haalt vaccinatie weinig uit en geeft het meer kans op ernstige reacties.

Natuurlijke immuniteit versus vaccinatie

Er wordt vaak de indruk gewekt dat de natuurlijke immuniteit inferieur is aan immuniteit door vaccinatie. Er zijn voldoende aanwijzingen van het tegendeel, bijvoorbeeld bij het griepvirus.

Uit experimenten met dieren blijkt dat het doormaken van een of meer infecties met de seizoensgriep beschermde tegen de pandemische griep influenza A/H1N1 van 2009, maar dat vaccinatie tegen de seizoensgriep geen bescherming bood tegen de pandemische griep, zelfs niet bij een hoog aantal antilichamen (Laurie KL, 2010).

Ook in onderzoek bij mensen werd vastgesteld dat wie niet gevaccineerd was, maar een normale, natuurlijke infectie met de seizoensgriep doormaakte, beschermd was tegen de pandemische griep die erop volgde. Diegenen die gevaccineerd waren tegen de seizoensgriep waren niet beschermd tegen de pandemische griep (Kelly H, 2010).

Vaccinatie tegen influenza A/H3N2 virus verlaagt de weerstand tegen het vogelgriepvirus influenza A/H5N1, terwijl natuurlijke infectie met influenza A/H3N2 beschermt tegen infectie met het vogelgriepvirus (Bodewes R, 2012; Bodewes R, 2009).

Het griepvaccin vermindert de weerstand tegen griep in het volgende griepseizoen. Het vermindert ook de effectiviteit van de volgende vaccinatie. Jaarlijkse vaccinatie tegen griep vermindert de weerstand tegen griep en vermindert de werking van vaccinatie. Natuurlijke infectie met het influenzavirus (dus het krijgen van griep) beschermt wel tegen griep in het volgende seizoen (Saito N, 2017).

Vaccinatiefalen

Niet iedereen die gevaccineerd is maakt (voldoende) antistoffen aan in respons op vaccinatie. Bovendien neemt het aantal antilichamen na vaccinatie snel af of zijn sommige mensen toch niet beschermd ondanks de aanwezigheid van antilichamen. Dat verschijnsel is bekend als vaccinatiefalen (Wiedermann U, 2016).

Factoren die de gezondheid en de immuniteit verstoren, verstoren ook de respons op vaccinatie: roken, alcohol, overgewicht, ondervoeding, een gebrek aan vitamine A, D, zink en andere voedingsstoffen, een verstoorde darmflora, diabetes, immuunveroudering, immuunonderdrukkende medicijnen of chemotherapie (Zimmermann P, 2019; Castrucci MR, 2018).

Het microbioom, dat enorm belangrijk is voor de natuurlijke immuniteit, bepaalt ook het effect van vaccinatie (Jamieson AM, 2015). Een verstoorde darmflora vermindert de effectiviteit van vaccinatie (Huda MN, 2014). Een gezonde darmflora of suppletie met probiotica verbetert de respons op vaccinatie en de duur van de bescherming (Zimmerman P, 2017; Harris V, 2017). Daarbij kan de vraag gesteld worden welke factor het grootste effect heeft op de immuniteit, een gezond microbioom of vaccinatie? Suppletie met probiotica is een mogelijk alternatief voor vaccinatie. Het heeft in ieder geval een veel bredere werking dan vaccinatie en het is veel veiliger.

Alie Wouda                                                                                             

Natuurpraktijk Aurora

Vreedepeelweg 4
5986 NW Beringe

Referenties:

  1. Bodewes R, Fraaij PL, Kreijtz JH, et al. Annual influenza vaccination affects the development of heterosubtypic immunity. Vaccine. 2012 Dec 7;30(51):7407-10.
  2. Bodewes R, Kreijtz JH, Baas C, et al. Vaccination against human influenza A/H3N2 virus prevents the induction of heterosubtypic immunity against lethal infection with avian influenza A/H5N1 virus. PLoS One. 2009;4(5):e5538.
  3. Castrucci MR. Factors affecting immune responses to the influenza vaccine. Hum Vaccin Immunother. 2018 Mar 4;14(3):637-646. doi: 10.1080/21645515.2017.1338547. Epub 2017 Jul 21. PMID: 28617077; PMCID: PMC5861809.
  4. Condit RC, Williamson AL, Sheets R, et al; Brighton Collaboration Viral Vector Vaccines Safety Working Group (V3SWG). Unique safety issues associated with virus-vectored vaccines: Potential for and theoretical consequences of recombination with wild type virus strains. Vaccine. 2016 Dec 12;34(51):6610-6616. doi: 10.1016/j.vaccine.2016.04.060. Epub 2016 Jun 23. PMID: 27346303; PMCID: PMC5204448.
  5. Dijkstra JM, Hashimoto K. Expected immune recognition of COVID-19 virus by memory from earlier infections with common coronaviruses in a large part of the world population. F1000Res. 2020 Apr 23;9:285. doi: 10.12688/f1000research.23458.2. PMID: 32595955; PMCID: PMC7309412.
  6. Grifoni A, Weiskopf D, Ramirez SI, et. Targets of T Cell Responses to SARS-CoV-2 Coronavirus in Humans with COVID-19 Disease and Unexposed Individuals. Cell. 2020 Jun 25;181(7):1489-1501.e15. doi: 10.1016/j.cell.2020.05.015. Epub 2020 May 20. PMID: 32473127; PMCID: PMC7237901.
  7. Harris V, Ali A, Fuentes S, et al. Rotavirus Vaccine Response Correlates with the Infant Gut Microbiota Composition in Pakistan. Gut Microbes. 2017 Sep 11:0.
  8. Hua X, Vijay R, Channappanavar R, Athmer J, Meyerholz DK, Pagedar N, Tilley S, Perlman S. Nasal priming by a murine coronavirus provides protective immunity against lethal heterologous virus pneumonia. JCI Insight. 2018 Jun 7;3(11):e99025. doi: 10.1172/jci.insight.99025. PMID: 29875310; PMCID: PMC6124400.
  9. Huda MN, Lewis Z, Kalanetra KM, et al. Stool microbiota and vaccine responses of infants. Pediatrics. 2014 Aug;134(2):e362-72.
  10. Hussein O. Second wave of Covid-19 is determined by immune mechanism. Med Hypotheses. 2020 Nov;144:110238. doi: 10.1016/j.mehy.2020.110238. Epub 2020 Sep 2. PMCID: PMC7467093.
  11. Jamieson AM. Influence of the microbiome on response to vaccination. Hum Vaccin Immunother. 2015;11(9):2329-31.
  12. Jeyanathan M, Afkhami S, Smaill F, Miller MS, Lichty BD, Xing Z. Immunological considerations for COVID-19 vaccine strategies. Nat Rev Immunol. 2020 Oct;20(10):615-632. doi: 10.1038/s41577-020-00434-6. Epub 2020 Sep 4. PMID: 32887954; PMCID: PMC7472682.
  13. Kaur SP, Gupta V. COVID-19 Vaccine: A comprehensive status report. Virus Res. 2020 Oct 15;288:198114. doi: 10.1016/j.virusres.2020.198114. Epub 2020 Aug 13. PMID: 32800805; PMCID: PMC7423510.
  14. Kelly H, Barry S, Laurie K, et al. Seasonal influenza vaccination and the risk of infection with pandemic influenza: a possible illustration of non-specific temporary immunity following infection. Euro Surveill. 2010 Nov 25;15(47). pii: 19722.
  15. Khuroo MS, Khuroo M, Khuroo MS, Sofi AA, Khuroo NS. COVID-19 Vaccines: A Race Against Time in the Middle of Death and Devastation! J Clin Exp Hepatol. 2020 Jun 10. doi: 10.1016/j.jceh.2020.06.003. Epub ahead of print. PMID: 32837093; PMCID: PMC7286271.
  16. Kim HW, Canchola JG, Brandt CD, Pyles G, Chanock RM, Jensen K, Parrott RH. Respiratory syncytial virus disease in infants despite prior administration of antigenic inactivated vaccine. Am J Epidemiol. 1969 Apr;89(4):422-34. doi: 10.1093/oxfordjournals.aje.a120955. PMID: 4305198.
  17. Lambert PH, Ambrosino DM, Andersen SR, et al. Consensus summary report for CEPI/BC March 12-13, 2020 meeting: Assessment of risk of disease enhancement with COVID-19 vaccines. Vaccine. 2020 Jun 26;38(31):4783-4791. doi: 10.1016/j.vaccine.2020.05.064. Epub 2020 May 25. PMID: 32507409; PMCID: PMC7247514.
  18. Laurie KL, Carolan LA, Middleton D, et al. Multiple infections with seasonal influenza A virus induce cross-protective immunity against A(H1N1) pandemic influenza virus in a ferret model. J Infect Dis. 2010 Oct 1;202(7):1011-20.
  19. Liu MA. A Comparison of Plasmid DNA and mRNA as Vaccine Technologies. Vaccines (Basel). 2019 Apr 24;7(2):37. doi: 10.3390/vaccines7020037. PMID: 31022829; PMCID: PMC6631684.
  20. Long QX, Tang XJ, Shi QL, et al. Clinical and immunological assessment of asymptomatic SARS-CoV-2 infections. Nat Med. 2020 Aug;26(8):1200-1204. doi: 10.1038/s41591-020-0965-6. Epub 2020 Jun 18. PMID: 32555424.
  21. Merler S, Poletti P, Ajelli M, Caprile B, Manfredi P. Coinfection can trigger multiple pandemic waves. J Theor Biol. 2008 Sep 21;254(2):499-507. doi: 10.1016/j.jtbi.2008.06.004. Epub 2008 Jun 17. PMID: 18606170; PMCID: PMC7094108.
  22. Mullard A. COVID-19 vaccine development pipeline gears up. Lancet. 2020 Jun 6;395(10239):1751-1752. doi: 10.1016/S0140-6736(20)31252-6. PMID: 32505245; PMCID: PMC7272155.
  23. Pardi N, Hogan MJ, Porter FW, Weissman D. mRNA vaccines – a new era in vaccinology. Nat Rev Drug Discov. 2018 Apr;17(4):261-279. doi: 10.1038/nrd.2017.243. Epub 2018 Jan 12. PMID: 29326426; PMCID: PMC5906799.
  24. Saito N, Komori K, Suzuki M, et al. Negative impact of prior influenza vaccination on current influenza vaccination among people infected and not infected in prior season: A test-negative case-control study in Japan. Vaccine. 2017 Jan 23;35(4):687-693.
  25. Sariol A, Perlman S. Lessons for COVID-19 Immunity from Other Coronavirus Infections. Immunity. 2020 Aug 18;53(2):248-263. doi: 10.1016/j.immuni.2020.07.005. Epub 2020 Jul 14. PMID: 32717182; PMCID: PMC7359787.
  26. Sridhar S, Luedtke A, Langevin E, et al. Effect of Dengue Serostatus on Dengue Vaccine Safety and Efficacy. N Engl J Med. 2018 Jul 26;379(4):327-340. doi: 10.1056/NEJMoa1800820. Epub 2018 Jun 13. PMID: 29897841.
  27. Su S, Du L, Jiang S. Learning from the past: development of safe and effective COVID-19 vaccines. Nat Rev Microbiol. 2020 Oct 16. doi: 10.1038/s41579-020-00462-y. Epub ahead of print. PMID: 33067570.
  28. Tang F, Quan Y, Xin ZT, et al. Lack of peripheral memory B cell responses in recovered patients with severe acute respiratory syndrome: a six-year follow-up study. J Immunol. 2011 Jun 15;186(12):7264-8. doi: 10.4049/jimmunol.0903490. Epub 2011 May 16. PMID: 21576510.
  29. Wiedermann U, Garner-Spitzer E, Wagner A. Primary vaccine failure to routine vaccines: Why and what to do? Hum Vaccin Immunother. 2016;12(1):239-43.
  30. Wilkinson TM, Li CK, Chui CS, et al. Preexisting influenza-specific CD4+ T cells correlate with disease protection against influenza challenge in humans. Nat Med. 2012 Jan 29;18(2):274-80. doi: 10.1038/nm.2612. PMID: 22286307.
  31. Zhao J, Zhao J, Mangalam AK, et al. Airway Memory CD4(+) T Cells Mediate Protective Immunity against Emerging Respiratory Coronaviruses. Immunity. 2016 Jun 21;44(6):1379-91. doi: 10.1016/j.immuni.2016.05.006. Epub 2016 Jun 7. PMID: 27287409; PMCID: PMC4917442.
  32. Zhu FC, Wurie AH, Hou LH,. Safety and immunogenicity of a recombinant adenovirus type-5 vector-based Ebola vaccine in healthy adults in Sierra Leone: a single-centre, randomised, double-blind, placebo-controlled, phase 2 trial. Lancet. 2017 Feb 11;389(10069):621-628. doi: 10.1016/S0140-6736(16)32617-4. Epub 2016 Dec 23. PMID: 28017399.
  33. Zimmermann P, Curtis N. Factors That Influence the Immune Response to Vaccination. Clin Microbiol Rev. 2019 Mar 13;32(2):e00084-18. doi: 10.1128/CMR.00084-18. PMID: 30867162; PMCID: PMC6431125.
  34. Zimmermann P, Curtis N. The influence of probiotics on vaccine responses – A systematic review. Vaccine. 2017 Sep 15. pii: S0264-410X(17)31167-2.

Bron: placebonocebo

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s