Ds. Tiemen Meijer uit Werkendam kreeg in 2013 dezelfde boodschap als Lanting. Een inwoner van zijn dorp stopte bij hem de publicaties over Martin Lanting in de brievenbus. De predikant reisde af naar Hüls en ook hij genas.
In Hüls werken de artsen met supplementen zoals injecties met vitaminen, kurkumapreparaten, selenium en enzymen. “Wetenschappelijk is bewezen dat ze de weerstand verhogen,” lichtte de chef-arts toe. Ze vindt het vreemd dat deze middelen niet op grote schaal worden toegepast.
Op zijn website stelt het Wereld Kanker Onderzoek Fonds (WKOF): “Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat het risico op kanker met een derde verminderd kan worden door gezonde voeding en leefstijl.” Het WKOF is een vijfjarige samenwerking aangegaan met de universiteit van Wageningen en werkt nauw samen met professor Ellen Kampman.
Patiënten doorstaan de vaak loodzware behandelingen beter als hun immuunsysteem optimaal functioneert, aldus freelancejournalist Jan van Klinken. Vitaminen en gezonde voeding zijn goed voor ons afweersysteem. De Tilburgse oncoloog Dorry Boll deed onderzoek naar 30.000 vrouwen met baarmoederkanker. Ze concludeerde dat je de overleving gunstig kunt beïnvloeden door je voeding en leefstijl aan te passen.
Van Klinken heeft veel bewondering voor de ziekenhuisgeneeskunde en de mensen die in deze sector met grote toewijding bezig zijn. Hij vindt het alleen jammer dat er lang niet altijd oog is voor de eigen beperkingen en voor de inzichten buiten eigen muren.
Nu ik vakantie heb, neem ik even de tijd om uit te leggen wat nu eigenlijk orthomoleculaire geneeskunde is en waar het vandaag komt.
Het begrip orthomoleculaire geneeswijze is afgeleid van het Griekse woord ‘orthos‘, waarmee wordt verwezen naar ‘optimaal’, ‘juist’ of ‘gezond’; moleculair wil zeggen: ‘de moleculen betreffende’. Onder de orthomoleculaire voedingsleer wordt dan ook verstaan de studie over de werking van de voedingsstoffen in het lichaam ten behoeve van een optimale gezondheid.
Een optimale gezondheid vraagt om voldoende vitaminen, mineralen en andere nutriënten in de juiste verhouding. Daarbij houdt de orthomoleculaire voedingsleer terdege rekening met de veranderende leefomstandigheden van de hedendaagse mens, de verslechterende voedingsgewoonten en de verminderde kwaliteit van de aangeboden voeding door milieuvervuiling en diverse bewerkingsprocessen.
De orthomoleculaire geneeswijze is een geneesmethode, waarbij men beoogt het lichaam te voorzien van de juiste concentraties biologische stoffen: vitaminen, mineralen, vitaalstoffen, sporenelementen en enzymen. Deze worden in doorgaans hoge doseringen toegediend. Vandaar dat weleens wordt gesproken van megavitaminen therapie. Dit betekent overigens niet dat een overmaat aan vitaminen en mineralen goed is voor het lichaam, maar dat er voldoende hoge concentraties van alle voedingsstoffen in de juiste verhouding aan het lichaam worden aangeboden.
Geschiedenis van de orthomoleculaire geneeskunde
De naam ‘orthomoleculaire geneeswijze’ is in de late zestiger jaren geïntroduceerd door de Amerikaan Linus Pauling. Hij was chemicus en tweevoudig Nobelprijswinnaar. Hoewel de orthomoleculaire geneeskunde pas enige gestalte kreeg nadat Linus Pauling het had beschreven in een baanbrekend artikel in het tijdschrift “Science”, ligt de oorsprong van deze tak van de geneeskunde al in de twintiger jaren van de vorige eeuw, toen vitaminen en mineralen voor het eerst werden gebruikt om deficiëntieziekten te bestrijden. In de vijftiger jaren van de vorige eeuw behandelden orthomoleculaire pioniers Abram Hoffer en Humphrey Osmond hun schizofrene patiënten met hoge doseringen niacine (vitamine B3), en ontdekten dat niacine, gecombineerd met andere medische behandelingen, het succespercentage in één jaar tijd kon verdubbelen.
In de loop der jaren werd ontdekt dat een slecht voedingspatroon, vaak gepaard gaande met consumptie van veel geraffineerde voedingsmiddelen en suiker (“lege calorieën”), kon leiden tot lichamelijke en psychiatrische aandoeningen. Het werd duidelijk dat voeding een integraal deel uitmaakt van de gezondheid. De laatste jaren neemt de wetenschappelijke onderbouwing van orthomoleculaire therapieën steeds meer toe en is er ook uit de reguliere hoek steeds vaker serieuze belangstelling voor orthomoleculaire therapieën (b.v. hoge doseringen vitamine E bij hart- en vaatziekten).
Vitaminetekort
Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee verschillende vormen van een vitaminetekort: Avitaminose: het volkomen vitaminegebrek, zoals deze voorkomt bij scheurbuik en Engelse ziekte. Door aanvulling van de betreffende vitaminen kan de ziekte worden genezen. Hypovitaminose: een vitaminetekort in het lichaam ondanks een voldoende toevoer ervan via de voeding. De betreffende vitaminen kunnen niet goed worden opgenomen. Door extra grote hoeveelheden van die vitaminen toe te dienen, hoopt men dat er in elk geval een deel wordt opgenomen.
Naast de slechte opname uit de voeding, stelt men tegenwoordig vast dat de hoeveelheden vitaminen en mineralen in de voeding veelal te laag zijn (TNO onderzoek, 1995). De aanbevolen dagelijkse hoeveelheden (de ADH of RDA = recommended dietary allowance), die de reguliere voedingsleer aanhoudt, zijn vaak veel lager dan de hoeveelheden geadviseerd door de voorstanders van de orthomoleculaire voedingsleer. Zo is de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor vitamine C 60 mg per dag terwijl de orthomoleculaire aanbeveling minstens 1000 mg is. De orthomoleculaire voedingsleer onderbouwt haar stellingen over de hoeveelheden voornamelijk met de biochemie, die de grote geheimen van de celstofwisseling heeft ontrafeld.
Voedingsstoffen
In de wetenschap worden voedingsstoffen onderverdeeld in zes categorieën:
eiwit
koolhydraten
vet
vitaminen
mineralen
water
Vergeleken met de hoeveelheden eiwit, vet en koolhydraten die de mens binnen krijgt, is de hoeveelheid vitaminen en mineralen heel gering, maar een tekort van één vitamine of mineraal kan de gezondheid al aantasten.
Vitaminen en mineralen vormen onder meer een belangrijk onderdeel van enzymsystemen. De enzymsystemen reguleren de spijsvertering en zijn mede verantwoordelijk voor de chemische reacties binnen de lichaamscellen. Het zijn dus activerende stoffen.
Enzymen bestaan meestal uit lichaamseiwit – dat gewoonlijk in het lichaam aanwezig is – en een zogenaamd co-enzym – meestal een vitamine of een mineraal dat via de voeding wordt verkregen. Bij een gebrek aan co-enzymen kunnen bepaalde chemische reacties in de cel niet verlopen, waardoor stofwisselingsziekten zoals ouderdomsdiabetes, reuma of kanker, maar ook hart- en vaatziekten kunnen ontstaan.
Bovendien treedt er een snellere veroudering van de cellen op, omdat door het gebrek aan co-enzymen defecte celstructuren niet kunnen worden vervangen.
Gezondheidsbevordering in de natuurgeneeswijze betekent dan ook het ondersteunen en reguleren van de stofwisselingsprocessen van het lichaam.
Vitaminen, mineralen en sporenelementen zijn dus essentieel om het leven in stand te houden. Ze zijn noodzakelijk voor het normaal functioneren van het lichaam. Niet alle vitaminen kunnen door het lichaam zelf worden aangemaakt, vitamine C is hiervan een bekend voorbeeld. Wel kunnen de meeste vitaminen en mineralen goed door het lichaam worden opgenomen. Voor een voldoende opname van vitaminen en mineralen is men afhankelijk van de dagelijkse voeding. Dit benadrukt des te meer het belang van supplementeren. Niet alleen bij zieke mensen, maar ook bij gezonde mensen.
Vitaminen
Vitaminen werken met elkaar samen en komen vaak samen in voedingsmiddelen voor. Veelal wordt gesproken over vitaminecomplexen, omdat er in de loop der tijd meerdere op elkaar gelijkende stoffen zijn gevonden. Zo is er bijvoorbeeld een groep van 14 stoffen bekend, die allemaal op retinol oftewel vitamine A lijken en elkaar in hun werking ondersteunen. Vitamine C werkt samen met de bioflavonoïden en de B-vitaminen worden eveneens dikwijls gezamenlijk aangeboden. Toch volstaat men met de naam vitamine A of vitamine C.
Als hoeveelheid gebruikt men bij de vitaminen doorgaans gewichtseenheden zoals microgram (µg), milligram (mg) en gram (g). Voor de in vet oplosbare vitaminen gebruikt men ook wel ‘internationale eenheden’ (IE of IU voor international units). De internationale eenheden zijn op grond van de biologische werkzaamheid van de vitaminen vastgesteld.
Vitaminen worden in de regel via de voeding opgenomen. Sommige kunnen ook door bacteriën in de dikke darm worden aangemaakt, zoals vitamine K en een aantal B-vitaminen.
Vitaminen zijn veilig en niet of nauwelijks toxisch. Alleen sommige in vet oplosbare vitaminen kunnen zich ophopen (cumulatie) in het lichaam, de hypervitaminose, waardoor ze stoornissen kunnen veroorzaken.
Na het staken van de toediening zullen deze symptomen weer verdwijnen. Het gevaar van een tekort is groter, dan de dreiging van een ‘overdosis’.
Er bestaan ook zogenaamde provitaminen. Dit zijn de nog onwerkzame voorstadia van de werkzame vitaminen. Door een chemische of fysische inwerking worden deze provitaminen tot werkzame vitaminen omgezet.
Een tweetal voorbeelden: bètacaroteen is een provitamine A. In de lever wordt het enzymatisch omgezet in vitamine A.
Ergosterol is een provitamine D2. De omzetting vindt in de huid plaats onder invloed van UV-licht tot vitamine D2.
Mineralen
Mineralen zijn enkelvoudige chemische elementen, die net als de vitaminen een belangrijke rol in de stofwisseling (metabolisme) spelen. De functies van de diverse mineralen in het lichaam lopen uiteen: ze zijn betrokken bij de samenstelling van het lichaamsvocht, de voortgeleiding van zenuwimpulsen, de spiercontracties en bij vele chemische reacties als onderdeel van de enzymen. Verder dienen een aantal mineralen als bouwstoffen voor het bottenstelsel.
Het lichaam bestaat voor zo’n 5% uit mineralen. Ze komen voor in oplossing als ion of zijn gebonden als een zout. Zeer kleine hoeveelheden mineralen, die in het lichaam voorkomen noemt men de sporenelementen. Sporenelementen, die teveel in ons lichaam voorkomen, kunnen schadelijk zijn (aluminium, arseen, nikkel en zware metalen als cadmium, lood en kwik).
Mineralen, die in relatief grote hoeveelheden in het lichaam voorkomen zijn: calcium, magnesium, fosfor, natrium en kalium. De elementen jood, chloor, fluor en broom gaan werkzame verbindingen met mineralen aan.
Minerale zouten komen in de natuur veelvuldig voor, zoals bijvoorbeeld calciumcarbonaat. Dit is echter een zogenaamde anorganische verbinding, die moeilijker in het maag-darmkanaal wordt opgenomen dan een organische verbinding, zoals calciumorotaat. Maar calcium kan ook aan eiwit worden gebonden voor een goede resorptie. In voedingssupplementen komen mineralen in diverse vormen voor. Voor een ‘leek’ is het des te moeilijker het goedkope calciumcarbonaat, dat minder goed wordt opgenomen, te onderscheiden van het kostbare calciumorotaat (aanwezig in o.a. Osteonyl).
In het lichaam komen de mineralen in een bepaalde verhouding voor. Er bestaat een evenwicht. Een tekort van de één kan tot een tekort van de ander leiden. Calcium bijvoorbeeld verlaagt de concentratie magnesium en zink; zink verlaagt ijzer, etc. De onderlinge wisselwerking is bij mineralen kritischer dan bij de vitaminen.
Aminozuren
Aminozuren zijn belangrijke bouwstoffen van eiwitten, maar kunnen ook afzonderlijk als zelfstandige eenheden functioneren. Er zijn 22 aminozuren bekend. Acht daarvan kunnen niet door het lichaam worden aangemaakt en zijn dus essentieel. Aminozuren zijn belangrijk voor de opname van mineralen. In de natuur zijn mineralen vaak gekoppeld aan aminozuren, ook wel een chelaat genoemd. Gecheleerde mineralen worden goed opgenomen door de darmen en komen daardoor veel in voedingssupplementen voor (bijvoorbeeld Multi Vital-Forte).
Aminozuren hebben tal van functies in het lichaam. Eén van de belangrijkste functies van een aminozuur is die van neurotransmitter: deel van een stof, die nodig is bij de chemische prikkeloverdracht in het zenuwstelsel. Zo is tryptofaan (L-Tryptofaan) belangrijk bij depressies, slaapstoornissen en migraine. Andere aminozuren zijn weer betrokken bij de ontgifting van het lichaam, zoals glutathion, dat tegen de vrije radicalen optreedt. Het aminozuur carnitine (L-Carnitine) transporteert essentiële vetzuren door de celmembraan, zodat de vetzuren in de cel kunnen worden verbrand. Het wordt vooral in de spieren en het hart teruggevonden.
Juist omdat er in het lichaam ook tekorten aan de aminozuren kunnen ontstaan, zijn deze ook in diverse voedingssupplementen verwerkt. De kwaliteit van de voedingssupplementen is afhankelijk van de zuiverheid van de aminozuren.
Ter voorkoming van aminozuren competitie en voor een optimaal effect, dienen deze op een lege maag te worden ingenomen met vruchtensap of water (géén melk!). Dat wil zeggen een half uur vóór de maaltijd of twee uur na de maaltijd.
Vrije radicalen
In het lichaam vinden verbrandingsprocessen plaats, waarbij zuurstof essentieel is. In en buiten de cel vinden met behulp van zuurstof oxidatieprocessen plaats, ondermeer voor de energievoorziening. Bij deze verbrandingsprocessen worden onvermijdelijk vrije radicalen gevormd. Dit zijn zeer kleine chemische deeltjes, die mogelijke schade in het lichaam kunnen aanrichten; van irritatie van de vaatwanden tot ernstige degeneratieve ziekten.
Het oxidatieproces is gelijk aan het verouderingsproces van het lichaam (degeneratie). Er ontstaat immers een kettingreactie van vrije radicalen. Deze vrije radicalen ontstaan echter niet alleen tijdens de energiestofwisseling, maar ook bij immunologische reacties, ontgiftingsreacties en andere organische processen. Het zuurstofradicaal is één van de vele soorten vrije radicalen.
Van de normale zuurstof die wij opnemen is 2-3% radicaal, sommige deskundigen zeggen zelfs 5%. Bij metalen veroorzaakt zuurstof het roesten (oxideren). Door indicatie van stoffen, die de vrije radicalen bestrijden, de zogenaamde antioxidanten, gaat men het verouderingsproces tegen, zodat de gezondheid en de levensverwachting kunnen worden verbeterd. Antioxidanten zoals de vitaminen C en E worden zowel preventief als ter behandeling (curatief) ingezet. Antioxidanten zijn in vele preparaten vertegenwoordigd (o.a. Multi Vital-Forte, Vitamine E 500, Vitamine C-1000, Osteonyl). Daarnaast zijn er specialistische preparaten verkrijgbaar, die uitsluitend hoog gedoseerde antioxidanten bevatten (Santioxan).
Bonusan orthomoleculaire specialité’s
Inmiddels omvat het Bonusan assortiment een breed scala orthomoleculaire specialités: het merendeel daarvan is met name bedoeld om voorgeschreven, dan wel geadviseerd te worden door de orthomoleculaire arts of therapeut. De preparaten vereisen een deskundig advies, hetgeen wij zoveel mogelijk met dit vademecum willen ondersteunen. Daarbij dient echter in acht te worden genomen dat de aangeboden informatie onmogelijk geheel compleet kan zijn.
De orthomoleculaire specialités van Bonusan kenmerken zich onder meer door:
hoogwaardige (natuurlijke) ingrediënten met een hoge biologische beschikbaarheid;
samenstellingen met een hoge synergistische of complementerende werking;
waar nodig, hoog gedoseerde bestanddelen;
met als voornaamste eigenschap een hoge mate van werkzaamheid.
Hypo-allergeen
Bij de samenstelling van de orthomoleculaire specialités is maximaal rekening gehouden met mogelijke allergene reacties van bepaalde bestanddelen. Om deze reden bevatten vrijwel alle producten geen: maïs, soja, gist, gluten, lactose, saccharose, gelatine, dierlijke substanties, conserveermiddelen, synthetische kleur-, geur- en smaakstoffen.
ADH
In tegenstelling tot de opvattingen van de reguliere voedingsleer, schrijft de orthomoleculaire geneeswijze veelal hoge doseringen voor ter verkrijging van een therapeutisch effect. Om enig inzicht te krijgen op de kwantitatieve samenstelling, wordt voor een aantal stoffen de zogenaamde ADH (= de dagelijks aanbevolen hoeveelheid) gehanteerd. U vindt deze op het etiket vermeld van elk product waar vitaminen in verwerkt zitten. Het vermelden van de ADH’s op het etiket of de verpakking is overigens wettelijk verplicht.
Weergave hoeveelheden
In vergelijking met het voorgaande vademecum is gekozen voor een uniforme notatiemethode voor de ingrediënten. We kiezen daarbij voor het weergeven van de daadwerkelijke hoeveelheden vitaminen en elementair mineraal. Als op het etiket van een formule bijvoorbeeld staat: “Vitamine B6 (als pyridoxine HCl) 25 mg” dan bevat de formule eigenlijk 30,5 mg pyridoxine HCl. We declareren echter maar 25 mg, omdat vitamine B6 maar 82% van pyridoxine HCl uitmaakt, de resterende 18% is de HCl. Eenzelfde soort verhaal gaat op voor vitamine B1, vitamine C, vitamine E en alle mineralen. Bij het vergelijken met etiketinformatie uit vorige vademecums kan het er daardoor soms (onterecht) op lijken dat de samenstelling is aangepast.
Synergisme
Bij de absorptie en de stofwisseling van voedingsstoffen werken vaak veel andere (voedings)-stoffen synergistisch. In een aantal orthomoleculaire specialités zijn een aantal belangrijkste cofactoren (voorzover niet aanwezig in Multi Vital-Forte) toegevoegd. Niettemin is de beste manier om in die cofactoren te voorzien een goed, breed multipreparaat bovenop een goede basisvoeding. Om daarom een optimale werking van de orthomoleculaire specialités te waarborgen, wordt geadviseerd dagelijks naast een goede basisvoeding een basissuppletie van Multi Vital-Forte en vitamine C voor te schrijven.
Interacties
Orthomoleculaire specialités kunnen, net als alle andere natuurlijke geneesmiddelen, interacteren met reguliere geneesmiddelen, maar ook met fytotherapeutica of bijvoorbeeld gemmotherapeutica. In dergelijke gevallen is het raadzaam te overleggen met een apotheker.
Zwangerschap en lactatieperiode
Tijdens zwangerschap en/of lactatieperiode is het raadzaam voorzichtig te zijn met het gebruik van natuurlijke specialité’s. Niettemin is het gebruik van bepaalde nutriënten tijdens de zwangerschapsvoorbereiding, zwangerschapsperiode en/of lactatieperiode juist erg aan te raden (zie indicatielijst). Bij die orthomoleculaire specialités waarvoor het gebruik tijdens de zwangerschap of lactatieperiode gecontraïndiceerd is, is dat ook aangegeven.
Gebruiksaanwijzing palmitoylethanolamide (PEA): wat het is en hoe te gebruiken
Een natuurlijke en lichaamseigen pijnstiller, die in Nederland al door vele duizenden patiienten als supplement gebruikt is, is palmitoylethanolamide (PEA). Het supplement is in Nederland verkrijgbaar als capsules met 400 mg In Italie kennen ze het als als tabletten. Een middel met hoge effectiviteit en bijzonder goede veiligheid. PEA is totaal door meer dan een milioen patienten in Europa gebruikt. Voor patienten die hun arts een kort overzicht willen geven over deze pijnstillende stof, dat is onder deze link te vinden. Het werkingsmechanisme van PEA is al in 1993 ontrafeld door de Nobelprijs winnares professor Rita Levi-Montalcini. Een gehele website die aan palmitoylethanolamide is gewijd, vindt u onder de link.
Disclaimer: door de nieuwe wetgeving zijn we niet in staat merknamen van palmitoylethanolamide te noemen, U zal die informatie over merken niet op onze site aantreffen.
Palmitotylethanolamide capsules en andere PEA bevattende producten
In Italie wordt palmitoylethanolamide geproduceerd o.a. als dieetmiddel, verkrijgbaar bij de apotheek, en in Nederland is PEA te verkrijgen als supplement. Dit supplement wordt volgens de hoogste kwaliteitseisen van GMP geproduceerd in Nederland. Het Italiaanse preparaat wordt sinds 2012 in Nederland niet meer verkocht. Het Nederlandse preparaat palmitoyethanolamide (PEA) is geheel puur en bevat in tegenstelling tot het Italiaanse preparaat niet de zoetstof sorbitol, noch extra farmaceutische hulpstoffen zoals magnesiumstearaat. We denken dat dit een duidelijke verbetering is. Inmiddels is dat ook op basis van wetenschappelijke informatie aannemelijk, volgens Kriek (2014).[1]
In de tabel hiernaast een vergelijking tussen het percentage PEA per product. De twee hoogste blauwe grafiek staven geven het PEA gehalte aan van twee in Nederland geproduceerde PEA houdende middelen, het ene is het supplement dat in Nederland verkrijgbaar is, het andere is de dieetvoeding voor medisch gebruik die geregistreerd is in Italie voor neurogene ontstekingen. Beide producten komen van dezelfde producent en worden in Nederland geproduceerd. De andere grafiek staven geven het gehalte aan van in Italie geproduceerde PEA producten die daar geregistreerd zijn voor neurologische indicaties. Tenslotte een Amerikaans supplement dat heel weinig PEA bevat, en veel plantaardige extracte.
Wij zijn vanaf 2010 enthousiast geworden over PEA en de klinische effecten. Inmiddels hebben we van vele patienten gehoord, dat ze menen beter te reageren op het nieuwe, zuivere PEA dan op de oude formuleringen die PEA bevatten en daarnaast andere farmaceutische hulpstoffen.
Aan het eind van dit stuk vermelden we een patienten verhaal van iemand met 9 jaar chronische pijn, die achtereenvolgens behandeld werd met enkele Italiaanse producten en tenslotte met het in Nederland geproduceerde supplement PEA 400 mg capsules. Natuurlijk zijn dit soort individuele ervaringen geen knalhard bewijs. Ons instituut inventariseert momenteel ervaringen van patienten. Boeiend is dat we horen dat er veel hondjes met een speciaal pijnsyndroom zijn (de Cavalier spaniels) die ook beter reageren op de Nederlandse capsules 400 mg dan op de magnesiumstearaat bevattende Italiaanse PEA tabletten.
Hoe PEA te bestellen?
Omdat we heel vaak gebeld worden, of gemaild hoe PEA in Nederland te bestellen is, vermelden we dat meteen hier. Pea als als capsules van 400 mg simpel is te bestellen via de site van de producent, door te googelen met de woorden palmitoylethanolamide capsules. De Italiaanse preparaten zijn sinds 2012 niet meer te verkrijgen in Nederland, omdat deze hier niet opgenomen waren als dieetvoeding voor medisch gebruik.
PEA (palmitoylethanolamide): onze patienten ervaringen en publicaties
Op Youtube hebben we een groot aantal van onze patienten geïnterviewd over hun ervaringen met PEA, zodat iedereen het direct uit de eerste hand kan horen, uit de mond van de patienten zelf. Die filmpjes zijn ook allen op deze site te vinden onder de rubriek: ervaringen.
Omdat we veel opgebeld worden, hier meteen de essentie waar mensen vaak naar vragen: PEA is in Nederland beschikbaar als supplement. Er zijn echter inmiddels vele palmitoylethanolamide preparaten op de markt, neem altijd een preparaat met een certificaat van analyse, om zeker van de puurheid te zijn.
Omdat we vinden dat PEA een doorbraak in de pijngeneeskunde is, proberen we artsen via onze internationale artikelen en via deze filmpjes op de hoogte te stellen van dit bijzondere supplement dat vrijwel geen bijwerkingen kent. Inmiddels heeft ons instituut vele internationale artikelen gepubliceerd over PEA, waaronder ook de resultaten van een grote dubbelblinde studie (Lijst met artikelen over PEA van het INP onder aan dit stuk)
PEA: natuurlijk middel en veel wetenschap
Palmitoylethanolamide is een natuurlijke, lichaamseigen pijnstiller en ontstekingsremmer, waarvan de werking ontdekt is in 1993 door de beroemde professor Rita Levi-Montalcini, een Nobelprijs winnares, die in 2012op 103-jarige leeftijd overleed.
PEA is sinds 1970 bij vele duizenden patienten getest op werking en bijwerking. De pijnstilling is bij velen indrukwekkend en het middel heeft geen problematische, noch ernstige bijwerkingen. Het is ook goed samen met andere geneesmiddelen en pijnstillers te gebruiken. We zullen hier dan ook achtergronden bespreken en een gebruiksaanwijzing geven.
PEA: informatie voor uw arts
Het pure PEA is een supplement en dus zonder recept verkrijgbaar. Het is zeer verdraagbaar in tegenstelling tot de meeste pijnstillers. Wel heeft het enige tijd nodig, omdat het de pijn via een biologische weg aanpakt.
Volg deze link en download het meest recente (2012) en volledige overzicht over de klinische waarde van PEA.
Voor een beschrijving van hoe onze patienten het doen op palmitoylethanolamide is er ook een recent overzicht uit eind 2012:
Keppel Hesselink JM, Hekker TA, Therapeutic utility of palmitoylethanolamide in the treatment of neuropathic pain associated with various pathological conditions: a case series. Journal of Pain Research 2012 Volume 2012:5 Pages 437 – 442
Beide artikelen zijn makkelijk te downloaden en kunt u aan uw behandelend arts geven, zodat zij op de hoogte zijn.
Vernieuwing in de behandeling van chronische pijn en ontstekingen
Chronische pijn en chronische ontstekingsn behandelen is nog steeds een probleem. Veel patienten vinden geen baat bij de bekende pijnstillers en de bijwerkingen beperken het gebruik.
Er is daarom ook een grote zoektocht in de geneeskunde naar hoe neuropathische pijn (of zenuwpijn) en chronische pijn te behandelen is, zonder de lastige bijwerkingen van pijnstillers zoals gabapentine, pregabaline en amitriptyline. Zonder sufheid dus, zonder dat zombie-gevoel waar veel van onze patienten over klagen.
Sinds 2008 een doorbraak op dit gebied, want PEA is als nieuw middel beschikbaar gekomen. Het is een voedingssupplement en tegelijkertijd een bijzonder pijnstillende en een lichaamseigen stof. Een met goede pijnstillende werking bij verschillende ernstige pijnsyndromen, van hernia pijn tot en met de venijnige voetpijn bij diabetes. Deze stof draagt de moeilijke wetenschappelijke naam “palmitoylethanolamide”, afgekort PEA.
Sinds 2012 is beschikbaar gekomen het in Nederland geproduceerde product PEA, dat ook PEA bevat, maar zonder de farmaceutische hulpstoffen die in de Italiaanse producten zitten, en zonder zoetstoffen; het is dus puur palmitoylethanolamide. Deze stof activeert in zijn zuivere vorm het eigen natuurlijke afweersysteem tegen pijn, en dat is uitzonderlijk. Een kort verhaal over een uitzonderlijke stof.
Hoogste tijd voor doorbraak met nieuwe pijnstiller!
Het was inmiddels wel de hoogste tijd dat er een nieuwe pijnstiller op de markt kwam, zeker sinds door de reumatoloog Vonkeman van het Medisch Spectrum Twente in zijn proefschrift aangetoond werd dat jaarlijks 5.100 mensen door de traditionele pijnstillers een ernstige maagbloeding krijgen en meer dan 500 daarvan overlijdt.
Met paljitoytlethanolamide hebben we eindelijk een pijnstiller van een nieuwe generatie in de hand, en vooralsnog zijn bijwerkingen uiterst mild, en kunnen ook bejaarden dit middel zonder problemen nemen. Zonder angst voor bijwerkingen of geneesmiddeleninteracties te hebben.
PEA kunnen dus zonder problemen ingenomen worden naast andere middelen die de arts heeft voorgeschreven.
PEA: door Nobelprijswinnaar aangegeven
De werking van de lichaamseigen stof palmitoylethanolamide werd in 1993 ontrafeld door de Italiaanse hoogleraar professor Rita Levi-Montalcini (Turijn, Italie, 1909-2012), een Nobelprijswinnares. Zij gaf aan dat PEA een bijzondere betekenis kon hebben bij de behandeling van patienten met pijnen en ontstekingen, en op basis van haar werk is dat verder uitgewerkt.
Op 30 december 2012 stierf Montalcini als 103-jarige. Zij ontdekte de eigenschappen van het pure PEA op basis van proeven uit haar laboratorium, ze was haar tijd duidelijk vooruit! Dat ze zo oud geworden is schrijven sommigen zelfs toe aan haar uitvinding.
Inmiddels zijn er vele honderden studies gedaan naar de werkzaamheid van deze stof door allerlei biologen, fysiologen en artsen. Op onze website is ook voor artsen veel wetenschappelijke informatie over palmitoylethanolamide te vinden.
In Italie heeft een organisatie, Lifegroup SpA, de aanwijzingen van Professor Levi-Montalcini opgevolgd, en ze hebben die stof, palmitoylethanolamide (PEA), wetenschappelijk verder onderzocht. De naam toen was LG 2110/1, en later werd het in een nieuwe formulering t in Italie en Spanje geintroduceerd en vervolgens in Nederland en de rest van de wereld.
Sindsdien kan PEA aan patiënten makkelijk voorgeschreven en gegeven worden aan patienten met ernstige pijnen, pijnen waar geen andere stoffen tegen opgewassen zijn.
Steeds meer patienten op PEA
Inmiddels zijn er meer dan een miljoen patiënten met erge pijnen met PEA behandeld, en heel vaak met zeer behoorlijke tot indrukwekkende resultaten., van fibromyalgie tot diabetische pijnen.
Zo blijkt dat PEA pijnstillend kan werken bij ernstige rug- en herniapijn, gordelroospijn, pijn bij afklemming van zenuwen, zoals bij het het carpale tunnelsyndroom, chronische kaakpijn en pijn bij diabetes, om maar een paar lastig te behandelen pijnen te noemen.
De stof laat zich ook zonder problemen innemen naast andere pijnstillers, als dat nodig is, omdat er zover bekend geen negatieve effecten op de werking van andere middelen gevonden zijn. [2][3][4][5][6][7][8][9][10][11][12][13][14][15][16]
Hieronder dit artikel, een interview met een voorbeeld van een patient, die ook dokter is, en directeur was van een groot ziekenhuis, en die vertelt over zijn ernstige herniapijn die niet reageerde op normale pijnstillers, maar welke na de behandeling met palmitoylethanolamide geheel verdween!
Ouderen en patienten met pijn maken minder PEA
Inmiddels (2013) is ook bekend geworden dat bij oudere mensen en mensen met chronische pijnen het lichaam minder PEA maakt. Zo hebben onderzoekers bijvoorbeeld gevonden dat bij fibromyalgie patienten de productie van PEA stagneert. [17]Dat is een extra reden om bij chronische pijnen PEA te geven, om zo het lichaam te ondersteunen.
PEA: wat het is
PEA geeft geen problematische bijwerkingen, omdat het een lichaamseigen stof is, en het kan het samen met andere geneesmiddelen zonder problemen ingenomen worden; interacties zijn niet bekend.
Omdat PEA een lichaamseigen stof is, die in principe dus (vrijwel) geen bijwerkingen heeft, en het ook zo goed werkzaam is, laten patiënten die wij in ons instituut zien ons weten, dat ze het veel prettiger vinden om in te nemen dan bijvoorbeeld amitriptyline en Lyrica en dat soort farmaceutische middelen, die je vaak suf maken. Symptomen die optreden tijdens PEA gebruik kunnen samenhangen met of het middel zelf, of met de ziekte. Dat beoordelen is een rol van de behandelende arts. In het algemeen zijn er geen klinisch relevante bijwerkingen gemeld.
PEA: veiligheid, werkzaamheid en eigenschappen
Deze pijnstiller heeft een aantal belangrijke en interessante eigenschappen en aspecten:
Ingezet bij meer dan een miljoen patienten in Europa en vele duizenden in Nederland.
Getest in studies bij duizenden patienten met pijnen en ontstekingen, waaruit de pijnstillende en ontstekingsremmende werking blijkt.
Onderzocht bij griep en verkoudheid, waar het door de anti-ontstekingswerking de ernst van de griep vermindert.
Onderzocht in honderden studies door biologen en farmacologen: nooit eerder werd een supplement zo uitvoerig bestudeerd.
Werkzaamheid en veiligheid onderzocht bij o.a. herniapijnen, diabetische neuropathische pijnen, chronische kaakpijnen, carpaal tunnelsyndroom, trigeminusneuralgie. gordelroospijn en eczemen.
Makkelijk te gebruiken, als poeder onder de tong voor de beginbehandeling en als capsules (of tabletten) daarna.
Zonder problemen in te nemen naast andere geneesmiddelen en pijnstillers.
Goede pijnstilling, soms zelfs beter dan bekende pijnstillers zoals ibuprofen en Lyrica.
Gemelde bijwerkingen zijn minimaal, gebruik uiterst patientvriendelijk.
Ook effectief en patientvriendelijk bij oude en zelfs heel oude patienten.
En tenslotte: PEA is een lichaamseigen stof, we produceren deze stof zelf in onze cellen waar het werkt als natuurlijke pijnstiller en ontstekingsremmer.
Ons lichaam maakt zelf palmitoylethanolamide
Het boeiende van het hele PEA-verhaal is, dat ons lichaam deze pijnstillende stof dus zelf maakt, in de cellen van ons lichaam. Zowel in de zenuwcellen als in de bindweefselcellen vindt er doorlopend een opbouw van vetten plaats in palmitoylethanolamide (PEA).
PEA speelt namelijk een belangrijke biologische rol bij veel verschillende levensprocessen, waaronder ontstekingen en bij pijnen. We produceren bij een ontsteking en bij pijn dus onze eigen pijnstiller en ons eigen anti-ontstekingsmiddel. Maar bij ernstige pijnen en ontstekingen is dat dus duidelijk niet voldoende.
Dan is het zinvol om via de voeding extra van deze stof PEA tot ons te nemen, zodat de pijnstillende en ontstekingsremmende reservoirs in ons lichaam aangevuld kunnen worden.
Gebruiksaanwijzing Pea: advies dosering en gebruik
Neem de eerste maand ten minste 1200 mg PEA per dag, bijvoorbeeld s’ochtends 2 capsules 400 mg pure PEA and s’avonds 1 capsule. Tijdens of na de maaltijd innemen.
Meestal start de pijnstilling binnen enkele dagen tot weken. Als na 3-4 weken de pijn niet duidelijk afgenomen is, verhoog de dosering. Bijvoorbeeld naar drie maal daags 2 capsules.
Bij hele ernstige pijnen, zoals pijn na een beroerte of bij Sudeck adviseren we meteen om de dosis te verhogen, naar 2 maal 2 capsules of drie maal 2 capsules gedurende ten minste een maand. Begin op dag een wel gewoon met drie maal daags 1 capsule (instappen heet dat).
Dosering: stap voor stap
Begin de eerste maand met 1200 mg PEA per dag (3 capsules). Bij onvoldoende resultaat hoog de dosis op naar 3 maal 2 capsules per dag. Gebruik het middel dan nog een maand, als de pijn duidelijk minder wordt, verlaag de dosering dan na 2 maanden tot het niveau waarbij de pijnstilling bemerkbaar blijft. Sommige mensen kunnen goed uit de voeten met 2 maal 2 capsules per dag, anderen bijvoorbeeld met 2 of 3 maal 1 capsule per dag.
Als de pijn na 2-3 maanden nog niet gereageerd heeft, dan is het beter te stoppen met PEA, dan bent u een zogenaamde non-responder.
Waar kan men PEA bestellen?
Die vraag horen we nu frequent, en het antwoord is niet bij ons. Wij verkopen geen enkel middel. PEA is is simpel in Nederland te bestellen via de organisatie die de PEA capsules maakt.
Pea: vrij van sorbitol en magnesium stearaat en andere chemische stoffen
In een Italiaans PEA middel zit sorbitol, en sorbitol kan aanleiding zijn tot een aantal bijwerkingen, zoals diarree, opgezwollen buik, borrelingen en buikpijnen. Dat komt omdat een aantal mensen dit suiker niet goed kunnen verteren, en we citeren:Malabsorption of carbohydrates such as …sorbitol can often be detected among patients suffering from so-called non specific abdominal complaints. So far successful treatment consists of dietary interventions only. [18]
Magnesium stearaat is een niet natuurlijke stof die aan tabletten toegevoegd wordt, om ze makkelijker te kunnen produceren. We citeren:
Magnesium stearate may make it easier for machines to eject tablets, but it can also make it harder for bodies to absorb nutrients. “Bioavailability” refers to your body’s ability to absorb and utilize nutrients. According to research conducted at Rutgers University, too high an amount of magnesium stearate may decrease the bioavailability of the substance that the tablet is meant to deliver.
In het Nederlandse PEA preparaat zit noch sorbitol noch magnesium stearaat, noch andere biologisch zinloze stoffen, en dat zou dus wel eens belangrijke voordelen kunnen zijn. Er zijn zelfs bronnen die zelfs waarschuwen tegen magnesium stearaat, omdat het ook medische nadelen zou hebben. Hoewel we niet kunnen uitsluiten dat ook daar weer economische motieven meespelen, is het goed te weten dat het nieuwe middel Nederlandse middel geheel vrij is van magnesium stearaat, sorbitol en andere farmaceutische stoffen.
PEA: individueel behandelen
Algemeen: Ervaring leert, dat de werking van PEA bij iedere patiëntverschillend is. Sommige patiënten hebben al baat bij de inname van minder dan 1200 mg/dag. Andere patiënten hebben een hogere dosering nodig, bijvoorbeeld in totaal 1800 mg per dag.
Ook het resultaat van het gebruik van PEA is bij elke patiënt verschillend. De ene patiënt heeft al een vermindering van de pijn binnen één week nadat is begonnen met de inname van PEA, terwijl de andere patiënt deze vermindering van de pijn pas na een maand ervaart. Aangeraden wordt om altijd de huisarts te raadplegen voordat wordt overgegaan tot het gebruik van PEA.
Informeer uw huisarts eveneens over het resultaat van het gebruik van PEA, zodat met het doorgeven van deze kennis ook lotgenoten geholpen kunnen worden.
PEA is zoals gezegd een lichaamseigen stof, en tot nu toe zijn er in de literatuur geen bijwerkingen van betekenis gevonden. Ook zijn er geen negatieve effecten op andere geneesmiddelen te verwachten, noch beschreven. Bij een groot aantal bejaarde patienten is de stof onderzocht en ook bij die patienten zijn er vooralsnog geen problemen in het gebruik gemeld. Onze oudste patient is 90 en reageerde goed op de behandeling zonder bijwerkingen. Een patient nam zelfs veel meer dan voorgeschreven, op eigen initiatief een dagdosis van 4800 mg, zonder bijwerkingen.
Een patienten verhaal
Sinds 2003 heftige zenuwpijnen
Mijn klachten dateren al van 2003. Ik kreeg toen opeens een helse pijn in mijn rechteronderbeen en voet. Ik ben toen uitgebreid onderzocht door een neuroloog. Deze constateerde een zenuwontsteking maar de oorzaak werd niet gevonden.
Na 3 maanden werd de pijn enigszins draagbaar maar mijn voet brandde de hele dag en een lichte aanraking van de huid van mijn voet en onderbeen was pijnlijk evenals een licht briesje en warmte. Vooral slapen was een groot probleem. Ik kon de lakens niet op mijn voet hebben en de warmte van het dekbed was ook lastig. Ik kon eigenlijk maar beperkt functioneren, want ik kon niet lang staan, niet tillen en niet lang zitten.
MRI’s gaven geen duidelijkheid
Jarenlang heb ik allerlei onderzoeken gehad bij neurologen en orthopedisch chirurgen. Verschillende MRI’s tot zelfs een staande MRI in Aberdeen. De oorzaak van mijn kwaal bleef onvindbaar.
Ook ben ik behandeld door fysiotherapeuten, osteopaten, manueel therapeuten, chiropractoren
en probeerde ik acupunctuur. Niets hielp.
Pijnstillers hielpen niet
Ik kreeg allerlei medicijnen, die niet werkten. De pijnstiller Naproxen hielp wel een beetje, maar heeft veel bijwerkingen.
Enige verlichting kreeg ik door een wekelijkse triggerpointtherapie in 2005. Nog steeds blijft deze behandeling belangrijk.
De pijn is in de loop van de tijd iets minder geworden maar was zonder pijnstillers nog steeds
niet te doen.
Het Italiaanse preparaat werkte onvoldoende
Vorig jaar ben ik bij het instituut voor neuropathische pijn in Soest terechtgekomen.
Ik ben begonnen met het Italiaanse preparaat en Amitriptyline-zalf. Dat werkte niet voldoende.
Daarna kreeg ik het Nederlandse preparaat.
Het is niet zo dat de kwaal verdwenen is.
Ik moet me nog steeds aan een aantal leefregels houden, maar de pijn is echt minder en ik heb geen pijnstillers meer nodig.
Ook patienten met ernstige pijnnsyndromen kunnen baat hebben bij PEA. [19][20]
Op deze website vindt u vele artikelen over PEA, alsmede de wetenschappelijke basis ervan. Artsen kunnen als ze meer willen weten altijd contact met ons opnemen.
Neuropathie als stofwisselingsstoornis
Het lichaam maakt namelijk te weinig PEA aan bij pijn en ontsteking, en doordat de stof PEA niet voldoende aangemaakt wordt, spreken we van een metabole of stofwisselingsstoornis op het gebied van de synthese van deze lichaamseigen pijnstillende stof. Het gaat hier dus om een stofwisselingsstoornis, ook wel stoornis van het metabolisme genoemd (uit het Grieks: μεταβολισμÏŒς “metabolismos” = verandering of omzetting), omdat de productie van PEA bij de chronische pijnen optimaler kan.
Omdat die productie niet door de cel verder opgevoerd kan worden, is het toevoegen van exogeen (van buiten af) PEA een duidelijke voorbeeld van substitutie-therapie.
December 2010, Instituut voor neuropathische pijn, Jan M. Keppel Hesselink en David J Kopsky, artsen, Revisie april 2011, JMKH, revisie november 2011, JMKH, juni 2012, JMKH, november 2012, revisie febr. 2014, JMKH
Voorbeeld van een arts die ernstige hernia pijn had, een arts zelf, en hoe hij reageerde op PEA:
en voorbeeld van een patiente die alleen nog maar met rolstoel of stok vooruit kon:
Publicaties over PEA vanuit het Instituut voor Neuropathische Pijn
11. Keppel Hesselink JM. Anti-inflammatory compounds, such as ketamine and palmitoylethanolamide as antidepressants. Journal of Neuroinflammation 2013, 10:43 doi:10.1186/1742-2094-10-43
12. Keppel Hesselink JM. Clinical neuro-restaurative effects of palmitoylethanolamide due to Inhibition of inhibition of NF-kappaB? Journal of Neuroinflammation 2013, 10:92 doi:10.1186/1742-2094-10-92
Als we onze verre bladdragende verwanten nader beschouwen, dan blijkt dat planten een vergelijkbare manier hebben bedacht om embryonale groei te regelen. Üli Großniklaus (Universiteit van Zürich, Zwitserland) ontdekte een stilgelegd gen bij verschillende soorten Arabidopsis en heeft het genoemd naar de Griekse mythologische figuur Medea. In de tragedie van Euripides doodde Medea haar kinderen na bedrogen te zijn door haar geliefde Jason, terwijl ze hem eerder had geholpen om het Gulden Vlies (de huid van de geofferde gouden ram) te bemachtigen. Het Medea gen in Üli’s Arabidopsis planten codeert voor een repressor-eiwit dat een ander gen, betrokken bij de embryonale groei, buiten werking stelt. Üli vernoemde dit uitgeschakelde gen naar Pheres, een van de vermoorde kinderen van Medea en Jason.
Het Medea gen wordt geïnactiveerd als het wordt geërfd via de mannelijke plant. De actieve Medea kopie van moeder dient om het Pheres gen stil te houden in het embryo dat zich uit het bevruchte zaad ontwikkelt. Zonder het actieve Medea gen loopt de zaadontwikkeling fout, waardoor kleine dikke embryo’s ontstaan (die doen denken aan de muizenembryo’s waarbij het uitschakelen van het Igf2 gen niet werkt). Deze planten-embryo’s met een inactief Medea gen sterven als de zaden voor de winterslaap uitdrogen. Maar als deze vette mutanten worden gered door ze in vitro op te kweken, dan komen er normale, gezonde volwassen planten uit voort. De groeibeperkende effecten van het ‘mythische gen’ blijken dus alleen tijdens de embryonale ontwikkeling van belang. Ondanks overeenkomsten tussen dieren en planten in dit opzicht, weten we niet of DNAmethylering Medea tot zwijgen brengt.
Wellicht het meest verbazingwekkend aan de IGF2genen van onze ouders is dat ze identieke DNA-reeksen hebben, en dat desondanks een van de twee is uitgeschakeld. Bij nadere inspectie blijken er subtiele verschillen te bestaan tussen stille en actieve genen, anders dan verschillen in de DNA-reeksen. Ze verschillen in de manier waarop het nabijgelegen DNA is gemethyleerd. Dit beïnvloedt welke eiwitten zich kunnen binden aan het DNA en zo de gen-activiteit kunnen regelen. HetIGF2 gen van moeder is niet gemethyleerd en wordt uitgeschakeld door een repressor-eiwit dat zich bindt aan DNA. Dichtbij het IGF2 gen van vader vindt daarentegen welmethylering plaats, hetgeen voorkomt dat de repressor zich bindt aan het gen, dat dan niet wordt uitgeschakeld. Methyl is een vrij simpel molecuul dat betrokken is bij vele biologische processen. Adrian Bird (Universiteit van Edinburgh, Schotland) en andere wetenschappers erkennen het belang van deze kleine verzameling atomen bij het inactiveren van DNA. Echter, het uitschakelen van genen is geen eenvoudig proces. Er zijn verschillende manieren om aan de knoppen van ons DNA te draaien. Uitvoerig onderling overleg vindt plaats tussen de drie hoofdrolspelers die betrokken zijn bij inactivering: DNA methylering, de nucleosomen en RNA (zie Wat Neil ervan vindt). Hiermee komt een dialoog tot stand tussen de omgeving en onze genetische ‘bedrading’. De mate van overerfbaarheid van epigenetische eigenschappen is nog niet helder, maar we krijgen wel een duidelijker beeld van hoe een en ander in zijn werk gaat. In het geval van DNA methylering bijvoorbeeld, kunnen deze markeringen het gevolg zijn van wat je moeder heeft gegeten toen ze zwanger was. In experimenten met agouti-muizen is gebleken dat het eten van methylering-bevorderende voedingssupplementen tijdens de zwangerschap effect kan hebben op de volumeknop van de genen van hun nakomelingen.
Het bewijs dat voedingsstoffen directe invloed hebben op het DNA is vrij nieuw. Hoewel we nog niet weten in welke mate de omgeving een sturende factor is bij de inactivering van genen, is steeds meer aangetoond dat het rommelen met DNA methylering tijdens de ontwikkeling een reeks van gezondheidsproblemen kan veroorzaken, variërend van kanker tot schizofrenie. De aanwijzing dat jouw dieet invloed heeft op de genen van je kinderen en kleinkinderen is zonder twijfel een van de meest ingrijpende conclusies die je kunt ontlenen aan epigenetisch onderzoek.
3: Fluoride in het water verlaagt het risico op gaatjes
De theorie achter het toevoegen van fluoride aan drinkwatervoorziening ziet er in eerste instantie goed uit – om het aantal gaatjes in kindertanden te helpen verlagen. De gevaarlijke bijwerkingen van fluoride voor de gezondheid wegen echter niet op tegen eventuele voordelen voor de tanden, als het al daadwerkelijk doet wat het belooft.
Vandaag de dag geven zelfs de voorstanders van fluoridering toe dat de fluoride eigenlijk alleen plaatselijk werkt, het werkt vanaf de buitenkant van de tand, niet vanuit je lichaam, dus waarom zou je het slikken?
Statistieken vertellen ons dat water wat is gefluorideerd oneffectief is in de strijd tegen cariës. Er is praktisch geen verschil in tandbederf bij gefluorideerd water en ongefluorideerd water en helemaal geen verschil in de staten die een hoog of laag percentage van hun water hebben gefluorideerd.
In de tussentijd kan fluoride enorme schade aanrichten; van fluorose (tandaandoening door een te hoge dosis fluoride) tot schildklierproblemen tot een verlaagd IQ en nog veel meer .
Ik ben betrokken bij the Fluoride Action Network (FAN) om te helpen om een einde te maken aan water wat wordt vergiftigd met fluoride in Canada en de Verenigde Staten.
Voor meer informatie over de gevaren van fluoride en informatie over hoe je kunt worden betrokken in deze campagne kun je dit artikel lezen wat onder andere een goed interview (video) met Dr Paul Connet bevat. Hij richte de FAN en hij is de grootste expert op dit gebied.
Note van de vertaler: In Nederland is het water niet gefluorideerd. Vrijwel alle tandpasta bevat echter wel fluoride. Leer kinderen zo vroeg mogelijk om tandpasta uit te spugen en gebruik niet teveel. In de gezondheidswinkel is tandpasta zonder fluoride te koop.
Bron http://www.earth-matters.nl
Probiotica is door de World Health Organization gedefinieerd als “levende kleine organismen die een positieve uitwerking hebben op de gezondheid van de mens wanneer deze in grote hoeveelheden worden ingenomen”. Probiotica zijn dus zogenaamde “goede bacteriën” en de bacteriën die worden gebruikt in probiotica zijn meestal gelijk aan de bacteriën die normaal gehuisvest zijn in de darmen. Deze goede bacteriën doen wat extra’s voor het lichaam en dragen bij aan een goede darmflora. De term darmflora wordt gebruikt om de miljarden bacteriën aan te duiden die in de darmen leven. Een goede darmflora is onder andere belangrijk voor de spijsvertering welke wordt ondersteund door alle bacteriën die in de darmen zitten. Een evenwichtige darmflora is eveneens belangrijk voor een goed werkend immuunsysteem en goede stoelgang.
Prébiotica
Prébiotica (inuline en fructo-oligosacchariden (FOS)) zijn onverteerbare voedingsvezels en zorgen er onder andere voor dat lactobacillen en bifidobacteriën (de goede bacteriën) beter kunnen groeien. Bovenal is uit onderzoek gebleken dat een prebiotica gecombineerd met een probiotica effectiever in het darmkanaal werkt dan de één of ander apart ingenomen.
Ontwikkeling van de darmflora
Tijdens de bevalling wordt de basis voor de darmflora al gelegd. De baby komt voor het eerst met bacteriën in aanraking door contact met het geboortekanaal, de moeder en de omgeving direct na de geboorte. De darmflora wordt voor het grootste deel samengesteld de periode direct na de geboorte. Een kind dat op de reguliere manier ter wereld komt heeft daardoor een andere darmflora samenstelling dan een kind dat via een keizersnede wordt geboren. Na ongeveer 30 dagen is de darmflora van een kind dat middels een keizersnede ter wereld wordt gebracht pas gelijk aan die van een kind die via de reguliere route ter wereld is gekomen. De bacteriën passeren de maag, omdat een baby nog niet veel maagzuur produceert, en vestigen zich op de darmwand. Kolonisatie van de bacteriën kan geschieden doordat er in eerste instantie bacteriën in de darmen aanwezig zijn die al het zuurstof gebruiken. Dit baant een weg voor de bacteriën die kunnen overleven zonder zuurstof (lactobacillen, bifidobacteriën). Vanaf dat moment kunnen deze in aantal toenemen en kan de darmflora zich ontwikkelen met allerlei bacteriën die voor ieder individu anders zijn.
Variatie darmflora
Iedere darmflora is uniek en vergelijkbaar met een vingerafdruk. Doordat de samenstelling zo uniek is, is het lastig te definiëren wat een normale darmflora is. Onderzoek heeft uitgewezen dat ieder individu dezelfde darmflora-kern heeft. Echter beslaat deze kern maar 20% van alle bacteriën die aanwezig zijn in de darmen. De overige 80% is bij een ieder verschillend. Er wordt gesuggereerd dat er maar liefst 1500 verschillende bacteriën aanwezig zijn. Op dit moment wordt daar nog uitvoerig onderzoek naar gedaan.
Bacteriële dysbiose
Om gezond te blijven is het belangrijk de darmflora in balans te houden. Door enkele factoren kan de darmflora echter uit balans raken. Hierbij moet gedacht worden aan het gebruik van antibiotica. Antibiotica staat er om bekend schadelijke bacteriën te doden, maar daarnaast doden ze ook de goede bacteriën in ons maag-darmkanaal. Leeftijd en voeding kunnen eveneens een rol spelen bij de verstoring van de harmonie in de darmen. Bij ouderen bestaat nog maar 1% van de totale darmflora uit bifidobacteriën waar dit bij volwassenen 3-6% is.
Probiotica is belangrijk bij het bestrijden van allerlei verschillende spijsverteringsproblemen. Een goede darmflora is namelijk onmisbaar bij het verteren van ons voedsel. Onze darmflora en enzymen zijn volledig verantwoordelijk voor het verteren van voedsel en opname van voedingsstoffen uit dit voedsel. Wanneer er een bacteriële dysbiose ontstaat en dit systeem niet meer naar behoren functioneert blijven er onnodige hoeveelheden etensresten achter in de darmen, die vervolgens tot ontstekingen kunnen leiden. Hiermee kan probiotica preventief werken en een effectief wapen zijn tegen het ontstaan van ontstekingen en het ontstaan van een verhoogde permeabiliteit van de darmwand met alle gevolgen van dien.
Stammen Probiotica
Het is belangrijk dat de bacteriën in de Probiotica levend aankomen op de eindbestemming, de darmen. Daarom is het belangrijk dat ze zuur-en gal resistent zijn. Hier is uitvoerig onderzoek naar verricht. In tabel 1 is te zien dat vrijwel alle bacteriën zuur-en gal resistent blijken te zijn met Lactobacillus Acidophilus als echte uitblinker op dit gebied.
Tabel 1: In vitro % herstel levende cellen na incubatie in medium met 1 van de factoren
Probiotica hebben de kracht om bepaalde ziekteverwekkers te remmen. Ook in onze stammen is dit nader bekeken bij bepaalde bekende ziekteverwekkers. Uit de resultaten komt naar voren dat vrijwel alle stammen de mogelijkheid hebben de verschillende onderzochte ziekteverwekkers maximaal te remmen. Hoe hoger het cijfer, hoe hoger de remming van die bepaalde ziekteverwekker (figuur 1 & tabel 2).
Figuur 1: De ziekteverwekkers werden gekweekt in een petrischaaltje met Agar-Agar (groeimedium die gebruikt wordt om micro organismen in te kweken). De probiotische stam werd aangebracht in het kleine holletje. In de Controle situatie is er geen remming van de ziekteverwekker (0). In het voorbeeld van goede remming wordt een maximale remming gemeten (3)
Figuur 1: De ziekteverwekkers werden gekweekt in een petrischaaltje met Agar-Agar (groeimedium die gebruikt wordt om micro organismen in te kweken). De probiotische stam werd aangebracht in het kleine holletje. In de Controle situatie is er geen remming van de ziekteverwekker (0). In het voorbeeld van goede remming wordt een maximale remming gemeten (3)
Tabel 2: 0= geen remming van de ziekteverwekker, 1= 8-11 mm, 2 = 11-14 mm 3= >14 mm maximale remming van de ziekteverwekker
T-cel differentiatie
Probiotica kunnen het immuunsysteem activeren door signalen vanuit het lumen via dendritische cellen aan het systeem door te geven. Het immuunsysteem wordt gereguleerd door twee hoofdcategorieën cytokines met verschillende functies en geproduceerd door subsets van T-helper (Th) lymfocyten.
Th1-cellen produceren voornamelijk IL-2 en interferon-γ en reguleren de immuunrespons tegen intracellulaire infecties. Th2-cellen produceren voornamelijk IL-4, IL-5 en IL-13 en zijn juist mediatoren in extracellulaire infecties en atopische ziektes. Regulatorische T-cellen (Treg) zijn de belangrijkste spelers die ervoor kunnen zorgen dat de balans van Th1/Th2 cellen terug naar homeostase gaan. Zoals in de onderstaande afbeelding wordt getoond, activeren de dendritische cellen bepaalde naïeve T-cellen (zijn nog niet in aanraking geweest met een antigeen) die zich vervolgens ontwikkelen tot een van deze meer specifieke T-cellen, die uiteindelijk de bijbehorende cytokines uitscheiden en een immuun reactie uitlokken (figuur 2).
Figuur 2: Dentrische cellen activeren bepaalde naïeve cellen T-cellen
Onze stammen zijn getest op hun mogelijkheid om het afweersysteem positief te beïnvloeden. Alle stammen laten zien dit te doen. Iedere stam had de mogelijkheid naïeve T-cellen te laten prolifereren in een specifieke T-cel. Dit was bevestigd door het meten van cytokine productie.
Bron: beyondmedicine
Kankermedicatie en geneesmiddelen die het immuunsysteem onderdrukken, kunnen bij patiënten een magnesiumtekort veroorzaken. Zo’n tekort “kan leiden tot klinische symptomen als verwardheid, spierzwakte, beven, slikstoornissen, verkramping van de spieren en stuipen”, zegt onderzoekster Kristien Ledeganck (UA).
Zij ontdekte het mechanisme achter het tekort aan magnesium. “Uit dierproeven en klinische patiëntenstudies blijkt dat het tekort veroorzaakt wordt door een verminderde aanmaak van het EGF-groeihormoon in de nier.” Dit hormoon is niet alleen belangrijk in de groei, maar bewaakt ook de magnesiumbalans in het lichaam.
Het onderzoek spitste zich toe op het verlies van magnesium na gebruik van de medicijnen cisplatine en cyclosporine. Cisplatine wordt gebruikt ter bestrijding van kanker, cyclosporine onderdrukt het immuunsysteem en wordt gebruikt in de behandeling van auto-immuunziektes of bij patiënten die een transplantatie ondergingen.
“Door de verminderde aanmaak van EGF in de nier na een behandeling met cisplatine of cyclosporine worden de groeihormoonreceptoren minder geactiveerd en wordt het magnesiumkanaal in de nier onvoldoende gestimuleerd om magnesium in het lichaam te houden, met een magnesiumverlies via de urine tot gevolg”, aldus Ledeganck.
Vooralsnog geen oplossing
De resultaten van het onderzoek betekenen “een grote vooruitgang in het blootleggen van de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor het verlies van magnesium via de urine”. Omdat er vooralsnog geen oplossing is voor dat probleem, “blijft het belangrijk dat artsen zich bewust zijn van de bijwerkingen van geneesmiddelen”.
Graviola: A Novel Promising Natural-Derived Drug That Inhibits Tumorigenicity and Metastasis of Pancreatic Cancer Cells In Vitro and In Vivo Through Altering Cell Metabolism
Pancreatic tumors are resistant to conventional chemotherapies. The present study was aimed at evaluating the potential of a novel plant-derived product as a therapeutic agent for pancreatic cancer (PC). The effects of an extract from the tropical tree Annona Muricata, commonly known as Graviola, was evaluated for cytotoxicity, cell metabolism, cancer-associated protein/gene expression, tumorigenicity, and metastatic properties of PC cells. Our experiments revealed that Graviola induced necrosis of PC cells by inhibiting cellular metabolism. The expression of molecules related to hypoxia and glycolysis in PC cells (i.e. HIF-1α, NF-κB, GLUT1, GLUT4, HKII, and LDHA) were downregulated in the presence of the extract. In vitro functional assays further confirmed the inhibition of tumorigenic properties of PC cells. Overall, the compounds that are naturally present in a Graviola extract inhibited multiple signaling pathways that regulate metabolism, cell cycle, survival, and metastatic properties in PC cells. Collectively, alterations in these parameters led to a decrease in tumorigenicity and metastasis of orthotopically implanted pancreatic tumors, indicating promising characteristics of the natural product against this lethal disease.
Keywords: Pancreatic cancer, therapy, cancer metabolism, natural product
The overall five-year survival rate for pancreatic cancer (PC) patients was 5.5% for the period of 2001–2007, according to the National Cancer Institute (NCI), a statistic that has not varied significantly for over the last four decades [1]. In 2012, it is estimated that 43,920 new PC cases will be diagnosed and approximately 85% of these (i.e. 37,390) will succumb to the disease [2]. The main reason behind the poor prognosis of PC patients is the insidious and sporadic nature of the disease, which is often presented with no specific early clinical symptoms. By the time of diagnosis PC is already in advanced stages (i.e. III and IV) and is resistant to conventional chemotherapy and radiotherapy [3]. Interestingly, even patients diagnosed with stage I PC that have the option to undergo surgery have a 5-year overall survival of approximately 20%, a clear indication of the general failure of current standard treatments for each stage of PC [4, 5]. What is even more alarming, are the statistics that predict possible 55% increase in the expected number of new PC cases by 2030 [6]. Thus, immediate progress must be made in the prevention, early diagnosis, and systemic treatments against this lethal disease.
Gemcitabine has been the standard line of treatment for PC patients for over a decade and is associated with a median patient survival of 5.4 months [7]. Over all these years, numerous clinical efforts have been devoted to improve PC chemotherapy outcomes, but unfortunately no significant improvements have been reported apart from a clinical trial reported in May of 2011 [8]. This phase III clinical trial reported an improved overall survival of PC patients treated with a four-drug chemotherapy regimen comprising fluorouracil, leucovorin, irinotecan, and oxaliplatin (FOLFIRINOX). Nevertheless, a major disadvantage of this novel treatment was its related toxicity, which was noticeably high when compared to PC patients treated with gemcitabine alone. Therefore, novel, alternative PC therapeutics must not only improve the prognosis of PC patients but also minimize any possible toxicity-related side effects that will interfere with the quality of life of PC patients.
It is well known that an increased consumption of fruits and vegetables is associated with a reduced risk of most cancers, including PC [9]. For this reason, the potential of natural products in PC therapies has been widely investigated [10]. While some of these compounds have undergone clinical testing (i.e. curcumin, genistein) and have demonstrated some activity against PC, the poor bioavailability in patients minimizes their therapeutic efficacy. However, as compared with conventional chemotherapeutic drugs, the major benefit of these therapies is the apparent lack of toxicities to healthy tissues. This attracted our attention to find alternative, natural-derived chemotherapeutic drugs in order to improve the prognosis of PC patients. Traditionally, the leaves from the tropical tree Annona Muricata, also known as Graviola or Soursop, have been used for a wide range of human diseases including inflammatory conditions, rheumatism, neuralgia, diabetes, hypertension, insomnia, cystitis, parasitic infections, and cancer [11]. The major bioactive components that have been extracted from different parts of the plant are known as Annonaceous acetogenins. These are derivatives of long chain (C35 or C37) fatty acids derived from the polyketide pathway [12] that is selectively toxic to cancer cells, including multidrug-resistant cancer cell lines [13–17]. Annonaceous acetogenins induce cytotoxicity by inhibiting the mitochondrial complex I, which is involved in ATP synthesis [14]. As cancer cells have a higher demand for ATP than the normal cells, mitochondrial complex I inhibitors have potential in cancer therapeutics.
A few in vivo studies involving Annona Muricata have been reported. Among these, two reports have shown the ability of the leaf extract to regenerate pancreatic islet β cells in diabetic rats [18, 19]. These studies suggest an additional benefit of the natural product against PC given that diabetes has been classified as a risk factor of the malignant disease [20]. More recently, one study analyzing the anti-tumor efficacy of Annona Muricata was published [21]. The extract had a direct anti-tumorigenic effect on breast cancer cells by downregulating the expression of the epidermal growth factor receptor (EGFR). Although this study demonstrates the potential anti-tumorigenic properties of Graviola, the doses used in the experimental design were not properly controlled. The mice were fed with the extract mixed in the diet and the exact amount ingested by each animal could not be estimated accurately.
Although a few in vitro reports have shown the cytotoxic characteristics of Graviola against various cancer cell lines, including PC cells [12], the comprehensive in vivo effects and mechanistic scientific studies are still lacking. To our knowledge, the studies reported herein are the first to indicate that Graviola extract has promising characteristics for PC therapeutics. Comprehensive in vitro and in vivo studies in various PC cell lines revealed that the natural product inhibited multiple signaling pathways that regulate metabolism, cell cycle, survival, and metastatic properties of PC cells.
Graviola supplement capsules were purchased from Raintree (Carson City, NV). The capsules consisted of 100% pure, finely milled Graviola leaf/stem powder with no binders or fillers. The capsule contents were suspended in DMSO (100mg/mL). After incubating for 5min, the suspension was centrifuged and the supernatant (i.e. extract) was filtered to remove any remaining particles. Subsequent dilutions were prepared in Dulbecco’s modification of Eagle’s medium (DMEM) supplemented with 10% of fetal bovine serum (FBS). Stock solutions and respective dilutions were freshly prepared prior to treatment.
2.2 Cell Culture
The metastatic PC cell lines FG/COLO357 and CD18/HPAF were purchased from the American Type Culture Collection (ATCC). Before performing experiments, the PC cell lines were authenticated by short tandem repeat analysis. It was ensured that PC cells were used at fewer than 20 passages after purchase from ATCC. Cells were cultured in DMEM medium supplemented with 10% FBS and antibiotics (100μg/mL penicillin and 100μg/mL streptomycin). The cells were maintained at 37°C and 5% CO2 in a humidified atmosphere.
2.3 Antibodies
The antibodies for phospho-ERK1/2, total ERK, phospho-Akt (Ser 473), total Akt, NF-κB, and caspase-3 were purchased from Cell Signaling Technology (Danvers, MA). The antibodies for Cyclin-D1, phospho-FAK (Tyr 925), and total FAK were obtained from Santa Cruz Biotechnology (Santa Cruz, CA). The β-actin and β-Tubulin antibodies were obtained from Sigma Aldrich (St. Louis, MO), whereas the HIF-1α antibody was purchased from BD Biosciences (San Jose, CA). The MUC4 monoclonal antibody (8G7) used in these studies was developed by our group [22]. MMP9 antibody was obtained from a hybridoma cell supernatant kindly provided by Dr. Rakesh Singh at UNMC. The secondary antibodies used for western blot analyses were the ECL™ anti-mouse and anti-rabbit IgG conjugated to horseradish peroxidase (GE healthcare, UK). Fluorescein isothiocyanate (FITC) conjugated-anti-mouse and Alexa Fluor conjugated anti-mouse antibodies were obtained from Invitrogen (Carlsbad, CA).
2.4 Cytotoxicity Assay
To determine the cytotoxicity of Graviola extract on PC cells, 1×104 cells were seeded per well on a 96-well plate in DMEM supplemented with 10% FBS and antibiotics. After overnight incubation, different concentrations (10–200μg/mL) of the extract were added into triplicate wells. After 48hr, the media was replaced with fresh media containing thiazolyl blue tetrazolium bromide (MTT) reagent (Sigma Aldrich, St. Louis, MO). After 4hr incubation at 37°C in 5% CO2 in humidified atmosphere, the media was replaced with 100μL of DMSO and the corresponding cytotoxicity values were calculated (λ=540nm). The experiment was repeated at least three times.
2.5 Western Blot Analysis
For protein analysis, 0.5×106 of PC cells were seeded on each well of a six-well plate in DMEM supplemented with 10% FBS and antibiotics. After overnight incubation, fresh solutions of Graviola (0–200μg/mL) were prepared and added to the respective wells. Cells incubated with the corresponding amount of DMSO present in the highest concentrated solution of Graviola were used as a negative control (0μg/mL). After 48hr of incubation with the extract, protein lysates were isolated and prepared for western blot analysis, as previously described [23].
2.6 Real-time PCR
The transcripts levels of the glucose transporters GLUT1 and GLUT4, the glycolytic enzymes hexokinase II (HKII) and lactate dehydrogenase A (LDHA), and the mucin glycoprotein MUC4 in PC cells were determined after treatment with Graviola extract by real-time PCR. 0.5×106 cells were seeded in each well of a six-well plate in complete media. After overnight incubation, fresh solutions of Graviola extract (50 and 100μg/mL) were prepared and cells were incubated for 48hr. Subsequently, cDNA was synthesized from purified RNA and real-time PCR was carried out as has been described by previous studies [23]. The sequences of the gene-specific primers used were: GLUT1: F 5′-GCCATGGAGCCCAGCAGCAA-3′; R 5′-CGGGGACTCTCGGGGCAGAA-3′ GLUT4: F 5′-GCCTGTGGCCACTGCTCCTG-3′; R 5′-GGGGTCTCTGGGCCGGGTAG-3′ HKII: F 5′-GTCATCCCCTTGTGTCAGAG-3′; R 5′-CTTCATTAGTGTCCCCATCCTG-3′ LDHA: F 5′-CCAGTGTGCCTGTATGGAGTG-3′; R 5′-GCACTCTCAACCACCTGCTTG-3′ MUC4: F 5′-GTGACCATGGAGGCCAGTG-3′; R 5′-TCATGCTCAGGTGTCCACAG-3′
2.7 Glucose Uptake
Glucose-uptake rate was assayed by utilizing [3H] 2-deoxyglucose ([3H] 2-DG). 5×104 PC cells were seeded per well in a 24-well plate. 12hr later, the cells were treated with Graviola extract (10 and 50μg/mL) for 48hr. The cells were then starved for glucose for 2hr and incubated for 20min with 2 Ci [3H] 2-DG. Subsequently, cells were lysed with 1% SDS and the lysates were counted for [3H] by utilizing a scintillation counter. Cells treated with labeled and excess unlabeled 2-DG were used as controls to set a baseline for non-specific [3H] uptake. The results were normalized to the cell counts for treated and untreated groups. Glucose uptake was normalized with that of the control cells (0μg/mL) and it is presented as the mean values ± standard error from experiments performed in triplicate.
2.8 ATP Quantification
The CellTiter-Glo® Luminescent Cell Viability Assay (Promega, Madison, WI) was used to measure the ATP content in the cells. Briefly, 1×104 PC cells were seeded in each well of an opaque 96-well plate. Cells were seeded for both ATP quantification and protein concentration estimation. Starting the next day, the cells were incubated with Graviola extract-containing media for 48hr. Subsequently, the instructions of the manufacturer for ATP quantification were followed and luminescence was measured on a Synergy™Mx Luminescent Plate Reader (BioTek, Winooski, VT). Data is presented as the mean value for samples in triplicates, normalized with the protein content for each treatment, as determined by utilizing micro-BCA protein estimation kit.
2.9 Detection and Quantification of Apoptosis and Necrosis
To quantify the number of PC cells undergoing apoptosis and necrosis after being incubated with Graviola extract, the Annexin-V-FLUOS staining kit (Roche Diagnostics, Indianapolis, IN) was used. PC cells were seeded and treated with Graviola extract as described above. After 48hr of treatment with Graviola extract, the instructions of the manufacturer were followed for staining cells for flow cytometry analysis. The experiment was repeated three times.
2.10 Cell Cycle Analysis
PC cells were synchronized at the G1/S phase using a double thymidine block. After seeding cells in 100cm2 Petri dishes, thymidine (2mM) was added for 12hr. After washing cells with serum-free media, the cells were released from thymidine block by culturing in fresh medium containing 24mM 2-deoxycytidine for 9hr. Then, cells were washed and incubated once more with thymidine (2mM) for 14hr. Subsequently, the cells were released from the second thymidine block and the respective treatment prepared in complete media was added for 48hr. For cell cycle analysis, cells were trypsinized and washed with PBS after the duration of the treatment. Cells were then fixed in 70% ethanol at 4°C for 1hr. After washing, cells were incubated with Telford reagent (EDTA, RNAse A, propidium iodide, Triton X-100 in PBS) at 4°C and analyzed by flow cytometry on the next day.
2.11 Confocal Microscopy
For confocal analysis, 2×105 PC cells were seeded on sterilized round glass cover slips. After overnight incubation, Graviola extract (0, 50 and 100μg/mL) was added to the cells, followed by a 48hr incubation. For the detection of reactive oxygen species (ROS), Graviola extract-treated PC cells were incubated with 1μM 2′-7′-Dichlorofluorescein diacetate (DCFH-DA) (Sigma Aldrich, St. Louis, MO) for 15 min. After three washes with PBS, glass cover slips were mounted on glass slides and visualized by confocal microscopy. For β-tubulin and MUC4 confocal analysis, details of the procedure are published elsewhere [23]. Finally, to visualize the arrangement of actin filaments in Graviola extract-treated cells, the cells were stained with fluorescent phallotoxins (Invitrogen, Carlsbad, CA). The instructions of the manufacturer were followed for formaldehyde-fixed cells. Post-staining, the glass cover slips were mounted with Vectashield medium (Vector Laboratories, Burlingame, CA). LSM 510 microscope, a laser scanning confocal microscope (Carl Zeiss GmbH, Thornwood, NY) was utilized to image the cells in the respective channels at a magnification of 630X.
2.12 Wound Healing Assay
For wound healing assays, 3×106 of PC cells were seeded in 60mm petri dishes in DMEM media supplemented with 10% FBS and antibiotics. After overnight incubation, an artificial wound was induced on 100% confluent PC cell monolayers using a sterile pipette tip. Graviola extract-containing (0, 50, 100μg/mL) media solutions were then added to the respective treatment plate. Images (40X) were captured immediately after adding Graviola extract (0hr) and after 24hr of treatment, by a light microscope. The motility of the cells across the wound was visualized in each treatment group.
2.13 Motility Assay
The effect of Graviola extract on the migration of PC cells was also analyzed by a transwell migration assay. FG/COLO357 cells (0.5×106) were suspended in Graviola extract-containing (0–100μg/mL) 1% FBS-DMEM media and seeded for 48hr in 8μm pore size polyethylene terephthalate (PET) membranes (Becton Dickinson, San Jose, CA). DMEM supplemented with 10% FBS was added at the bottom of each well and after 48hr of incubation, the cells that migrated to the bottom of the PET membrane were stained with Diff-Quick cell staining kit (Dade Behring Inc., Newark, DE). The number of cells migrated was quantified by performing cell counts of 10 random fields at 100X magnification. The results are presented as the average number of cells in one field.
2.14 In vivo tumorigenicity studies
The effect of Graviola extract on pancreatic tumor growth was evaluated on orthotopic tumor xenografts. 6–8 week old female athymic immunodeficient mice were purchased from the Animal Production Area of the NCI/Frederick Cancer Research and Development Center (Frederick, MD). The mice were treated in accordance with the Institutional Animal Care and Use Committee (IACUC) guidelines at UNMC and were housed in pathogen-free environment and were fed sterile water and food ad libitum.
Over 90% viable luciferase-labeled CD18/HPAF cells transduced with retroviral particles (Addgene, Cambridge, MA) were orthotopically injected into the head of the pancreas of immunodeficient mice. Details of the orthotopic implantation procedure are described elsewhere [22, 24]. After 1 week of tumor growth, oral gavage treatment of PBS-suspended Graviola extract was given daily for 35 days. The doses of Graviola extract for these studies were based on previous in vivo studies [18, 19, 25] and on the recommended dose for human consumption [11]. Treatment groups (N=8) included: PBS only (0 mg/kg), 50mg/kg, and 100mg/kg Graviola extract. Graviola extract was not dissolved in DMSO for these studies in order to demonstrate the benefit of the aqueous natural oral supplement in PC therapy. Nevertheless, the cytotoxic properties of the Graviola extract suspended in PBS were corroborated beforehand (Supplementary Fig. 1). In vivo IVIS 200 biophotonic imaging system was used to capture images (Caliper Life Sciences, Hopkinton, MA) of pancreatic tumors within every two weeks during the course of treatment with Graviola extract. Mice were sacrificed after 42 days of tumor growth and 35 days of treatment with Graviola extract. Changes in tumor growth and sites of metastasis were evaluated in each treatment group. Body weights of mice were measured before the treatment.
2.15 Analysis of pancreatic tumor tissues
On the necropsy day, pancreatic tumors from the different treatment groups were divided for protein and immunohistochemistry (IHC) analyses. The tumors were immediately frozen under liquid nitrogen for protein analysis. To prepare tumor lysates, the tumors were then suspended on radioimmunoprecipitation (RIPA) buffer and sonicated for three cycles with a Branson digital sonifier® (60% amplitude, 10s). After centrifuging the homogeneous suspension, the protein concentration in each sample was estimated and respective solutions for western blot analyses were prepared as previously described [23].
For histopathological and IHC analyses, the tumor tissues were fixed in 10% Formalin for 48hr. The tumors were embedded in paraffin and 5μm sections were cut and stained with hematoxylin and eosin stains (H&E) and various antibodies (i.e. MMP9 and MUC4). Details of the procedure for IHC staining is described elsewhere [24]. The IHC and H&E stained slides were evaluated by pathologist at University of Nebraska Medical Centre.
2.16 Statistical Analysis
The JMP® Statistical Discovery Software (Cary, NC) was used to determine the statistical significance within the treatment replicates in each experiment. A Student’s t-test was used to calculate the corresponding p-value. All p values < 0.05 were considered statistically significant.
3.1 Graviola extract induces cytotoxicity of pancreatic cancer cells
The PC cells FG/COLO357 and CD18/HPAF were incubated for 48hr with different concentrations of Graviola extract. The results from the MTT cytotoxicity assay indicated a progressive decrease in cell viability with the successive increase in the concentrations of the extract (Fig. 1A). After 48hr of treatment, the resulting IC50 of Graviola extract on FG/COLO357 and CD18/HPAF cells was 200 and 73μg/mL, respectively (Fig. 1B) and the results indicated that CD18/HPAF cell line is more sensitive to the Graviola extract than the FG/COLO357 cell line.
Effect of Graviola extract on pancreatic cancer cell viability
It is well known that the activation of the extracellular signal-regulated kinase (ERK) and the phosphatidylinositol 3′kinase (PI3K/Akt) pathways play a crucial role in the proliferation and survival of PC [26] and inhibition of these pathways leads to the inhibition of pancreatic tumor growth [27, 28]. The present study revealed that treatment of PC cells with Graviola extract resulted in decreased activation of both ERK and Akt pathways in PC cells (Fig. 1C). Thus, the inhibition of these pathways is in agreement with the decreased viability of PC cells treated with Graviola extract.
3.2 Pancreatic cancer cell metabolism is inhibited by Graviola extract
Previous studies have shown that major bioactive components present in Graviola extract that inhibit mitochondrial complex I [13–17], suggesting their direct involvement in cell metabolism. It has already been well-documented that cancer cells undergo a metabolic shift to adapt and survive under harsh environments by enhancing aerobic glycolysis [29, 30]. Also, Akt activation leads to glycolytic ATP generation in tumor cells [31]. Hence, the effect of Graviola extract on several stages of the glycolytic pathway in PC cells was analyzed.
The expression of HIF-1α, a critical regulator of aerobic glycolysis in cancer cells [32], was analyzed in PC cells after incubation with Graviola extract (Fig. 2A). We observed reduced HIF-1α expression in both PC cell lines, suggesting a direct effect of this natural product on the metabolism of PC cells. Likewise, it has been previously reported that the NF-κB upregulates the expression of HIF-1α [33, 34]. Not surprisingly, the expression levels of NF-κB were also reduced in PC cells after being incubated with Graviola extract (Fig. 2A).
Effect of Graviola extract on the metabolism of pancreatic cancer cells
Subsequently, the expression of the glucose transporters 1 and 4 (GLUT1 and GLUT4), and the expression of the glycolytic enzymes hexokinase II (HKII) and lactate dehydrogenase A (LDHA), all of which are upregulated by HIF1-α in cancer cells [32, 35], were analyzed in Graviola extract-treated PC cells by real-time PCR analysis (Fig 2B). Overall, the transcript levels of GLUT1, HKII, and LDHA were significantly reduced in both PC cell lines when compared to untreated cells (i.e. 60–87% downregulation).
Cancer cells have an increased expression of glucose transporters to enhance glucose uptake, which in turn increases the glycolytic rate for an enhanced ATP production that will ultimately lead to an enhanced tumor growth [10]. Thus, based on the results discussed above, it was not surprising that PC cells treated with Graviola extract doses over 10 μg/mL had a decreased rate of glucose uptake when compared to untreated cells (0μg/mL) (Fig. 2C). Finally, to evaluate the energy outcome of the glycolytic pathway of PC cells, we measured ATP production in Graviola extract-treated PC cells (Fig. 2D), and observed significant inhibition by 42–47% and by 31–43% doses in FG/COLO357 and CD18/HPAF PC cells, respectively. Altogether, these results indicate that Graviola extract impairs the metabolism of PC cells that will ultimately lead to decreased cell viability.
3.3 Graviola extract induces necrosis of pancreatic cancer cells
In order to evaluate the cytotoxic pathways induced by Graviola extract. PC cells were stained with annexin-V and propidium iodide (PI) staining to measure the necrotic and apoptotic cell populations by performing flow cytometry. While the necrotic cell population in both PC cell lines increased significantly after incubation with Graviola extract, the apoptotic cell population remained unchanged (Fig. 3A). Subsequently, the production of Graviola extract-induced reactive oxygen species (ROS) in FG/COLO357 and CD18/HPAF PC cells was confirmed by confocal microscopy (Fig. 3B). Additionally, it was also observed that cells incubated with Graviola extract have a gain in cell volume, a characteristic of necrotic cell death.
Analysis of cytotoxic mechanism of Graviola extract in pancreatic cancer cells
In order to confirm that Graviola extract was not inducing apoptosis of PC cells, the levels of caspase-3 expression were analyzed by western blot analysis. The Caspase-3 expression values remained statisticallyunaltered by treatment with the extract, suggesting that apoptotic pathways are not involved (Fig. 3C). Furthermore, the apoptotic cells population in Graviola extract-treated cells was also analyzed by Telford staining, and the results corroborated the findings from AnnexinV/PI staining studies, where the number of apoptotic cell population did not vary after being incubated with the natural compound (data not shown).
An analysis of the different phases of the cell cycle after treatment with Graviola extract demonstrated cell cycle arrest at G1 phase (Fig. 3D). While the G1 cell population increased from 43 to 65%, the S phase decreased from 56 to 32% with increasing concentrations of Graviola extract (0, 5, 100μg/mL). To support these results, the expression of CyclinD1 in Graviola extract-treated PC cells was analyzed (Fig. 3E). In agreement with previous studies indicating that a decreased CyclinD1 expression induces G0/G1 cell cycle arrest [36], Graviola extract-treated PC cells had also reduced expression of the cell cycle regulatory protein.
3.4 Motility of pancreatic cancer cells decreases after treatment with Graviola extract
The effect of Graviola extract on the functional properties of PC cells was analyzed in vitro wound healing and migration assays (Fig. 4A, B). As it can be observed in the images from the wound healing assays, PC cells treated with Graviola extract did not close the wound even after 24hr, as opposed to untreated cells (0μg/mL), indicating reduced motility of PC cells after treatment with Graviola extract (Fig. 4A). Similarly, the migratory capacity of PC cells was also reduced after treatment with Graviola extract, as evaluated by a transwell assay (Fig. 4B), suggesting that the natural extract reduces the motility of PC cells.
Effect of Graviola extract in the motility, migration, and cytoskeleton of pancreatic cancer cells
The motility and migration of cancer cells is associated with the rearrangements of the cortical actin and microtubules network [37, 38]. Additionally, cellular ATP depletion has been associated with reorganization of the actin cytoskeleton [39] and suppression of the dynamics of microtubules is known to induce mitotic arrest [40]. Taking this into consideration, the cytoskeleton of Graviola extract-treated PC cells was analyzed by confocal microscopy (Fig. 4C, D). The image results of phallotoxins (i.e. phalloidin) staining indicate a disruption of the cortical actin network and dissolution of stress fibers in Graviola extract-treated PC cells (Fig. 4C). Similarly, a disruption of microtubules dynamics was evident after β-tubulin staining of PC cells incubated with Graviola extract (Fig. 4D). To further analyze the effect of Graviola extract on motility and migration of PC cells, the expression levels of the phosphorylated focal adhesion kinase (pFAK), which is involved in mitogenic signaling and motility [41], and matrix metalloproteinase 9 (MMP9), which targets many extracellular proteins including adhesion molecules [42], were analyzed by western blot analysis (Fig. 4E). In agreement with the experiments discussed above, we observed that the expression levels of both pFAK and MMP9 were downregulated in Graviola extract-treated cells.
3.5 Graviola extract inhibits tumor growth and metastasis of pancreatic cancer cells
Based on the results obtained from in vitro experiments, Graviola extract has promising properties to be incorporated in PC therapeutics. Nevertheless, these anti-tumorigenic properties require further validation through in vivo experiments. In order to evaluate the therapeutic potential of Graviola extract, a more realistic situation for administering the extract was mimicked. It is recommended that Graviola extract supplement must be taken on a regular basis [11], and therefore, it was decided that the extract must be administered by oral gavage after suspending contents of the capsule in aqueous solution instead of dissolving it in DMSO. Prior to evaluating the anti-tumorigenic properties of aqueous Graviola extract suspension by in vivo experiments, pertinent in vitro experiments corroborating the cytotoxic potential of the aqueous suspensions on PC cells were completed beforehand (Supplementary Fig. 1).
For tumorigenic studies, CD18/HPAF cells expressing luciferase were orthotopically injected into the pancreas of athymic mice. After 1 week, in vivo biophotonic imaging confirmed tumor growth in all animals and the treatment regimen was initiated. The tumor growth during the treatment was monitored by imaging every two weeks. After 35 days of treatment, the animals were euthanized and the pancreatic tumors were removed and weighed. Although pancreatic tumors were not completely eradicated, the results indicate that tumor growth decreased significantly in Graviola extract-treated mice in comparison to the control group (Fig. 5A). Specifically, the tumor growth inhibition in mice treated with a dose of 50mg/kg Graviola extract was 59.8% (p-value=0.0008) whereas in mice treated with 100 mg/kg Graviola extract the inhibition was 50.3% (p-value = 0.006), indicating the efficacy of the natural product in PC regression. The metastatic lesions in each mouse were evaluated in various vital organs including the liver, spleen, mesenteric lymph nodes (LN), small and large intestines, peritoneum, diaphragm, and ovaries (Fig. 5B). Although all the metastatic lesions were reduced in Graviola extract-treated mice in comparison to the untreated control mice, the incidence of metastasis in the liver, mesenteric LN, and ovaries was significantly reduced (p-values ≤ 0.02). Representative biophotonic tumor images illustrate the tumor growth across the different groups during the course of the treatment (Fig. 5C).
Evaluation of Graviola Extract in pancreatic cancer orthotopic xenograft model
Further, tumors were evaluated by H&E (Fig. 5D) and IHC staining (Fig. 6). The H&E stained tumor sections showed necrotic cells in 20–50% of the pancreatic tumor tissues from Graviola extract-treated mice as compared with tumors from the control mice. These results further strengthen the results from in vitro experiments, which demonstrate that Graviola extract-mediated reduction in PC cell viability was through the induction of necrosis.
Immunohistochemical analyses of pancreatic tumors after treatment with Graviola extract
The tumor lysates and paraffin embedded pancreatic tumors were also evaluated by IHC for the expression of MMP9 (Fig. 6A) and MUC4 (Fig. 6B). In agreement with in vitro data, the levels of MMP9 were reduced in tumors from Graviola extract-treated mice compared to the untreated controls. As the expression of MMP9 has been related to invasion and metastasis, the reduced levels of the protein in Graviola extract-treated tumors substantiate our findings of reduced metastatic sites in these mice.
Previous studies performed by our group have established the correlation of the expression of mucin4 (MUC4) glycoprotein with progression and metastasis of PC [24, 43–45]. Therefore, we were particularly interested in evaluating the effect of Graviola extract on the expression of MUC4 in PC cells and pancreatic tumors. In vitro experiments demonstrated a significant downregulation in MUC4 expression, both at the translational (Supplementary Figs. 1C, 2A, B) and transcriptional levels (Supplementary Fig. 2C) in Graviola extract treated PC cells. Similarly, the expression of the MUC4 was reduced in pancreatic tumors from mice treated with Graviola extract as compared to the untreated mice (Fig. 6B), Further supporting our findings of reduced tumor growth and metastasis after treatment with Graviola extract.
Little or no progress has been accomplished in PC treatment over the last 40 years. Novel therapeutics against this lethal malignancy must inhibit several pathways that promote survival, progression, and metastasis of PC cells. Based on the fact that cancer cells are mainly dependent on the glycolytic pathway for ATP production, glucose deprivation by anti-glycolytic drugs can induce cancer cell death [46], a pathway that can be targeted and explored in PC therapies [47].
Natural products have been investigated in PC therapeutics over several decades, but to date none has been incorporated in routine chemotherapies [10]. Traditionally, the leaves from Graviola (Annona Muricata) have been used for a wide range of human diseases including cancer [11]. The present study is the first to demonstrate that Graviola extract reduces the viability of PC cells and tumors by inducing necrosis and cell cycle arrest, and by inhibiting PC cell motility (i.e. cytoskeleton rearrangement), migration, and metabolism. Overall, in vitro experiments revealed that the compounds present in the natural extract inhibited several pathways involved in PC cell proliferation and metabolism, simultaneously. Such inhibitions ultimately led to a decrease in tumor growth and metastasis in orthotopically transplanted pancreatic tumor-bearing mice.
In PC patients, an increased metabolic activity and glucose concentration of malignant tumors has been linked to pancreatic tumor aggressiveness [47]. Additionally, the presence of hypoxia in PC has been associated with tumor growth and metastasis [48, 49]. Indeed, the presence of hypoxic environment has been linked to the oncogenic and metabolic transformation (i.e. glycolysis) of PC cells that results in resistance to conventional cancer therapeutics [48, 50]. More specifically, it has been suggested that hypoxia can induce resistance to gemcitabine through the activation of PI3K/Akt/NF-κB and MAPK/ERK pathways [51], which are also related to PC progression and survival. The activation of both of these signaling pathways was evaluated in PC cells after treatment with Graviola extract and it was found that the extract suppressed phosphorylation of the key molecules involved in these pathways, which correlated with reduced viability of PC cells. Subsequently, the expression of HIF-1α, the major transcription factor activated under hypoxic conditions, and its ensuing downstream effects on PC cell metabolism were analyzed in Graviola extract-treated cells. The results indicated the natural product inhibited PC cell metabolism by inhibiting the expression of HIF-1α, NF-κB, glucose transporters (i.e. GLUT1, GLUT4), and glycolytic enzymes (i.e. HKII, LDHA), all of which lead to the reduction of glucose uptake and ATP production by PC cells.
The overall downregulation of PC cell metabolism induced by Graviola extract resulted in PC cell death and necrosis. In agreement with previous studies of ATP reduction, the metabolic and therapeutic stress induced by Graviola extract led to an acute ATP depletion, which is accompanied by increased intracellular ROS, ultimately leading to necrosis [52–54]. While necrotic agents have not been considered beneficial in cancer therapies due to induction of local inflammation, the process itself can lead to the activation of the innate immune system capable of initiating anti-tumor immunity [52]. It makes it imperative to evaluate the effect of a necrosis-inducing product such as Graviola extract in an immune competent host. In this regard, we plan to evaluate the effect of the natural product on the progression of pancreatic adenocarcinoma in the KrasG12DPdx1-Cre spontaneous animal model, where the effect on the immune system can be evaluated.[55, 56]. In order to evaluate the potential of Graviola extract in preventing PC progression, we plan to supplement the diet of KrasG12DPdx1-Cre mice with Graviola extract after the mice start developing pancreatic intraepithelial neoplastic (PanIN) lesions. The effective concentrations of Graviola metabolites after oral absorption and effects on the immune system will be measured as well. Additional experiments will be carried out to evaluate the potential of a combination therapy of Graviola extract with the standard chemotherapeutic drug Gemcitabine. With the results discussed in the present study, it is expected that minimum doses of the chemotherapeutic drug will be needed to eradicate the malignant disease.
The major bioactive compounds identified in Annona Muricata have been classified as Annonaceous acetogenins, which inhibit mitochondrial complex I that leads to a decreased ATP production [13–17]. Although the natural extract capsules used in these studies contained numerous compounds, the presence of Annonaceous acetogenins was evident by the depletion of ATP production in PC cells after being incubated with Graviola extract. Bioactivity-guided fractionation for the identification of potent bioactive (i.e. anti-tumorigenic) compounds that are present in the Graviola extract is currently being investigated. We are also ensuring that cytotoxic effects are specific to tumorigenic cells only, by including the non-transformed immortalized pancreatic epithelial cell line HPNE, which is derived from pancreatic duct (data not shown).
Pancreatic tumors develop from a complex interplay of numerous signaling pathways and Graviola extract has shown promising anti-tumorigenic characteristics by targeting some of these pathways all at once. Although novel glycolytic inhibitors, such as Graviola extract, may have broad therapeutics applications [57], inhibition of glycolysis alone may not be sufficient to eradicate tumor cells completely. Perhaps the use of alternative medicine, like taking Graviola capsules on a regular basis, should still be considered a supplement, not a replacement for standard therapies. Currently, in vitro studies evaluating the potential of the natural product in combination with chemotherapeutic drugs are being conducted.
Supplementary Figure 1 In vitro evaluation of aqueous solutions of Graviola extract in pancreatic cancer cells:
(A) Cytotoxicity of Graviola extract suspended in PBS. The PC cells CD18/HPAF were incubated with different doses of Graviola extract suspended in PBS for 48hr. Cytotoxicity was analyzed by MTT cytotoxic assay. Data from experiments performed in triplicate is presented as the mean value ± standard error of mean. (*p-value<0.0001, **p-value=0.0017, compared to untreated cells); (B) ATP quantification of CD18/HPAF PC cells after treatment with Graviola extract suspended in PBS. Data from experiments performed in triplicate is presented as the mean value normalized with total protein content ± standard error of mean; (C) Western blot analysis of the expression of proteins related to the proliferation, invasion, and metastasis of PC in CD18/HPAF cells after incubation with Graviola extract suspended in PBS. Protein lysates (30μg) were resolved on 2% SDS agarose gels (MUC4) and 10% SDS-PAGE (HIF-1α, Caspase3, MMP9, and β-actin). β-actin was used as a loading control.
Supplementary Figure 2 Expression of MUC4 glycoprotein in pancreatic cancer cells after treatment with Graviola extract:
(A) Western blot analysis of MUC4 and HER2 in PC cells after treatment with Graviola extract. Protein lysates (30μg) were resolved on 2% agarose gels for MUC4 and 10% SDS-PAGE for HER2. β-actin was used as a loading control; (B) Confocal microscope images of PC cells stained against MUC4 (anti-Alexa Fluor 594) after treatment with Graviola extract. Cell nuclei were stained with DAPI. Scale bars represent 10μm; (C) Measurement of MUC4 transcripts in PC cells incubated with Graviola extract by real-time PCR. Data is presented as the average fold difference of MUC4 levels in Graviola extract-treated cells versus untreated cells (0μg/mL) ± standard error of mean. The housekeeping gene β-actin was used as an internal control. (*p-value<0.005; **p-value<0.005, compared to untreated PC cells)
The invaluable technical support from Kavita Mallya is greatly appreciated. We would like to give special thanks to UNMC professors: Dr. Michel Ouellette for kindly providing CD18/HPAF-Luciferase and HPNE cells, Dr. Shilpa Buch for allowing us to use the Luminescence plate reader, Dr. Vimla Band for allowing us to use the microscope to image tumor H&E and IHC sections, and Dr. Steve Caplan for assisting with the analysis of confocal images and providing us the β-Tubulin antibody. We also thank Janice A. Tayor and James R. Talaska of the Confocal Laser Scanning Microscope Core Facility at UNMC, Victoria B. Smith and Megan Michalak of the UNMC Cell Analysis Core Facility, and Ms. Kristi Berger, the Eppley Cancer Center for editing this manuscript. We are also very grateful for the expertise and involvement of Drs. Amarnath Natarajan and Abijah Nyong from the Chemistry department at UNMC in the bioactivity-guided fractionation of the Graviola extract. The authors of this work are supported by grants from the National Institutes of Health: NIH-NCI Cancer Biology Training Grant UNMC T32CA009479, R01 CA78590, U01EDRN CA111294, R01 CA131944, R01 CA133774, R01 CA 138791, P50 SPORE CA127297 and U54 CA160163.
There are no potential conflicts of interest involved with this work.
Publisher’s Disclaimer: This is a PDF file of an unedited manuscript that has been accepted for publication. As a service to our customers we are providing this early version of the manuscript. The manuscript will undergo copyediting, typesetting, and review of the resulting proof before it is published in its final citable form. Please note that during the production process errors may be discovered which could affect the content, and all legal disclaimers that apply to the journal pertain.
1. SEER Stat Fact Sheets:Pancreas. National Cancer Institute; Oct 28, 2011.
2. Siegel R, Naishadham D, Jemal A. Cancer statistics, 2012. CA Cancer J Clin. 2012;62:10–29. [PubMed]
3. Chakraborty S, Baine MJ, Sasson AR, Batra SK. Current status of molecular markers for early detection of sporadic pancreatic cancer.Biochim Biophys Acta. 2011;1815:44–64. [PMC free article] [PubMed]
4. Bilimoria KY, Bentrem DJ, Ko CY, Stewart AK, Winchester DP, Talamonti MS. National failure to operate on early stage pancreatic cancer.Ann Surg. 2007;246:173–180. [PMC free article] [PubMed]
5. Bilimoria KY, Bentrem DJ, Ko CY, Tomlinson JS, Stewart AK, Winchester DP, Talamonti MS. Multimodality therapy for pancreatic cancer in the U.S.: utilization, outcomes, and the effect of hospital volume. Cancer. 2007;110:1227–1234. [PubMed]
6. Smith BD, Smith GL, Hurria A, Hortobagyi GN, Buchholz TA. Future of cancer incidence in the United States: burdens upon an aging, changing nation. J Clin Oncol. 2009;27:2758–2765. [PubMed]
7. Burris HA, III, Moore MJ, Andersen J, Green MR, Rothenberg ML, Modiano MR, Cripps MC, Portenoy RK, Storniolo AM, Tarassoff P, Nelson R, Dorr FA, Stephens CD, Von Hoff DD. Improvements in survival and clinical benefit with gemcitabine as first-line therapy for patients with advanced pancreas cancer: a randomized trial. J Clin Oncol. 1997;15:2403–2413. [PubMed]
8. Conroy T, Desseigne F, Ychou M, Bouche O, Guimbaud R, Becouarn Y, Adenis A, Raoul JL, Gourgou-Bourgade S, de la Fouchardiere C, Bennouna J, Bachet JB, Khemissa-Akouz F, Pere-Verge D, Delbaldo C, Assenat E, Chauffert B, Michel P, Montoto-Grillot C, Ducreux M. FOLFIRINOX versus gemcitabine for metastatic pancreatic cancer. N Engl J Med. 2011;364:1817–1825. [PubMed]
9. Jansen RJ, Robinson DP, Stolzenberg-Solomon RZ, Bamlet WR, de Andrade M, Oberg AL, Hammer TJ, Rabe KG, Anderson KE, Olson JE, Sinha R, Petersen GM. Fruit and vegetable consumption is inversely associated with having pancreatic cancer. Cancer Causes Control.2011;22:1613–1625. [PMC free article] [PubMed]
10. Stan SD, Singh SV, Brand RE. Chemoprevention strategies for pancreatic cancer. Nat Rev Gastroenterol Hepatol. 2010;7:347–356.[PMC free article] [PubMed]
11. Taylor L. Herbal Secrets of the Rainforest. 2 Sage Press, Inc; 2002. Technical Data Report for Graviola: Annona Muricata.
12. Kim GS, Zeng L, Alali F, Rogers LL, Wu FE, Sastrodihardjo S, McLaughlin JL. Muricoreacin and murihexocin C, mono-tetrahydrofuran acetogenins, from the leaves of Annona muricata. Phytochemistry. 1998;49:565–571. [PubMed]
13. Oberlies NH, Jones JL, Corbett TH, Fotopoulos SS, McLaughlin JL. Tumor cell growth inhibition by several Annonaceous acetogenins in an in vitro disk diffusion assay. Cancer Lett. 1995;96:55–62. [PubMed]
14. McLaughlin JL. Paw paw and cancer: annonaceous acetogenins from discovery to commercial products. J Nat Prod. 2008;71:1311–1321.[PubMed]
15. Tormo JR, Royo I, Gallardo T, Zafra-Polo MC, Hernandez P, Cortes D, Pelaez F. In vitro antitumor structure-activity relationships of threo/trans/threo mono-tetrahydrofuranic acetogenins: correlations with their inhibition of mitochondrial complex I. Oncol Res. 2003;14:147–154. [PubMed]
17. Liaw CC, Chang FR, Lin CY, Chou CJ, Chiu HF, Wu MJ, Wu YC. New cytotoxic monotetrahydrofuran annonaceous acetogenins from Annona muricata. J Nat Prod. 2002;65:470–475. [PubMed]
18. Adewole SO, Caxton-Martins EA. Morphological Changes and Hypoglycemic Effects of Annona Muricata Linn. (Annonaceae) Leaf Aqueous Extract on Pancreatic B- Cells of Streptozotocin-Treated Diabetic Rats. African J Biomed Res. 2006;9:173–180.
19. Adeyemi DO, Komolafe OA, Adewole SO, Obuotor EM, Abiodum AA, Adenowo TK. Histomorphological and morphometric studies of the pancreatic islet cells of diabetic rats treated with extracts of Annona Muricata. Folia Morphol. 2010;69:92–100. [PubMed]
20. Magruder JT, Elahi D, Andersen DK. Diabetes and pancreatic cancer: chicken or egg? Pancreas. 2011;40:339–351. [PubMed]
21. Dai Y, Hogan S, Schmelz EM, Ju YH, Canning C, Zhou K. Selective growth inhibition of human breast cancer cells by graviola fruit extract in vitro and in vivo involving downregulation of EGFR expression. Nutr Cancer. 2011;63:795–801. [PubMed]
22. Moniaux N, Varshney GC, Chauhan SC, Copin MC, Jain M, Wittel UA, Andrianifahanana M, Aubert JP, Batra SK. Generation and characterization of anti-MUC4 monoclonal antibodies reactive with normal and cancer cells in humans. J Histochem Cytochem. 2004;52:253–261.[PubMed]
23. Torres MP, Ponnusamy MP, Chakraborty S, Smith LM, Das S, Arafat HA, Batra SK. Effects of thymoquinone in the expression of mucin 4 in pancreatic cancer cells: implications for the development of novel cancer therapies. Mol Cancer Ther. 2010;9:1419–1431. [PMC free article][PubMed]
24. Singh AP, Moniaux N, Chauhan SC, Meza JL, Batra SK. Inhibition of MUC4 expression suppresses pancreatic tumor cell growth and metastasis. Cancer Res. 2004;64:622–630. [PubMed]
25. de Sousa OV, Vieira GD, de Jesus RG, Yamamoto CH, Alves MS. Antinociceptive and Anti-Inflammatory Activities of the Ethanol Extract of Annona muricata L. Leaves in Animal Models. Int J Mol Sci. 2010;11:2067–2078. [PMC free article] [PubMed]
26. Seufferlein T. Novel protein kinases in pancreatic cell growth and cancer. Int J Gastrointest Cancer. 2002;31:15–21. [PubMed]
27. Chang Q, Chapman MS, Miner JN, Hedley DW. Antitumour activity of a potent MEK inhibitor RDEA119/BAY 869766 combined with rapamycin in human orthotopic primary pancreatic cancer xenografts. BMC Cancer. 2010;10:515. [PMC free article] [PubMed]
28. Wei WT, Chen H, Ni ZL, Liu HB, Tong HF, Fan L, Liu A, Qiu MX, Liu DL, Guo HC, Wang ZH, Lin SZ. Antitumor and apoptosis-promoting properties of emodin, an anthraquinone derivative from Rheum officinale Baill, against pancreatic cancer in mice via inhibition of Akt activation.Int J Oncol. 2011;39:1381–1390. [PubMed]
29. DeBerardinis RJ, Lum JJ, Hatzivassiliou G, Thompson CB. The biology of cancer: metabolic reprogramming fuels cell growth and proliferation. Cell Metab. 2008;7:11–20. [PubMed]
30. Kroemer G, Pouyssegur J. Tumor cell metabolism: cancer’s Achilles’ heel. Cancer Cell. 2008;13:472–482. [PubMed]
31. Cairns RA, Harris IS, Mak TW. Regulation of cancer cell metabolism. Nat Rev Cancer. 2011;11:85–95. [PubMed]
32. Lu H, Forbes RA, Verma A. Hypoxia-inducible factor 1 activation by aerobic glycolysis implicates the Warburg effect in carcinogenesis. J Biol Chem. 2002;277:23111–23115. [PubMed]
33. Fitzpatrick SF, Tambuwala MM, Bruning U, Schaible B, Scholz CC, Byrne A, O’Connor A, Gallagher WM, Lenihan CR, Garvey JF, Howell K, Fallon PG, Cummins EP, Taylor CT. An intact canonical NF-kappaB pathway is required for inflammatory gene expression in response to hypoxia.J Immunol. 2011;186:1091–1096. [PubMed]
34. Nam SY, Ko YS, Jung J, Yoon J, Kim YH, Choi YJ, Park JW, Chang MS, Kim WH, Lee BL. A hypoxia-dependent upregulation of hypoxia-inducible factor-1 by nuclear factor-kappaB promotes gastric tumour growth and angiogenesis. Br J Cancer. 2011;104:166–174. [PMC free article][PubMed]
35. Ke Q, Costa M. Hypoxia-inducible factor-1 (HIF-1) Mol Pharmacol. 2006;70:1469–1480. [PubMed]
36. Masamha CP, Benbrook DM. Cyclin D1 degradation is sufficient to induce G1 cell cycle arrest despite constitutive expression of cyclin E2 in ovarian cancer cells. Cancer Res. 2009;69:6565–6572. [PubMed]
37. Cunningham CC. Actin structural proteins in cell motility. Cancer Metastasis Rev. 1992;11:69–77. [PubMed]
38. Kaverina I, Straube A. Regulation of cell migration by dynamic microtubules. Semin Cell Dev Biol. 2011 [PMC free article] [PubMed]
39. Bacallao R, Garfinkel A, Monke S, Zampighi G, Mandel LJ. ATP depletion: a novel method to study junctional properties in epithelial tissues. I. Rearrangement of the actin cytoskeleton. J Cell Sci. 1994;107(Pt 12):3301–3313. [PubMed]
40. Jordan MA, Horwitz SB, Lobert S, Correia JJ. Exploring the mechanisms of action of the novel microtubule inhibitor vinflunine. Semin Oncol.2008;35:S6–S12. [PubMed]
41. Zhao X, Guan JL. Focal adhesion kinase and its signaling pathways in cell migration and angiogenesis. Adv Drug Deliv Rev. 2011;63:610–615.[PMC free article] [PubMed]
42. McCawley LJ, Matrisian LM. Matrix metalloproteinases: they’re not just for matrix anymore! Curr Opin Cell Biol. 2001;13:534–540.[PubMed]
43. Bafna S, Kaur S, Momi N, Batra SK. Pancreatic cancer cells resistance to gemcitabine: the role of MUC4 mucin. Br J Cancer. 2009;101:1155–1161. [PMC free article] [PubMed]
44. Chaturvedi P, Singh AP, Moniaux N, Senapati S, Chakraborty S, Meza JL, Batra SK. MUC4 mucin potentiates pancreatic tumor cell proliferation, survival, and invasive properties and interferes with its interaction to extracellular matrix proteins. Mol Cancer Res. 2007;5:309–320. [PubMed]
45. Swartz MJ, Batra SK, Varshney GC, Hollingsworth MA, Yeo CJ, Cameron JL, Wilentz RE, Hruban RH, Argani P. MUC4 expression increases progressively in pancreatic intraepithelial neoplasia. Am J Clin Pathol. 2002;117:791–796. [PubMed]
46. El MN, Caro-Maldonado A, Ramirez-Peinado S, Munoz-Pinedo C. Sugar-free approaches to cancer cell killing. Oncogene. 2011;30:253–264.[PubMed]
47. Komar G, Kauhanen S, Liukko K, Seppanen M, Kajander S, Ovaska J, Nuutila P, Minn H. Decreased blood flow with increased metabolic activity: a novel sign of pancreatic tumor aggressiveness. Clin Cancer Res. 2009;15:5511–5517. [PubMed]
48. Vasseur S, Tomasini R, Tournaire R, Iovanna JL. Hypoxia Induced Tumor Metabolic Switch Contributes to Pancreatic Cancer Aggressiveness.Cancers. 2010;2:2138–2152.
49. Duffy JP, Eibl G, Reber HA, Hines OJ. Influence of hypoxia and neoangiogenesis on the growth of pancreatic cancer. Mol Cancer. 2003;2:12.[PMC free article] [PubMed]
50. Yokoi K, Fidler IJ. Hypoxia increases resistance of human pancreatic cancer cells to apoptosis induced by gemcitabine. Clin Cancer Res.2004;10:2299–2306. [PubMed]
51. Chen EY, Mazure NM, Cooper JA, Giaccia AJ. Hypoxia activates a platelet-derived growth factor receptor/phosphatidylinositol 3-kinase/Akt pathway that results in glycogen synthase kinase-3 inactivation. Cancer Res. 2001;61:2429–2433. [PubMed]
52. Amaravadi RK, Thompson CB. The roles of therapy-induced autophagy and necrosis in cancer treatment. Clin Cancer Res. 2007;13:7271–7279. [PubMed]
53. Eguchi Y, Shimizu S, Tsujimoto Y. Intracellular ATP levels determine cell death fate by apoptosis or necrosis. Cancer Res. 1997;57:1835–1840.[PubMed]
54. Leist M, Single B, Castoldi AF, Kuhnle S, Nicotera P. Intracellular adenosine triphosphate (ATP) concentration: a switch in the decision between apoptosis and necrosis. J Exp Med. 1997;185:1481–1486. [PMC free article] [PubMed]
55. Festjens N, Vanden Berghe T, Vandenabeele P. Necrosis, a well-orchestrated form of cell demise: signalling cascades, important mediators and concomitant immune response. Biochim Biophys Acta. 2006;1757:1371–1387. [PubMed]
56. Golstein P, Kroemer G. Cell death by necrosis: towards a molecular definition. Trends Biochem Sci. 2007;32:37–43. [PubMed]
57. Pelicano H, Martin DS, Xu RH, Huang P. Glycolysis inhibition for anticancer treatment. Oncogene. 2006;25:4633–4646. [PubMed]
Niet tegen vaccineren, wel tegen schadelijke toevoegingen in vaccins
Vaccinatieraad in gesprek met Patricia, 35 jaar, moeder
Onze dochter
Ik heb in mijn jeugd veel in het buitenland gewoond en daardoor ontstond er bij mij een achterstand in ‘de’ prikken. Die moesten worden ingehaald op een leeftijd waarop ik het bewust meemaakte en wat ik niet fijn vond. Daarna heb ik zelf veel gereisd en daarbij worden bepaalde prikken aangeraden. Ik nam die vaccinaties wel, deels omdat ik toen nog niet wist van de schadelijke stoffen/toevoegingen en deels omdat ik volwassen ben.
De overweging om mijn dochter van acht maanden (nog) niet te laten inenten is omdat ze zo ontzettend jong is. Ik kan niet met logisch verstand beredeneren dat we onze baby’s met het toedienen van de vaccines ook allemaal schadelijke toevoegingen, zoals metalen, geven. Vanuit de moeder krijgen kindjes de eerste paar maanden bescherming mee en daarnaast geef ik borstvoeding. Nu schijnt dit laatste niet volledig te beschermen, maar het is wel het beste dat je je kindje kan geven. Het geven van borstvoeding wil ik minimaal blijven volhouden tot onze dochter één jaar is.
Dat wij niet willen vaccineren, werd op het consultatiebureau geaccepteerd. Dit verbaasde me overigens omdat ik veel verhalen hoorde van ouders die een totaal andere ervaring hadden. Wat me soms wel onzeker maakt is dat je niet in de toekomst kunt kijken en je niet weet welk gevaar je kind loopt of waar het mee in aanraking komt en wat eventuele gevolgen zullen zijn. Ik ben wel van mening dat je kinderziektes gewoon moet kunnen krijgen, maar het blijft lastig. Als voorbeeld: toen onze dochter vier maanden was, heeft ze een tijd heel erg gehoest. We dachten toen dat ze wellicht kinkhoest had en we gingen toen twijfelen aan onze keuze. Gelukkig bleek het geen kinkhoest te zijn.
Ik ben op zich niet tegen vaccineren, maar ik vind het niet logisch om een klein kindje in te spuiten met stoffen die zogenaamd nodig zijn om een vaccin effectief te laten zijn. Mijn man gaat hierin mee tot zolang onze dochter borstvoeding krijgt en dan vindt hij haar groot genoeg om te laten vaccineren. We hebben hier in het verleden wel discussies over gevoerd en voor mij is de keuze nog steeds niet gemaakt.
Hoe ben jij voorgelicht over vaccinaties?
Toen ik zelf een kindje kreeg kwam het vraagstuk over vaccineren om de hoek kijken. Ik werd geprikkeld door een folder van de Vereniging Kritisch Prikken die ik kreeg via een homeopaat. Naar aanleiding hiervan ben ik me er verder in gaan verdiepen. Ik ben hierin niet voorgelicht door het consultatiebureau maar ben gaan praten met andere ouders en homeopaten en kwam er zo achter dat er meer mensen zijn die er zoals ik over denken en dat het ook anders kan.
Wat vind je van het burgerinitiatief om bijsluiters verplicht te stellen?
Voor mij was een bijsluiter niet het punt, hoewel ik wel vind dat ze er moeten komen alleen al omdat ik denk dat meer mensen zich er dan bewust van zullen worden wat hun kindje toegediend krijgt. Ik vraag me echter af of het zin heeft, want de farmaceutische industrie heeft zo ontzettend veel macht, dat is gewoon niet normaal. Het gaat om de gezondheid van mensen en dat argument zullen zij ook aandragen in hun standpunt om juist wel te vaccineren. Echter ik geloof eerder dat het om geld gaat.
Wat zit er in vaccins qua toevoegingen: metalen, kippen eiwitten, menselijk DNA? Hoe worden de virussen gekweekt en wat zijn de gevolgen van vaccinaties? Daar hoor en lees je verschillende dingen over. Ik zou wel willen weten of er verband is met de schadelijke toevoegingen en bijvoorbeeld wiegendood en/of kanker. Het kan gewoon niet goed zijn en al helemaal niet voor zulke kleine kindjes. Ik ben dus niet tegen vaccineren maar tegen de toevoegingen. Als er een vaccin zou zijn zoals vroeger het koepokkenvaccin met enkel het virus en dus geen schadelijke toevoegingen, dan zou ik het meteen doen. Om deze reden overwegen wij homeopathische preventie. Hierbij worden dezelfde virussen toegediend als bij de vaccins maar dan zonder de schadelijke toevoegingen. Deze methode is afkomstig van de Australiër Isaac Golden, maar is in Nederland nog niet heel bekend.
Heb je het burgerinitiatief al getekend?
Nee, nog niet, maar dat ga ik wel doen.
Wat zou je tegen ouders willen zeggen die nu hun zoektocht beginnen?
De waarheid bestaat niet. Je moet je eigen waarheid zoeken en vormen. Dat kun je doen door zoveel mogelijk te lezen op internet, er is genoeg te vinden, en door met mensen te praten. Uiteindelijk moet je zelf de keuze maken wat voor jou de waarheid is en waar jij je het prettigst bij voelt. Probeer achter je keuze te blijven staan. Niet iedereen zal het begrijpen, want vaccineren is nu eenmaal “gemeen goed”. Ook zal het soms best moeilijk zijn als je kindje ziek wordt. Hopelijk komen mensen nooit in de situatie dat ze moeten zeggen “had ik maar”.